De stemming is grimmig, al vallen er geen doden

MBALE (Oeganda) - “Stop! Jullie mogen er niet door.” Terstond houdt het kindergekwetter op en wordt het stil op het wandelpad. Tien kinderen blijven stokstijf staan, midden in het regenwoud. Twintig ogen stralen ontzag en angst uit. Ze durven de boom niet voorbij te lopen.

“Het bos leeft”, bast de holle boom. “Het is belangrijk dat het bos blijft bestaan.” De kinderen zijn een en al aandacht. “Zul je het bos niet kapot maken?”, vraagt de boom aan het kind dat vooraan staat. Het kind belooft dat. “Dan mag je doorlopen”, zegt de boom. Het kind schuifelt voorbij. “Zal je het bos niet kapot maken?” vraagt de boom aan het tweede kind? . .

“Dit valt nog mee. De vorige keer renden de kinderen in paniek terug toen ze de stem hoorden”, vertelt een Hollander als het laatste kind zijn belofte heeft afgelegd. “Die groep was diep onder de indruk. Doodstil schuifelden ze langs de boom. En 's avonds laat gingen alle gesprekken over één ding: de boom. Tja, animisme is nog springlevend in Oeganda.”

Een paar kilometer verder. Er is geen regenwoud meer. Gras domineert. In blauwe overalls gestoken mannen graven gaten en stoppen er boompjes in. Sinds medio 1994 hebben de blauwe mannen duizenden bomen geplant. Zo'n 1 800 hectare van het 1145 vierkante kilometer omspannende Mount Elgon National Park in het westen van Oeganda - vlakbij Kenia- is van bomen voorzien. En wellicht wordt het er over twintig jaar weer zoals het ooit was: een dicht tropisch regenwoud.

Nog een paar kilometer verder. Een kwekerij. Hier beginnen de duizenden inheemse bomen hun leven. Zaadjes en stekjes die door de blauwe mannen uit het bos zijn gehaald, worden in plastic zakjes gedaan, bewaterd, gekoesterd en opgekweekt om later te worden uitgezet in het bos. Drie jaar geleden plantte Ed Nijpels hier een boompje. Tevreden constateert de voormalige bewindsman van Vrom ter plekke dat het boompje hem ruim boven het hoofd is gegroeid.

De leraar in de holle boom, de bomenplanters en de kwekers, ze worden gefinancierd door de Nederlandse elektriciteitsverbruiker. Per jaar betaalt een gemiddeld huishouden zo'n twee kwartjes voor herbebossingsprojecten in Nederland, Ecuador, Maleisië, Tsjechië en Oeganda. De stichting die dat werk uitvoert heet Face. Face staat voor Forests Absorbing Carbondioxide Emissions, is bedacht door Niek Ketting, de directeur van de Samenwerkende elektriciteitsproductiebedrijven (Sep), is in 1990 opgericht en staat onder voorzitterschap van Nijpels. Bossen aanleggen is het doel van Face, dat jaarlijks ruim 15 miljoen gulden spendeert.

Mbale, een stad in het westen van Oeganda. Ed Nijpels kijkt naar een toneelstukje, opgevoerd door mensen die werken voor het herbebossingsproject. “Nederland stoot te veel kooldioxide uit. Nederland heeft geen ruimte voor nieuw bos. Door in Oeganda bos te planten, kan Nederland de uitstoot van CO2 compenseren en krijgt Oeganda meer bos, wat goed is voor mens, plant en dier. Joint implementation, internationale aanpak van een milieuprobleem, werkt”, doceren de toneelspelers.

Grofweg verwoordt het groepje het idee, dat Ketting had toen hij Face oprichtte. Ketting zocht naar de goedkoopste manier om de versterking van het broeikaseffect te beperken. De beste manier is minder fossiele brandstoffen te verstoken. Maar omdat het brandstofverbruik stijgt als de economie groeit en alle landen streven naar groei, is het - sinds de in 1992 in Rio de Janeiro gehouden grote VN-conferentie over milieu en ontwikkeling - niet gelukt om internationale afspraken te maken over de beperking van de CO2-uitstoot. Kooldioxide kan ook worden opgeslagen in oude aardgasvelden, een nog zelden beproefde techniek.

Veel goedkoper is de aanleg van bossen. Bossen nemen CO2 op. Met de aanleg van 150 000 hectare bos, kan de uitstoot van een Nederlandse kolencentrale worden gecompenseerd, zo is berekend. Op basis van die berekening toog Face in 1990 aan het werk. In 25 jaar wil de stichting 150 000 hectare aanleggen: in Nederland (tien bossen, waaronder het Leeuwarderbos) èn in ontwikkelingslanden zoals Oeganda. Want daar is bosaanleg door de lage arbeidskosten het goedkoopst. De uitvoerders moeten beloven dat ze het bos 99 jaar laten staan. Face tekent contracten voor drie jaar en zal deze dus 33 keer moeten verlengen. Saillant detail is dat de kolencentrale op de Maasvlakte, die Ketting in het hoofd had toen hij met Face begon, nooit is gebouwd. De toenmalige minister Andriessen achtte hem overbodig.

Of Face die 99 jaar haalt is de vraag, want de stichting staat nu al onder druk. Allereerst in Oeganda, al betreft die druk niet de stichting maar het project. Want de kinderen die in het park milieu-educatie krijgen, onder meer vanuit een holle boom, leren thuis dat je hele andere dingen met bomen kunt doen. Bos is er vooral om gekapt te worden, hetzij voor brandhout, hetzij om ruimte te maken voor de teelt van maïs, koffie, thee, cassave en vooral: bananen. Jarenlang was dat de praktijk: kap een bos en gebruik de vruchtbare grond. Is het beste van de grond er na een paar jaar af, kap dan een volgend stuk.

De gevolgen zijn ernaar: rond 1900 was zo'n 30 procent van het land bedekt met tropisch bos. Nu is dat nog zo'n zes procent en worden de nadelen voelbaar. Er treedt erosie op en het regent minder: regenwoud trekt regen aan; minder regenwoud betekent minder regen en slechtere oogsten. Voor het slagen van het herbebossingsproject is het essentieel dat de plaatselijke bevolking - er wonen ruim 50 000 mensen rond het park - het bos mijdt. En dat is een hele klus. Elders in Oeganda, in Kibale, waar Face ook bomen plant, ontstond een paar jaar geleden commotie toen de autoriteiten het gebied domweg afsloten. In Mount Elgon is daarom een andere oplossing gekozen: dorpelingen mogen het bos in om er bamboe en (medicinale) kruiden te halen. Maar het platbranden van bos en het weiden van vee is taboe. Een vijftigtal rangers van de Uganda Wildlife Authority, een overheidsinstelling, ziet daar op toe. Een lastige taak, want het park is groot en de bevolking even talrijk als arm. Het lukt lang niet altijd om het vee buiten te houden: op de ene plek schieten de nieuwe bomen omhoog, elders zijn ze aangevreten en klein gebleven. Vooral 's nachts sluipt menig Oegandees het park in met vee.

Omdat het met strikte verboden alleen niet lukt om de dorpelingen uit het bos te houden, worden andere methoden beproefd. Met Noors geld - ongeveer twee miljoen gulden per jaar - poogt de milieu-organisatie IUCN dorpelingen te leren dat het beter is om het voedsel voor het vee zelf te halen, en het vee niet naar het park te sturen. Dorpelingen leren hun bananen- en maïsveldjes te bemesten en hun fornuisjes aan te passen, zodat ze minder hout behoeven. Hun koeien kunnen ze door fokstieren laten dekken, wat de kwaliteit van het vee (en de melk-opbrengst) ten goede komt. Ook worden pogingen gedaan hen bij het Face-project te betrekken. Zo zijn een paar kwekerijtjes die bomen leveren, nu in particuliere handen. De animo om voor Face te werken is groot; inclusief seizoenskrachten werken er zo'n 800 mensen voor het project: de daglonen liggen er rond de twee à drie gulden, iets meer dan het gangbare loon in Oeganda.

Bovendien is de dorpelingen beloofd dat zij meedelen in de winsten die het toerisme zal brengen. Mount Elgon National Park moet avontuurlijke westerlingen lokken die de 4 300 meter hoge berg willen beklimmen, of willen wandelen door het regenwoud. Vooralsnog is de toeristenstroom beperkt: de 80 mensen die belast zijn met de organisatie van het toerisme in het park verwelkomen maandelijks zo'n 35 gasten. Geld hebben de dorpelingen daarom nog niet gezien, maar dat kan veranderen: het is in Oeganda (jaarlijkse inkomsten uit toerisme: 12 miljoen gulden) vrij rustig, terwijl het in Kenia (toeristeninkomsten: 800 miljoen) rommelt.

“Onze integrale aanpak werkt. Er wordt minder vernield en gekapt in het park”, zegt Edward Onenarech in het kantoor van IUCN in de hoofdstad Kampala. “Het gaat goed. Park én mensen profiteren van de aanpak. Het is een win-winsituatie”, zegt Chris Oryema, baas van de 50 rangers, die net als Onenarech goed thuis is in het westerse ontwikkelingshulp-idioom. Maar Oryema geeft toe dat zijn rangers geen eenvoudige taak hebben: “Er is constant druk van de bevolking. De stemming is soms grimmig, al vallen er geen doden. Het overtuigen van de dorpelingen is een kwestie van lange adem.” Dat is ook de indruk van Chris van Vugt, specialist op het gebied van plattelandsontwikkeling en werkzaam op het kantoor van de Nederlandse zaakgelastigde in Oeganda. “Het is nog niet echt gelukt de mensen bij het project te betrekken. Maar het kan wel slagen.”

Het bewijs van die stelling wordt bewezen in een dorp dat een paar kilometer buiten het park ligt: “Rond de helft van de mensen hier doet mee aan het project van IUCN”, vertelt Alex Muhweezi van IUCN, terwijl de dorpelingen onder de golfplaten daken van hun huisjes schuilen voor een enorme hagelbui en een door een fokstier verwekte koe (“die geeft zes liter melk tegen anderhalve liter voor een gewone koe”) het op een loeien zet.

Is de alledaagse praktijk in Oeganda al ingewikkeld, dreigender voor Face zijn ontwikkelingen in Nederland en mogelijke ontwikkelingen in Japan. In december wordt in Kyoto een conferentie gehouden over beperking van de uitstoot van broeikasgassen. Op deze Klimaatconferentie wordt ook gepraat over de erkenning van joint implementation, het principe waar de toneelspelers in Mbale zo enthousiast over spraken, maar waar landen als India, Indonesië en Maleisië helemaal niet geporteerd van zijn.

Deze landen beschouwen projecten zoals Face die uitvoert, als een moderne vorm van milieu-kolonialisme. En voor die visie is wat te zeggen, want Face is niet alleen geboren uit altruïsme en uit liefde voor het bos. Ook eigenbelang speelt mee. Aannemelijk is dat er in de toekomst internationale afspraken komen om de uitstoot van CO2 te beperken. In dat geval zal de Nederlandse overheid de stroomsector verplichten om de uitstoot te reduceren. Op dat moment wil de sector de bossen van Face in de strijd werpen: het wil de hoeveelheid CO2 die de bossen opnemen, aftrekken van de hoeveelheid die de centrales uitstoten.

Als de overheid dat accepteert, hoeft de sector in Nederland minder maatregelen te nemen om de uitstoot te beperken. Daar zit hem het eigenbelang in. En als de Klimaatconferentie joint implementation aanneemt, houdt dat, enigszins cru gezegd, in dat Nederland minder aan energiebesparing hoeft te doen, omdat er met Nederlands geld in het arme Oeganda bossen worden aangelegd.

De Oegandese regering heeft geen bezwaar tegen joint implementation - het door de despoten Amin en Obote uitgemergelde land krabbelt economisch onder de nieuwe leider Museveni wel op, maar kan hulp zeer goed gebruiken . Maar landen als India en Indonesië hebben die bezwaren wel. De versterking van het broeikaseffect en de opwarming van de aarde zijn een gevolg van het overdadige energieverbruik in de rijke landen. Die landen moeten het probleem zelf oplossen en hun milieuschuld niet voor een habbekrats afkopen, zo vinden zij. Bovendien houden bossen CO2 alleen tijdelijk vast; uiteindelijk geeft een boom zijn opgeslagen CO2 (grotendeels) weer af aan de atmosfeer. Als Nederland bos wil aanleggen, moet het dat in eigen land doen. En als Nederland in Oeganda bossen aanlegt, is het Oeganda dat een bijdrage levert aan de bestrijding van de versterking van het broeikaseffect, en mag Nederland die milieuwinst niet op zijn conto schrijven, stellen de tegenstanders van joint implementation.

Als de conferentie van Kyoto die redenering volgt, zou dat het Waterloo van Face kunnen zijn. Ketting gaat met pensioen en zijn werkgever sluit de poorten. In plaats van de vier huidige stroomproducenten en hun koepelorganisatie Sep, komt er één groot stroombedrijf dat moet gaan concurreren met buitenlandse producenten. In het verleden hebben de aandeelhouders van Sep al gemopperd dat milieu- en ontwikkelingshulp geen taak is van een stroomproducent. Die geluiden zullen sterker worden als de concurrentie op de stroommarkt toeneemt: want waarom zou dat grote bedrijf bossen aanleggen als het daarvoor geen compensatie krijgt?

Volgens Face-voorzitter Nijpels is het belangrijk dat het principe van joint implementation wordt erkend in Kyoto. “Natuurlijk, beperking van de uitstoot van CO2 is het belangrijkst. Maar ook Face heeft veel nut. We slaan drie vliegen in één klap: minder CO2 in de atmosfeer, meer bos in Oeganda en we verschaffen mensen in Oeganda een duurzame bron van inkomsten.”

Houdt Face op als de erkenning voor joint implementation uitblijft? Nijpels: “Er is een morele verplichting om door te gaan. Maar of de aandeelhouders van het stroombedrijf er zo over denken?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden