De Stelling van Amsterdam

Op een fietstocht achter de duinen zag Nicolaas Matsier eens een paar negentiende-eeuwse forten. 'Zodoende raakte ik op het spoor van de Stelling van Amsterdam. En die destijds zo goed als geheime kennis (in mijn wijde omgeving was er geen mens die ooit van de Stelling van Amsterdam gehoord had) vervulde mij met gevoelens van groot geluk.' Dat geluk is gebleven: 'De taalrijkdom die de fortenbouw aan alle kanten omringt is een genoegen op zich. Geniedijk, gedekte gemeenschapsweg, kogeltuin, ravelijn, verboden kring - pure poëzie.'

(I) HOE IK DE STELLING ONTDEKTE

Een goede vriend van me, dichter en essayist, zegt graag dat het essentiële vraagstuk niet zozeer is: Wie ben ik? als wel: Waar ben ik? Ik ben dat van harte met hem eens. Ook ik ben iemand die graag wil weten waar hij woont. Dat doet er nogal toe. Eigenlijk zou iedereen het de normaalste zaak van de wereld moeten vinden om geïnteresseerd te zijn in zijn omgeving, en ook in de geschiedenis van die omgeving.

Maar zelfs als je toch heus wel wilt weten waar je woont, kun je voor grote verrassingen komen te staan. Een jaar of vijfentwintig geleden overkwam me dat ergens vlak achter de duinen. Op een fiets met tuupjes en twintig versnellingen fietste ik destijds veel in en rond Amsterdam en daarbij groeide mijn bibliotheekje over stad en ommelanden gestaag aan. Ik wilde alles weten: geschiedenis, landschap, architectuur, natuur.

Ergens vlak achter - vanuit Amsterdam gezien vlak vóór - de duinen was ik tot stilstand gekomen. En verbluft. Want de weg waarover ik fietste, parallel aan de duinen, heette daar officieel - met oud bordje en al - Zeedijk. En de zee was toch echt nergens te bekennen. Na een poosje begon het tot me door te dringen dat ik hier aan de uiterste westkant stond van wat vroeger wel degelijk een heuse zoute zeearm was geweest. Ja - het IJ natuurlijk.

Het IJ, zo stelde ik na afloop van mijn fietstocht vast, was in de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw grotendeels gedempt ten behoeve van het Noordzeekanaal en de IJpolders. Daar vlak achter de duinen stelde ik op dezelfde fietstocht ook de aanwezigheid vast van een paar negentiende-eeuwse forten. Zodoende raakte ik op het spoor van de Stelling van Amsterdam. En die destijds zo goed als geheime kennis (in mijn wijde omgeving was er geen mens die ooit van de Stelling van Amsterdam gehoord had) vervulde mij met gevoelens van groot geluk.

Als een diep geheim lag de Stelling van Amsterdam in het landschap, en ik was de omvang van dat geheim nog maar net gaan bevroeden. Ik was erg blij met een klein lemma in de nog steeds onvolprezen encyclopedie, de Winkler Prins, waaruit ik mijn allereerste kennis opdeed. Mijn uitgave dateert van 1970. Ik geloof dat dit de laatste editie geweest is. Het internet heeft een eind gemaakt aan praktisch alle encyclopedieën in boekvorm.

En toen pas drong het tot me door dat ik, maar zonder het te beseffen, al veel langer bekend was met deze Stelling van Amsterdam. Ik ben namelijk geboren in het destijds nog landelijke Krommenie, het noordelijkste dorp van de Zaanstreek, waar de industrie overgaat in het boerenland. Daar in de buurt bevonden zich twee forten, het fort Krommeniedijk en het fort aan de Ham. En die twee forten waren heel vaak het einddoel geweest van de wandelingen van ons zondagse gezin. Maar meer dan namen voor plaatsen waar ik eigenlijk niks van wist, waren het niet geworden. Ze lagen er ook heel donker en gesloten en ontoegankelijk bij; zonder twijfel waren ze nog in militair gebruik.

Lang heb ik niet in Krommenie gewoond. Vóór mijn negende verhuisden we naar Den Haag. Pas veel later, in de jaren zeventig, ben ik er terug geweest met mijn broer. Sentimental journey. Wij reden in een oranje Dyane naar Krommenie. Direct nadat we de auto in de buurt van een van de forten geparkeerd hadden, kwam er een bewaker te voorschijn, die bedaard een foto maakte van auto plus nummerbord.

(II) EEN SOORT VAN LAATSTE SINGELGRACHT

Er is een militaire kaart waarop de fraaie schematische indeling te zien is van de tweeënveertig forten: ze liggen in een volmaakte cirkel rond Amsterdam. De werkelijkheid is natuurlijk grilliger en onregelmatiger. Zo'n kaart is de belichaming van een droom van militaire beheersbaarheid - een idealisering, net zoals de kaart van de Nederlandse Spoorwegen een en al strakheid en ronding is.

De Stelling heeft een ingewikkelde voorgeschiedenis van wel een eeuw, maar in de uiteindelijke vorm heeft zij een hoofdzakelijk laat-negentiende-eeuws karakter. De forten zijn gebouwd tussen 1880 en 1920. Ook de typografie van de kaart laat dat zien. Een heldere hiërarchie verdeelt de kaart in vier sectoren. Naar militair-cartografisch gebruik zijn dat tegen de klok in: Ilpendam, Zaandam, Sloten, Ouderkerk. De sectoren zijn weer onderverdeeld in groepen, telkens twee of drie. Die groepen weer in vakken. En daar treffen we dan ten slotte de forten zelf aan. De twee forten waarover ik het had - het fort Krommeniedijk en het fort aan de Ham - liggen midden boven, in het vak Krommenie. Ik blijk in het vak Krommenie van de Stelling van Amsterdam de eerste jaren van mijn jeugd te hebben doorgebracht.

In het midden van de cirkel ligt Amsterdam. Het Amsterdam van eind negentiende eeuw. De forten liggen op zo'n vijftien kilometer afstand van de stadsrand van toen, de singelgracht. Daarbuiten werd pas tegen het eind van de negentiende eeuw gebouwd. De stad lag eigenlijk nog altijd binnen zijn zeventiende-eeuwse begrenzing.

Wie de door Cornelis Anthonisz getekende vogelvluchtkaarten van het nog laatmiddeleeuwse Amsterdam wel eens bekeken heeft, kan zich voorstellen hoe de stad toen ommuurd was. Maar ook een blik op de huidige plattegrond van het stadshart geeft het tracé van die ommuring nog goed te zien. De straatnamen geven de zaak nog steeds aan. De stad, Oude Zijde en Nieuwe Zijde, respectievelijk oostelijk en westelijk van de Amstel, was omgeven door burgwallen, met daarbuiten de singelgracht. Ik simplificeer een beetje, want ook in de Middeleeuwen was de stad al een paar keer uit zijn oude versterkingen gegroeid.

Vanaf eind zestiende eeuw vond de befaamde grote stadsuitbreiding plaats. De drie nieuwe grachten werden gegraven, de Jordaan kwam erbij. En vanaf 1578 begon men met een al even grootscheepse modernisering van de bolwerken, naar de recente inzichten van de Renaissance. Het was door de Renaissance dat de wiskunde haar entree maakte in de nieuwe bolwerken zowel als de nieuwe droogmakerijen. Een wal met zesentwintig bolwerken omgaf de stad vanaf het midden van de zeventiende eeuw. Daaromheen kwam een nieuwe buitensingel te liggen. Materieel is er van de middeleeuwse ommuringen en van de bolwerken uit de Renaissance weinig over. Een paar torens en poorten, dat is al - met als kanttekening dat de Haarlemmerpoort en de Weesperpoort natuurlijk alleen hun naam en zo ongeveer hun plaats gemeen hebben met hun historische voorgangers; dit zijn sierpoorten. Maar structuur en plattegrond van middeleeuwse - en renaissancestad zijn in hoofdzaak bewaard.

Op het eerste gezicht lijkt de Stelling van Amsterdam een laatste, negentiende-eeuwse variant op die eerdere bevestigingen. Het is een kringstelling, een cirkel van fortificaties rond de stad, op zo'n vijftien kilometer afstand. Die vijftien kilometers vormden de veilige afstand ten opzichte van zelfs het verst reikende vijandelijke geschut. Rond Amsterdam liggen dus tweeënveertig forten. En eigenlijk liggen ook deze forten, zou je kunnen zeggen, binnen een soort van singelgracht. Een heel brede, dat wel. En het valt niet mee om je dat voor te stellen, als je je zelf in het landschap bevindt en daar een afzonderlijk fort ziet liggen. Maar in feite zijn al die forten onderling verbonden door een vernuftig stelsel van dijken, dammen en sluizen. En dat stelsel maakt inundatie mogelijk van een min of meer naadloos aaneensluitende gordel van water rond de Stelling. Alleen heb je in vredestijd geen notie van deze allerbuitenste slotgracht.

(III) DE STELLING ALS REDUIT

Toch klopt dat idee van allerbuitenste singelgracht rond Amsterdam ook weer niet helemaal. Bij de aanleg van de Stelling ging het namelijk niet zozeer om de stad Amsterdam op zichzelf, als wel om een nationaal defensiebelang. De Stelling was bedoeld als zogenaamd nationaal reduit. Een reduit was een letterlijk laatste toevluchtsoord voor het terugtrekkende nationale leger van het Koninkrijk der Nederlanden - als de overige verdedigingslinies het begeven hadden.

Binnen die Stellling van Amsterdam moest zich niet alleen dat leger kunnen terugtrekken, maar ook de regering, plus de bevolking van de royale strook onder water te zetten land - de boeren, met hun hele veestapel. Althans op papier moest de Stelling van Amsterdam het negen maanden kunnen volhouden zonder hulp van buitenaf. Dat was het idee. De Stelling is dus gebouwd als nationaal reduit. Daarvan zijn er meer geweest - onder andere Parijs en Antwerpen hebben fortificaties gekend die met dat doel gebouwd zijn.

Deze forten zijn heel lang omringd gebleven met geheimhouding. Militairen kunnen zeer consequent zijn in hun denken en daaruit voortvloeiende handelen. De forten werden tot voor kort niet met name aangeduid op die mooie topografische kaarten, schaal 1:50000, waarmee het zo prettig wandelen is.

Deze oude waarborg tegen spionage heb ik altijd nogal ontroerend gevonden. Want met enigszins geoefend oog herken je die typische fortvorm meteen: het is zo'n beetje een platte vijfhoek. Het militaire hoofdkwartier van de Verenigde Staten heet niet voor niets Pentagon. Die vijfhoek wijst als een soort van pijl met stompe hoek in de richting van de te verwachten vijand.

Men moet proberen zich daarbij vooral voor te stellen dat het fort aan alle kanten door water omgeven is. In vredestijd is het al een schiereilandje, maar in tijden van mobilisatie of oorlog kan het in een handomdraai een eiland worden. De brug die het forteiland aan de achterkant verbindt met het Amsterdamse achterland is een brug die opgehesen kan worden of anderszins verwijderd.

Om het schootsveld te garanderen liggen er rondom die forten zogenaamde verboden kringen van een aantal honderden meters. Binnen die kringen mochten geen duurzame obstakels verrijzen. Gebouwen die daar lagen, mochten uitsluitend van hout zijn. In geval van oorlog dienden ze gesloopt of in brand gestoken te worden. Ook eventueel geboomte moest in dat geval geveld worden.

(IV) DE 'OUDE' HOLLANDSE WATERLINIE

Inundatie, het centrale idee achter zowel de Stelling van Amsterdam als de Nieuwe Hollandse Waterlinie, was al eens beproefd in de Nederlandse geschiedenis. Ik maak een sprong van een paar eeuwen naar de 'oude' Hollandse Waterlinie - die natuurlijk net als de Eerste Wereldoorlog niet al meteen zo heette.

De Hollandse Waterlinie dateert uit de Tachtigjarige Oorlog en het idee is geleidelijk ontstaan. Het is heel eenvoudig: wie een meer droog weet te malen, kan de polder ook weer onder water zetten. De eerste, kleinere, droogmakerijen dateren van kort voor het begin van de Tachtigjarige Oorlog. De grotere en veel bekendere droogmakerijen (de Beemster, de Purmer, de Wormer) zijn als het ware tijdens de Tachtigjarige Oorlog tot stand gekomen. Het frappante feit doet zich voor dat het leven van de man achter deze droogmakerijen, Leeghwater (1575-1650), zo goed als samenviel met de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) - een oorlog die we ons vooral niet moeten voorstellen als een operatie die overal tegelijk en in dezelfde mate aan de gang was en dat dan ook nog eens gedurende tachtig jaar.

In die oorlog is er voor het eerst geïnundeerd. De befaamde inname van Den Briel door de Watergeuzen was te danken aan een inundatie. Een offensieve. Dat wil zeggen dat de aanvallers zich ervan bedienden: de Geuzen staken een dijk door en kwamen doodleuk aangevaren over iets dat naar beste weten van de Spanjaarden een stuk land was.

Inundatie, zowel offensieve als defensieve, is nog een aantal keren gebruikt - gaandeweg door beide partijen. Het idee van 'een' waterlinie stamt dus al uit de Tachtigjarige Oorlog. Maar wat 'de' Hollandse Waterlinie is gaan heten, is pas een generatie na die Tachtigjarige Oorlog tot stand gekomen.

In 1672, het roemruchte Rampjaar, stortte zowat heel omringend Europa zich op de rijk en welvarend geworden Republiek. De situatie werd snedig aangeduid met de zin: 'De natie was reddeloos, de regering radeloos, het volk redeloos'. In dat jaar is de Hollandse Waterlinie inderhaast tot stand gekomen.

Over de grote rivieren lag tot ver in de negentiende eeuw nog geen enkele brug. Dus hadden de Fransen van Lodewijk XIV de grote rivieren vermeden. Daar waren ze met een grote boog zoveel mogelijk omheen getrokken. De Maas waren ze ergens in België overgestoken, de Rijn in Duitsland. Vervolgens was de IJssel een kleinigheid geweest en stonden ze opeens bij Utrecht, dat ze met gemak namen. En nu kwam in ijltempo de Hollandse Waterlinie tot stand. Die liep van Muiden via Gorcum tot en met de Biesbosch.

De Fransen hebben toen een paar maanden in de buurt van de Waterlinie gebivakkeerd, in de hoop op vorst. Die viel inderdaad in. Bij Woerden trokken ze over de Waterlinie. Meer dan een halve of een hele meter water zal het niet geweest zijn - een inundatie ligt natuurlijk sneller dicht dan een grote rivier. Prettig voor de Republiek was, dat het weldra begon te dooien. Toen hebben de Fransen het niet geriskeerd om opgesloten te raken achter de Waterlinie. Ze trokken weg, en zo heeft de Hollandse Waterlinie althans één keer haar betrekkelijke nut kunnen bewijzen.

Zo'n reddende dooi ontbrak in december 1794 - toen vroor het zo hard dat de grote rivieren geen belemmering meer vormden voor de binnentrekkende Franse legers.

(V) INTERMEZZO XENOPHON (EN IRAK/IRAN)

Je kunt je natuurlijk afvragen of de Waterlinie inderdaad een oorspronkelijke, Hollandse, bijdrage aan de wereldgeschiedenis is geweest. Het toeval wil dat ik nogal goed op de hoogte ben van een zeker boek uit de klassieke Oudheid, namelijk 'De Anabasis' van Xenophon, ook wel 'De Tocht van de Tienduizend' genoemd. Dat boek heb ik namelijk, samen met Gerard Koolschijn, vertaald. Daarin beschrijft Xenophon een spannende militaire episode die zich omstreeks 400 voor Christus heeft voorgedaan.

Er is een groot Perzisch rijk - ongeveer Irak plus Iran plus Turkije. Het klassieke Griekenland grensde daar aan. Een broer van de Perzische koning bereidt een coup voor. Omdat de Grieken als superieure soldaten gelden, wil hij in zijn verder Perzische leger ook een flink contingent Grieken. Daar zit Xenophon bij. Dat leger marcheert vervolgens naar Babylon en levert niet ver daar vandaan slag. De Grieken doen het prima, maar hun broodheer sneuvelt. En dan begint het gedoe: de Grieken zijn ver van huis en ze moeten terug.

De plek waar ze zich bevinden, tussen de Eufraat en de Tigris, is een al heel oud, typisch landbouwgebied. Met, ongetwijfeld, irrigatie: het is een delta, tenslotte. Dat is ook te concluderen uit een heel interessante passage bij Xenophon. Eén of andere Spartaan - een echte beroepsmilitair - uit in een toespraak zijn grote argwaan over de route waartoe het leger min of meer gedwongen wordt doordat het water heel hoog in een kanaal staat. En dat vindt die oude rot raar, 'in dit jaargetijde'. Meer staat er ook niet. Maar ik heb dit altijd onthouden als een plek die erop zou kunnen wijzen dat de oude Perzen daar in die delta al wel van waterbouwkunde en oorlog wisten.

Achter in een gidsje met fietsroutes langs de Stelling van Amsterdam zag ik tot mijn grote genoegen een stukje waarin de auteur, Rob Schimmel, erop wijst dat er in de achtjarige oorlog tussen Iran en Irak (in de jaren tachtig van de twintigste eeuw) flink gebruik is gemaakt van inundaties - in het moerassige gebied van de monding van Eufraat en Tigris. Ik hou het erop dat de bevolking ter plaatse al een paar millennia van wanten heeft geweten.

(VI) DE NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

Terug naar de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Waarin zat het nieuwe? Allereerst hierin dat de stad Utrecht binnen de Linie gehaald werd. Wat lastig was, want aan de oostkant ligt Utrecht tegen de naar die stad genoemde Heuvelrug aan. Utrecht is dus een heel zwakke stee in een waterlinie. Aan die oostkant is derhalve een onwaarschijnlijke hoeveelheid forten verrezen - de stad is daar een puistenkop van forten. Als je de plattegrond van Utrecht bekijkt, zie je hoe een eerste generatie van forten allengs ingehaald is door stadsuitbreidingen. Wat verder weg is vervolgens een nieuwe generatie forten gebouwd die op hun beurt weer in een soort van halflandelijkheid zijn komen te liggen. Fort Rhijnauwen, het grootste fort van Nederland, is de zwakste stee van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het blijft de paradox van het fort: dat leg je aan op een zwakke plek. Waar je helemaal geen forten ziet, daar is de Waterlinie pas echt sterk.

Het andere nieuwe is dat de linie in technisch opzicht een stuk geavanceerder wordt. Veel nauwkeuriger wordt nu omgesprongen met het hoogteverloop in het terrein. De linie, van Muiden tot de Merwede, wordt in een aantal zogenoemde kommen onderverdeeld. Dit om te voorkomen dat het ingelaten water al te snel verdwenen is uit de wat hoger gelegen gedeelten van de linie.

Verder zijn er allerlei prachtige en vernuftige zaken uitgevonden door de ingenieurs van de genie of Rijkswaterstaat, die ik hier alleen maar even noem: de waaiersluis, de valdam, de plofsluis. De taalrijkdom die de fortenbouw aan alle kanten omringt is een genoegen op zich. Geniedijk, gedekte gemeenschapsweg, kogeltuin, ravelijn, verboden kring - pure poëzie. Voorzover ik weet is het Nederlands - als taal waarin het woord 'kunstwerk' een zowel artistieke als waterstaatkundige en militaire betekenis heeft - uniek.

De Franse Tijd (1795-1813) is van groot belang geweest voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. Napoleon had, net als Lodewijk XIV vóór hem, behoefte aan een natuurlijke noordgrens, net zo een als ook de Romeinen hier al hadden. Maar dan natuurlijk wel graag met Amsterdam erin. Een voorloper van de Stelling was ontworpen door C.R.T.Krayenhoff. Deze patriot was in de Franse Tijd, maar ook onder koning Willem I verantwoordelijk voor de Hollandse fortificatiën. Hij werkte samen met Jan Blanken, de waterbouwkundige die het Noord-Hollands Kanaal groef en de uitvinder was van de al genoemde waaiersluis. Dit tweetal heeft in eerste instantie getekend voor zowel de Nieuwe Hollandse Waterline als de Stelling van Amsterdam.

Het jaar 1799 is beslissend geweest voor het ontstaan van de latere Stelling van Amsterdam. Toen gebeurde er iets wat niemand voor mogelijk had gehouden. Een combinatie van Engelsen en Russen viel bij Callantsoog Noord-Holland binnen en trok op naar Alkmaar, waar slag werd geleverd. De Engelsen en de Russen wonnen en trokken zuidwaarts. Bij Castricum is opnieuw gevochten - en werden de geallieerde troepen alsnog verslagen.

Amsterdam was nog nooit kwetsbaar geweest aan de noordkant (boven het IJ dus) of aan de westkant (vlak achter de duinen). Op deze twee plaatsen verrezen in 1799 ijlings linies naar ontwerpen van Krayenhoff. Tegen de Engelsen en de Russen dus. Delen van deze voorlopers van de Stelling van Amsterdam zijn naderhand opgenomen in het ontwerp.

De Nieuwe Hollandse Waterlinie heeft nooit dienst gedaan. Zij is wel gemobiliseerd geweest in 1870 toen de Frans-Duitse Oorlog uitbrak. Die mobilisatie was een desastreuze affaire. Alles was even beroerd en slecht en krakkemikkig en verwaarloosd. De Vestingwet van 1874 was het directe gevolg hiervan. In die wet werden onder meer de water- en andere linies beschreven waarvan de Nederlandse defensie het sindsdien hebben moest. Van de vijfenzeventig oude vestingsteden - waaronder Amsterdam - werden er vijftig opgeheven. De rest werd ingepast in een totaalplan. Dat er vervolgens ook echt ernst is gemaakt met de bouw van de Stelling van Amsterdam als nationaal reduit is eveneens aan die wet te danken.

De Nieuwe Hollandse Waterlinie is een schitterend lint door het land, met sinds kort een fraai Lange Afstands Wandelpad ernaast en erlangs. Vooral het zuidelijk deel is beeldschoon. Het mooie is dat heel oude verdedigingswerken zoals het Muiderslot en Loevestein vaak naast of recht tegenover de forten van de negentiende eeuw liggen. Ook langs en rond de Stelling van Amsterdam is een aangename fietsroute tot stand gebracht.

Het aardige van deze twee toeristische ingebruiknemingen is dat ze een laat rijm vormen op wat er in de negentiende eeuw met nogal wat bolwerken is gebeurd. Bij voorbeeld in Haarlem en in Utrecht heeft men daar zogenoemde wandelingen van gemaakt - 'wandeling' in de betekenis van een op de plaats van het opgeheven bolwerk aangelegd publiek parkje, met een naar de mode van het Engelse landschapspark slingerend traject. Dit zijn de eerste publieke parken van Nederland geweest. Voor de betekenis van het woord 'wandeling' in de hier genoemde zin, van een aanleg, vergelijk het Franse woord boulevard, dat overigens een direct afgeleide is van het Nederlandse woord bolwerk.

(VII) AMSTERDAM EN DE EERSTE WERELDOORLOG

De Stelling van Amsterdam is net zo min als de Nieuwe Waterlinie ooit blootgesteld geweest aan een heuse oorlog. De laatste oorlog waartegen de Stelling van Amsterdam misschien bestand zou zijn geweest, was de Eerste Wereldoorlog. Er zijn schitterende foto's van de twee keer dat de Stelling (en de Linie) gemobiliseerd zijn geweest, want wonderlijk genoeg gebeurde dat aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog nogmaals. Onder meer aan de kepie's respectievelijk de helmen is vrij goed te zien om welke mobilisatie het gaat. Opvallend aan die foto's - naar ik aanneem propagandafoto's, gemaakt ter verspreiding onder de af te schrikken vijanden - is het vertrouwen dat zij uitstralen in de waterlinie en de stelling. Ze hebben iets vrolijks dat alles met de voorbereiding op een oorlog, maar niets met de oorlog zelf te maken heeft.

Amsterdam en de Eerste Wereldoorlog - gek genoeg komt het onderwerp in de zesdelige 'Geschiedenis van Amsterdam' door H. Brugmans niet eens voor. Ook ontbreekt elke verwijzing naar de Stelling. Voor de boeken van Richter Roegholt geldt hetzelfde. In 'Een kleine geschiedenis van Amsterdam' wijdt Geert Mak aan de Eerste Wereldoorlog precies één alinea; die betreft het Aardappeloproer.

Toch heeft het maar een haar gescheeld, zowel aan het begin als tegen het eind, of we waren wel degelijk in de Eerste Wereldoorlog betrokken geraakt. Als je de kaart bekijkt, lijkt de Nederlandse neutraliteit een verbluffende prestatie: wij liggen toch echt tussen de oorlogvoerende partijen in. Maar Nederland heeft niet voor niets als eerste gemobiliseerd. En die mobilisatie lijkt tamelijk energiek en betrekkelijk goed georganiseerd verlopen te zijn. Militair hebben wij er misschien nooit meer zo goed voorgestaan als in de eerste weken van die oorlog. Toen hadden Duitse troepen zeer wel door Zuid-Limburg kunnen trekken. Ook hadden de Engelsen zeer wel de Schelde op kunnen varen. Tegen het eind van de oorlog deden zich navenante territoriale problemen voor, nu in omgekeerde richting - ook terugtrekkende troepen nemen liever de kortste weg.

Een van de gevolgen van onze neutraliteit is geweest dat de Eerste Wereldoorlog zo goed als geen sporen heeft achtergelaten in onze literatuur en overige kunst. Het is en blijft een vreemde witte plek. Als ik het weinige opsom dat ik ervan weet, ben ik in een paar minuten klaar. W.G. van de Hulst, groot kinderboekenschrijver, schreef Peerke en zijn kameraden. Daarin vormen een grootvader en zijn zwaar verminkte kleinzoon, Belgische vluchtelingen, de treurige kern van een boek waarin de omstanders kerngezonde Hollandse jongens zijn die lange tijd niet begrijpen waarom dat jongetje niet buiten komt spelen.

En dan is er Hotz. Frits Hotz, geen tijdgenoot van de Eerste Wereldoorlog, heeft er niettemin een paar heel mooie verhalen over geschreven, onder meer over de mobilisatie in Amsterdam. Hotz moet een fortenliefhebber zijn geweest. Het verhaal 'Dood weermiddel' gaat over een commandant van een naamloos blijvend fort ergens aan de Waterlinie. Dat verhaal gaat over mensenhaat en over de schoonheid van het geometrisch bedwongen, militaire landschap, maar vooral over het wachten op niets - het gaat kortom over een fortwachter in vredestijd, halverwege de negentiende eeuw.

Maar er is één auteur die in het jaar 1915 met een vriendin langs de Nieuwe Hollandse Waterlinie wandelt. Ik citeer een paar passages, losgemaakt uit hun context, die een aangename mengeling is van natuurlyriek en royaal verstrekte historische wetenswaardigheden. Misschien kan de lezer raden wie deze voorvader van Koos van Zomeren is:

,,Het fort de Klop ligt listig achter een paar huisjes verborgen, maar een schildwacht (op klompen, met een bos stroo erin, dat is naar den man zijn zin) duidt de gevaarlijke nabijheid ervan aan. Hij overziet ook den Klopdijk met de Klopvaart, die het veen in leiden en ik kan niet nalaten, even dat inkijkje te teekenen. De schildwacht komt even kijken en zegt, dat 't streng verboden is, om teekeningen van versterkingen te maken. We zullen er om denken.'

Na een lus in de rivier lopen onze wandelaars weer langs dezelfde plek, nu aan de overkant. De auteur maakt daar toch weer eventjes een tekening: 'en daar zijn drie soldaten, die met aandacht staan uit te kijken in onze richting, ze stoffeeren dat bruggetje heel aardig, maar hun belangstelling kon ons wel eens problemen opleveren.'

En jawel, na een paar opgewekte pagina's vol landschappen en kastelen is het zo ver: ,,Midden op den weg staat daar een forsche luitenant van de infanterie met twee mannetjes en die zegt: 'heer met slappen hoed, dame in 't groen met grijze boa, wilt u zoo goed zijn, hier even binnen te komen.' De schildwacht van den watermolen heeft getelefoneerd en wij zijn 'geknipt'.' Dit woord lijkt in 1915 niet zozeer te betekenen dat ze gefotografeerd als wel dat ze in de kraag gevat zijn.

,,Daar stonden we nu op het bureau. Terwijl de kapitein ons een streng verhoor afnam, kwam er ook nog een stoere rijksveldwachter opdagen. Die was ook al opgebeld en het wachtlokaal stond bovendien vol soldaten. Gelukkig zijn onze albums in ons land nog al bekend en zoo kon ik op bevredigende wijze rekenschap geven van de onschadelijkheid van mijn werk, maar voor we ontslagen waren, moest ik toch beloven, dat ik verder op mijn wandeling buitenshuis in 't geheel geen teekeningen of aanteekeningen meer zou maken.'

,,Toen we eenmaal weer den grooten weg hadden bereikt hield ik dat schetsboekje in 't diepst van mijn zakken, want de Vechtlinie deed hier zijn naam eer aan en dit stukje van ons vaderland leek één groot stekelvarken. Nu zag je in het lage veenland aan alle wegen, die het doorkruisen, vinnige forten liggen, nu als eilandjes in de groene vlakte, maar als de nood aan den man komt, worden het echte eilandjes in het overstroomd gebied. En overal stonden kanonnen opgesteld achter prachtig afgewerkte borstweringen met scherfvrije schuilplaatsen, uitkijktorens en allemaal van die dingen die we nooit hopen te gebruiken maar waarvan het toch wel goed is dat ze kant en klaar staan met de mannetjes erbij. Ik herinner mij 1870 nog zeer goed en daardoor komt het misschien wel dat ik thans nog veel meer liefhebberij in onze krijgsvaardigheid heb dan van een vreedzaam leeraar in de kennis der natuur te verwachten is.'

De auteur is Jacq P. Thijsse; het boek heet 'De Vecht'. Het is zo'n befaamd Verkade-album, waarin de gelukkige bezitter zelf de bij de beschuit en zo meer verkregen plaatjes moest inplakken. Een schrijver bij wie ik gezocht heb naar precies dezelfde forten langs de Vecht, is Nescio. Ik heb zijn natuurdagboek (dat begint in 1945) erop nagelezen, maar daaraan het stellige vermoeden overgehouden dat hij ze niet heeft willen zien.

(VIII) TOT SLOT

Het tragikomische van zowel de Waterlinie als de Stelling is geweest dat ze aangelegd werden in een halve eeuw waarin zowat alles op dit terrein aan één stuk veranderde en verouderde: technieken en uitvindingen, de steeds versnelde aanleg van kanalen, spoorwegen en rijkswegen, plus een tegen het eind van de eeuw sterk toenemende bevolking.

Allereerst was daar het getrokken geschut, waarmee veel nauwkeuriger, verder en destructiever geschoten kon worden. Dat deed de ene generatie forten op slag verouderen. Een volgende generatie trof dat lot doordat de brisantgranaat werd uitgevonden. Vooral die laatste is bepalend geweest voor de Eerste Wereldoorlog. Een brisantgranaat boort zich door een listig aangebrachte aardlaag (die het antwoord was geweest op het getrokken geschut) heen, en spat pas uit elkaar als ie het harde steen of beton bereikt. Ik zwijg nu maar van het vliegtuig dat zijn nog enigszins aarzelende entree eveneens in de Eerste Wereldoorlog maakte. En van de onderzeeërs, nieuwe Duitse uitvinding; en van de tank, nieuwe Engelse uitvinding.

Er is een vrij lange periode geweest van betrekkelijk niksende forten die aan het nadenken waren over hun lot. Maar in diezelfde tijd hebben de forten allereerst zichzelf bewaard, en - tot ons grote geluk - hun omgeving daarbij. En toen het echt mis dreigde te lopen met deze nutteloos geworden bouwwerken bleek er opeens een daadkrachtig Provinciaal Bestuur van Noord-Holland te zijn.

Dat was het moment waarop - in de ogen van een aantal waakzame lieden - de totale verkwanseling en het uiteenvallen van de Stelling aanstaande was. In 1988 verscheen het boek 'De Stelling van Amsterdam'. Het was een eerste poging, samen met de provincie Noord-Holland, om de forten te redden. Militair-historici, landschapsadepten en zo meer hadden elkaar gevonden. Het is intussen ook echt gelukt: de Stelling staat sinds 1996 op de Werelderfgoed-lijst van de Unesco. Met de Nieuwe Hollandse Waterlinie gaat het hopelijk eenzelfde goede kant op.

Mocht iemand per ongeluk gedacht hebben in deze beschouwing een antwoord te zullen krijgen op de vraag: Hoe luidt de Stelling van Amsterdam? dan moet ik hem natuurlijk teleurstellen. Dit is immers een stelling die er de voorkeur aan heeft gegeven de stilte te bewaren. En juist het stille van deze Stelling, en ook het stugge en het terughoudende ervan, zullen er hopelijk toe bijdragen om het geheim van de Stelling zo goed mogelijk te bewaren. Het is juist dat mengsel van grote schoonheid en afweer dat de forten hun onmiskenbaar eigen karakter geeft.

De architectonische en landschappelijke schoonheid van de forten berust uiteraard op een compleet gezichtsbedrog. Ook een stijlvol gebouwd abattoir (witbetegeld, met fraaie gewelven) zou ons, mits oud genoeg geworden, ongetwijfeld kunnen verrukken. Eén enkele foto, het geeft bijna niet welke, uit de Eerste Wereldoorlog, van de hel die er best had kunnen uitbreken in en rond deze forten, en in de loopgraven die je er ook in ons land gemakkelijk bij kunt denken, één zo'n foto van modder en bloed en ledematen en boomstompen zou al voldoende moeten zijn om ons te laten beseffen dat hier slechts één ding te wensen valt. En dat is: leve het ongebruikt gebleven fort.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden