De Statenverkiezingen zijn géén referendum over het kabinet-Rutte

Voorzitter Ankie Broekers-Knol van de Eerste Kamer en premier Mark Rutte bij de Algemene Politieke Beschouwingen in de senaat. Beeld Hollandse Hoogte / Phil Nijhuis

De landelijke politiek heeft de Provinciale Statenverkiezingen gekaapt. Maar in de valse voorstelling van zaken dat de kiezer zich die dag uitspreekt over de Haagse coalitie, schuilt een groot gevaar.

Aan de belangrijkste voorwaarde voor een hoge opkomst bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten lijkt bij voorbaat al te zijn voldaan: de verkiezingen worden meer en meer een oordeel over de vierpartijencoalitie aan het Binnenhof. Het wordt zelfs een referendum over de persoonlijke toekomst van Mark Rutte, als het aan sommige partijen ligt.

Op 20 maart staan de positie van het kabinet en de toekomst van de coalitie op het spel. Voor de derde keer op rij bij Statenverkiezingen gaat het over de landelijke politiek en niet over beslissingen rond ruimtelijke ordening, het belangrijkste terrein van provincies, of waterkwaliteit, de opdracht van de ook die dag te kiezen volksvertegenwoordigers in de waterschappen. Drie keer droomde de oppositie ervan haar positie betekenisvol te versterken door een meerderheid in de Eerste Kamer te halen, en twee keer haalde het niet eens zo veel uit.

Ook deze derde keer gaat het alle partijen om Den Haag en om de meerderheid in Eerste Kamer, die in mei door de Statenleden gekozen zal worden. De provincies zelf zijn voor hen bijzaak.

Forum voor Democratie en de PVV, twee partijen die elkaar hevig moeten beconcurreren, maken het het bontst. Natuurlijk is bestrijding van de islamisering in de provincie, die de PVV steevast in haar verkiezingsprogramma heeft staan niet onmiddellijk een taak voor de provincie, maar ook Forum kan er wat van. In het summiere verkiezingspamflet – een volwaardig programma kan het niet genoemd worden – stelt Forum voor Democratie steeds als eerste dat de Commissaris van de Koning rechtstreeks gekozen moet worden. Met enige goede wil valt wel te verdedigen – omdat de Staten immers de Eerste Kamer samenstellen – dat dit landelijke punt in zo’n pamflet thuishoort. Maar met de provincies zelf heeft het hoegenaamd niets te maken: een grondwetswijzigng is een zaak van de landelijke politiek.

Rad voor ogen

Draaien partijen als Forum voor Democratie, de PVV en de Socialistische Partij de kiezer een rad voor ogen door als hardste te roepen dat deze verkiezingen een referendum zijn over de vraag of het derde kabinet-Rutte kan aanblijven of niet? Die vraag valt desondanks niet eenvoudig te beantwoorden. Het is verleidelijk de landelijke politiek voorop te stellen, nu op voorhand mag worden aangenomen dat de vierpartijencoalitie de meerderheid in de senaat in mei zal verliezen. Maar de politieke situatie in 2019 is bepaald niet dezelfde als bij de twee voorgaande verkiezingen voor de Staten.

Het is een misverstand te denken dat een kabinet automatisch zwaar in de problemen komt als het in de Eerste Kamer geen meerderheid heeft. Dat bewees Mark Rutte al met zijn eerste kabinet, negen jaar geleden. De coalitie van VVD, CDA en gedoogpartner PVV had destijds vanaf het begin al geen meerderheid in de Eerste Kamer en dat zou in de nieuw te kiezen senaat ook niet het geval zijn.

Maar dat die meerderheid uitbleef, betekende niet veel in het jaar dat deze coalitie nog restte. De Eerste Kamer komt immers pas in beeld als de Tweede Kamer wetten goed genoeg bevindt voor een laatste oordeel door de senaat. Anders dan nu veelal door politici wordt beweerd, is de Eerste Kamer van minder groot belang voor de grote politieke lijnen. Grote debatten met onmiddellijke gevolgen voor het te voeren beleid vinden in de Eerste Kamer niet plaats. In die zin ligt het politieke primaat nog altijd bij de direct gekozen Tweede Kamer.

Dat wil nog niet zeggen dat de Eerste Kamer te negeren valt, zoals het tweede kabinet-Rutte tot zijn schade en schande merkte. Ook deze coalitie – deze keer van VVD en PvdA – had vanaf het allereerste optreden geen meerderheid in de senaat. Het kabinet dacht te kunnen regeren zonder daar rekening mee te houden, maar al bij de eerste de beste gelegenheid ging het mis. Minister Stef Blok, destijds nog verantwoordelijk voor het volkshuisvestingsbeleid, haalde een enorme zeperd in de Eerste Kamer en moest zijn wetsvoorstel snel intrekken.

Onder ogen zien

Critici verweten de twee partijen de realiteit niet onder ogen te willen zien. Velen betoogden – en niet geheel toevallig waren het vooral leden van oppositiepartijen die dat deden – dat de Eerste Kamer al tijdens de formatie-onderhandelingen bij de besprekingen betrokken had moeten worden. In een brief aan de informateurs vroeg de senaat zelfs om een rol in de formatie, wat een staatsrechtelijk novum zou zijn.

Het debacle van Blok maakte Rutte en PvdA-leider Diederik Samsom wel toeschietelijker om met delen van de oppositie te praten. In de Tweede Kamer, niet in de Eerste. Met D66, de ChristenUnie, GroenLinks en SGP werd snel na dit debacle een akkoord gesloten, waardoor Rutte en de zijnen ervan uit mochten gaan dat regeren met een minderheid in de Eerste Kamer geen onoverkomelijk probleem zou worden. Hoe onafhankelijk senatoren officieel ook mogen zijn van hun partijgenoten aan de overkant, een in de Tweede Kamer gesloten akkoord maakt ook hun positie totaal anders.

Twee keer eerder maakte Mark Rutte dus als premier mee dat zijn coalitie in de Eerste Kamer in de minderheid was en twee keer leverde dat geen onoverkomelijke problemen op voor zijn kabinetten. Een minderheid in de senaat is voor Rutte, kortom, niets bijzonders. Integendeel, het zou voor hem juist heel bijzonder zijn als zijn vierpartijencoalitie na 20 maart als door een wonder opeens wél een comfortabele meerderheid had. Dus, hoezo een referendum over Rutte?

Maar toch, de situatie van nu is niet volledig vergelijkbaar met die van maart 2011 of maart 2015. Als het goed is, krijgt de Eerste Kamer de komende jaren veel wetgevingsarbeid te verzetten, want het derde kabinet-Rutte kwam een ambitieus regeerakkoord overeen dat nogal wat nieuwe wetten met zich meebrengt. Rond pensioenen, klimaat en de arbeidsmarkt bijvoorbeeld. Daarbij komt ook de Eerste Kamer om de hoek kijken.

Een overduidelijke afstraffing voor de viercoalitiepartijen op 20 maart kan het wetgevingsprogramma van het derde kabinet-Rutte dus zwaar frustreren. Het wreekt zich nu dat de coalitie tot nu toe ruim de tijd nam om afspraken in wetsvoorstellen om te zetten. Een breed akkoord over alle mogelijke plannen met meerdere oppositiepartijen zou Rutte kunnen helpen om zijn programma in wetten door de Eerste Kamer te loodsen.

Maar er is geen enkele oppositiepartij, ook de Partij van de Arbeid niet, die ook maar overweegt een dergelijk akkoord met zoveel uiteenlopende onderwerpen en met zulke grote gevolgen te sluiten. Zo er iets over is van een ‘constructieve oppositie’ zoals die er was tijdens het vorige kabinet, dan zal dat bij elk wetsontwerp afzonderlijk opnieuw moeten blijken.

PvdA-leider Lodewijk Asscher gaf al aan geen breed akkoord te willen sluiten met de coalitie en de beoogde nieuwe fractievoorzitter van GroenLinks in de Eerste Kamer, Paul Rosenmöller, kondigde aan dat de coalitie tegemoet moet komen aan wensen van zijn partij op elk afzonderlijk voorstel, wil er sprake kunnen zijn van steun. Zonder die steun dreigt het kabinet een club worden die louter en alleen nog op de winkel past.

Heel andere terreinen

Het politieke primaat mag dan bij de Tweede Kamerleden liggen, dat wil niet zeggen dat hun collega’s in de senaat geen politieke afwegingen maken. Senatoren houden, zo blijkt uit meerdere onderzoeken, weliswaar behoorlijk trouw vast aan de partijlijn die Tweede Kamerfracties uitzetten, maar op heel andere terreinen begit de Eerste Kamer langzaam maar zeker een eigen rol te spelen.

Een voorbeeld daarvan was, al in 2012, het rapport van een onderzoekscommissie uit de Eerste Kamer (onder leiding van ChristenUnie-fractievoorzitter Roel Kuiper – die straks niet terugkeert in de nieuwe Eerste Kamer) naar twintig jaar privatiseringen in Nederland. Het zijn dergelijke minder aan de politieke hitte van de dag gelieerde onderwerpen waarvoor senatoren bij uitstek geschikt zijn. De Eerste Kamer organiseert conferenties over de euro en over andere, weliswaar chronisch actuele, maar niet de korte termijn betreffende onderwerpen. Zo was het ook op initiatief van de Eerste Kamer dat er een staatscommissie kwam die advies moest uitbrengen over de toekomst van het vertegenwoordigende parlementair stelsel.

Die commissie (onder leiding van VVD-veteraan Johan Remkes) kwam wat de Eerste Kamer betreft overigens met een wat verwarrend advies. De senaat moet vooral blijven bestaan, luidde het advies van de commissie, maar moet er een aparte rechter in het leven komen die moet bezien of wetgeving in strijd is met de Grondwet of niet. Die taak nu was steevast een van de argumenten om de Eerste Kamer in stand te houden. En de rechtsstatelijkheid van gevoerd beleid is nu juist meer en meer een expliciete afweging geweest in het werk van de Eerste Kamer. Als er al wetgeving terug werd gestuurd naar de Tweede Kamer, dan was deze afweging vaak de reden om de wet af te wijzen.

De Eerste Kamer lijkt op zoek te zijn naar een andere, nieuwe rol. Alleen al daarom is het maar de vraag of het zo voor de hand ligt bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten – en indirect voor de Eerste Kamer – te spreken over een referendum over de politieke toekomst van Mark Rutte en zijn coalitie van vier partijen. Zelfs al lijden die vier een gevoelige nederlaag, dan zal de premier niet naar de koning gaan om het ontslag van zijn kabinet aan te bieden.

Regeren, althans voor zover het gaat om wetgeving, wordt voor het zittende kabinet een stuk ingewikkelder, zeker, maar het is niet onmogelijk. En hoe groot verschillen met de twee vorige kabinetten ook zijn, die lieten wel zien dat regeren met een minderheid in de Eerste Kamer heel goed mogelijk is.

Groot gevaar

In de voorstelling van zaken die flankpartijen als Forum voor Democratie, de PVV en de Socialistische Partij geven over het belang van de verkiezingen van 20 maart zit intussen een groot gevaar. Echte referenda leiden al niet tot het klakkeloos volgen van de wil van de meerderheid van de kiezers, laat staan verkiezingen die door een enkele politicus tot een referendum uitgeroepen worden. Onvrede en teleurstelling en de verkeerde aanname dat ‘wat je ook doet, ze toch niet naar je luisteren in Den Haag’ zullen een nieuwe voedingsbodem krijgen.

Partijen op de flanken gaan zo door met het uithollen van het evenredige parlementair stelsel. Zij worden misschien groot in de verschillende Provinciale Staten en wellicht ook in de Eerste Kamer. Maar ze kunnen daar niet veel meer doen dan nog verder werken aan onvrede.

Niemand mag zich nog verbazen over het gegeven dat Haagse politiek regionale verkiezingen kaapt. Die ontwikkeling is al meerdere decennia gaande. Het belang van zulke verkiezingen wordt groter en groter naarmate meerderheden in Den Haag onzekerder en minder stabiel zijn. Wat wel nog mag verbazen, is de vreemde voorstelling van zaken die sommige partijen geven van de gevolgen van tot referendum gebombardeerde verkiezingen.

Lees ook: 

De Provinciale Statenverkiezingen zijn geen feest  

Hans Goslinga heeft zijn bedenkingen bij de verkiezingen van 20 maart.

De rol van de senaat wordt alleen maar vager

Het advies van de staatscommissie over de rol van de Eerste Kamer blinkt niet uit door eenduidigheid.

Hef de provincie op

Voormalig provinciaal topambtenaar Ad Kuijper ziet het nut van de provincie als aparte bestuurslaag niet in.

De provincie is heel erg nuttig

CDA-gedeputeerde Eddy van Heijum breekt juist een lans voor de provincie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden