Column

De stemplicht afschaffen was tamelijk optimistisch

Reizigers brengen hun stem uit voor de Provinciale Statenverkiezingen op station Rotterdam Centraal. Beeld anp
Reizigers brengen hun stem uit voor de Provinciale Statenverkiezingen op station Rotterdam Centraal.Beeld anp

Vergeleken met wat in landen als de Verenigde Staten gebruikelijk is, viel de opkomst bij de verkiezingen van de provinciale staten, vorige week, nog mee. Een slordige vijftig procent van de stemgerechtigden had de moeite genomen naar het kieslokaal te gaan. 'Slechts vijftig procent', zeiden sommigen niettemin.

De helft van de Nederlanders had zijn democratisch recht verspeeld of verloochend. In deze krant pleitte James Kennedy voor een herinvoering van de opkomstplicht. Daar is veel voor te zeggen. Elk recht veronderstelt een plicht. Soms van de één tegen de ander en soms van de één tegen zichzelf. Wie een stem opeist om mee te beslissen over de toekomst van het land, heeft ook de plicht die uit te brengen wanneer het daar de tijd voor is.

In die logica had het parlement kennelijk veel vertrouwen, toen het de opkomstplicht in 1970 afschafte. Het volk werd mondig en volwassen genoeg geacht om zonder wettelijke dwang te voldoen aan zijn burgerschap, zo valt bij Kennedy te lezen. Dat viel tegen. Tussen de twintig en (tot nu toe) vijftig procent van de bevolking houdt het bij verkiezingen voor gezien. Het recht heeft voor hen niets verplichtends meer.

Cliënt van de staat
Verrassend is dat niet. In de afgelopen halve eeuw is de burger zichzelf meer en meer gaan zien als iemand die rechten heeft. Om te beginnen binnen de burgerlijke samenleving. Leerlingen (of liever hun ouders) eisten het hun toekomende op in het onderwijs: soms zelfs hun 'recht' op goede cijfers. Reizigers eisen compensatierecht wanneer de vervoerder in gebreke blijft. In winkels is de klant een koning geworden wiens rijk steunt op het klachtrecht. En ook de staat heeft daaraan moeten geloven -met uitdrukkelijke hulp van politici. Vooral onder paarse en liberale kabinetten leerde de burger zichzelf zien als een 'cliënt' tegenover een staat die moest 'leveren'.

Geen wonder dat diezelfde burger wel eens vergat dat hij (anders dan tegenover zijn buurtsuper of reisbureau) ook plichten had tegenover een staat die in zekere zin ook 'van hem' was. Want de staat is niet 'zij daar'; wij zijn hem allemaal tezamen.

Stembiljetten in het Haagse Stadhuis. Beeld anp
Stembiljetten in het Haagse Stadhuis.Beeld anp

Stemplicht
Het afschaffingsbesluit van 1970 was ten aanzien van dat burgerbesef al tamelijk optimistisch. Sindsdien heeft de politiek er veel aan gedaan om het verder te ondermijnen. Achteraf gezien lijkt het opgeven van de opkomstplicht het begin te zijn geweest van een nieuw soort kiezerscliëntelisme.

Terugdraaiing van dat besluit lijkt het logische antwoord op dat verval. Hoe kan een democratische staat functioneren wanneer de volkswil maar gedeeltelijk tot uitdrukking komt? - zo redeneerden volgens Kennedy politici al vóór de invoering van de stemplicht. Zij hadden een vooruitziende blik.

In België, waar de kiezers nog altijd naar de stembus moeten, werd al eind jaren tachtig duidelijk dat er onder een deel van de bevolking grote onrust heerste. In Nederland werd de opkomst van het Vlaams Blok (later Belang) veelal afgedaan als iets 'achterlijk-Vlaams'. Het land was met zijn nationalisme nu eenmaal een reddeloos geval. Weinigen beseften dat dat wel eens iets te maken kon hebben met de nog altijd bestaande opkomstplicht.

Electorale dijken
Zelfs zonder die laatste braken ruim een decennium later ook in Nederland de electorale dijken door, tot stomme verbazing van politici, analysten en journalisten. Pim Fortuyn en Geert Wilders hadden geen opkomstplicht nodig om hun achterban naar de stembussen te krijgen. Had die bestaan, dan had Nederland zijn hoogmoedige trots op de eigen 'gematigdheid' tegenover de zuiderburen nog veel eerder moeten verbijten. Ironisch genoeg had een kamerlid in 1892 de stemplicht overigens juist als een verdedigingswal tégen 'volksmenners' gezien - maar die kwam toen dan ook alleen nog de gegoede burgers toe.

James Kennedy wijst naar Australië als een land waarin de stemplicht goed werkt. 'Het draagvlak en de opkomst zijn hoog,' schrijft hij. Dat laatste verbaast me niet zo wanneer stemmen verplicht is; over het eerste kan ik niet oordelen.

Ik kan het wèl een beetje bekijken in België - en dan stemt het beeld niet vrolijk, en niet alleen omdat bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen ook daar al zo'n 15 procent van de kiezers de opkomstplicht aan zijn laars lapte. Als er tussen het volk en zijn afgevaardigden al een warme band bestaat, dan is dat grotendeels te danken aan het traditionele kiezerscliëntelisme, waarin stemmen en gunsten onderhands worden uitgewisseld.

Groter burgerschap dan in Nederland heb ik in België nog nooit ontdekt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden