De sporen achterna

Terreuraanslagen zijn vaak herkenbaar, ze laten 'vin ger afdrukken' na. Experts kunnen daardoor meestal vrij snel vaststellen of een aanslag het werk is van de Eta, van een afsplitsing van de Ira of een extreme Pale stijnse groep. Al die orga nisaties hebben hun eigen werkwijzen. Hun doel wit ten, de materialen die ze gebruiken en ook taalge bruik van communiqué's verraden de daders, zelfs als ze niet openlijk voor hun daden uitkomen.

In de aanvallen op het Pentagon en het Wereldhandelscentrum in New York komt in uitvergrote vorm een potpourrie van Midden-Oosterse terreurtechnieken samen. De tijdsafstand van achttien minuten tussen de eerste en de tweede aanval bijvoorbeeld doet 'Libanees' aan. In de Libanese burgeroorlog van de jaren zeventig en tachtig was het een gebruikelijke tactiek van terroristen om twee bommen te laten ontploffen, kort na elkaar, waarbij de tweede als doel had om nieuwsgierige toeschouwers en reddingswerkers te doden. Soms plaatsten ze zelfs een derde bom, bij het ziekenhuis in de buurt, om de ambulances en de gewonden opnieuw te treffen.

Messen, ook gebruikt in de gekaapte vliegtuigen, werden berucht in de jaren negentig in Algerije. Extremistische moslims richtten (en richten) er bloedbaden mee aan in dorpen. Ook zelfmoordaanslagen zijn niets nieuws in het Midden-Oosten. De afgelopen jaren hebben Palestijnse jongeren er talloze gepleegd in Israël. In de jaren tachtig en negentig deden Libanese jongeren hetzelfde, om het Israëlische leger uit hun land te verdrijven. Die Libanese zelfmoordaanslagen waren niet het monopolie van godsdienstige fanatici, want ook aanhangers van de Syrische president Hafiz Al-Assad bliezen zichzelf in hun auto op, ter ere van hun idool zoals ze in een video vertelden, die vóór hun daad was opgenomen.

Ook Iran zond, eveneens in de jaren tachtig, jeugdige zelfmoordplegers met autobommen naar de Iraakse hoofdstad Bagdad. Iran was toen in oorlog met Irak. De zelfmoordplegers kregen maandenlang een hersenspoeling, waarbij ze van de vroege ochtend tot de late avond niets anders kregen te horen dan voorlezingen uit de Koran. Het probleem was dat deze hersenspoelingen, hoelang ze ook duurden, hun werking vaak al na 24 uur hadden verloren. Dat betekende dat de 'kandidaat-martelaar' binnen een dag na het vertrek uit het trainingskamp de aanslag in Bagdad moest hebben uitgevoerd, anders bestond het 'risico' dat hij zich zou bedenken.

De nu in Amerika toegepaste methode, het werken met groepjes zelfmoordenaars, is psychologisch 'knapper'. De groepsdwang blijkt effectiever dan de ouderwetse hersenspoeling, die ook moeilijk toepasbaar is bij mensen die als 'Amerikaanse burgers' elke dag braaf hun kinderen naar school brengen, om niet op te vallen.

Ook het planten van 'mollen' in de westerse samenleving, die je op elk gewenst moment kunt activeren, is een bekend verschijnsel. Ze hoeven niet eens per se politieke medestanders te zijn, ook chantabele tegenstanders kun je voor je kar spannen. De Iraanse geheime dienst bijvoorbeeld folterde opgepakte tegenstanders zo hevig, dat ze doorsloegen en vrienden verrieden. Vervolgens lieten hun kwelgeesten hen vrij en gaven ze hun zelfs de kans om het land te verlaten. Jaren later kregen die mensen in hun westerse ballingsoord bezoek van dezelfde geheime dienst, die hen vroeg of ze het leuk zouden vinden als hun politieke medestanders zouden horen van hun verraad. Die afgang konden ze voorkomen door voortaan hun medeballingen te bespionneren.

Bewijzen tegen Osama Bin Laden hebben de Amerikanen niet geleverd, maar die potpourrie van 'vingerafdrukken' bij de terreuracties in New York en Washington wijzen inderdaad in zijn richting. Zijn organisatie Al-Qa'ida is een paraplu, waaronder extreme groepen uit de hele islamitische wereld, van Algerije tot de Filippijnen, samenwerken. Al die groepen hebben hun uiteenlopende 'kennis van zaken' bijeengebracht. Die 'globalisering' van de terreurtechnieken was zichtbaar bij de aanvallen in New York en Washington.

Betrokkenheid van Bin Laden bewijst nog niet dat hij alleen heeft gehandeld. Bin Laden heeft in het Midden-Oosten een tegenpool, met een ander karakter en andere politieke ideeën, maar met belangen die op dit moment sterk parallel lopen. Het is Oedai, de zoon van de Iraakse dictator Saddam Hoessein. De terreurdaden in Amerika vertonen ook een trek, die op betrokkenheid van deze psychopaat (en via hem van het hele Saddamregime) zou kunnen wijzen: het totaal doldrieste, grenzeloze.

De twee karakters verschillen diametraal. Bin Laden is, ondanks zijn formidabele rijkdom, een humorloze puritein. Hij is in zijn element in zijn ijskoude grot in de Afghaanse bergen. De Britse journalist Robert Fisk ondervond in 1997 hoe koud het is in dat hol. Bij het ontwaken 's ochtends zat zijn haar vol ijs. Het viel hem overigens op hoe slecht zijn gastheer was geïnformeerd over het wereldgebeuren.

Oedai is het tegendeel van een puritein. Er zijn al boeken volgeschreven over de uitspattingen van, er is geen ander woord, deze volstrekte gek. Om het te houden bij één voorbeeld: na een aanslag leefde er twijfel over de vraag of Oedai nog tot de liefdesdaad in staat was. Hij probeerde het zelf uit en toen dat uitliep op een fiasco vermoordde hij zijn bedpartner.

Bin Laden en Oedai (in samenwerking met zijn broer Koesai die de laatste jaren aan invloed en macht heeft gewonnen) zijn beide 'netwerkers'. Terwijl Bin Laden alle mogelijke extremistische islamitische groepen onder een noemer probeerde te brengen, hield Oedai zich bezig met het omzeilen van de economische boycot, waaraan de VN Irak onderwierp na de Iraakse bezetting van Koeweit in augustus 1990.

Oedai kent daardoor zowat alle letterlijke en figuurlijke sluip- en smokkelweggetjes op deze planeet. Hij weet als weinig anderen de weg in de oerwouden van zwart geld, wapenhandel en andere illegale transacties. Een van die 'weinig anderen' is Osama Bin Laden. Koppeling van de netwerken van dit tweetal en het Iraakse staatsapparaat biedt formidabele kansen.

Tegen Fisk zei Bin Laden dat hij kritiek had op de Iraakse politiek, maar meevoelde met het Iraakse volk. Bin Laden vertegenwoordigt de extreemste vorm van de stroming die wordt aangeduid met begrippen als 'politieke islam', 'fundamentalisme' of 'islamisme'. Hij wil invoering van de islamitische sjariah-wetgeving in alle sferen van het leven. Het Iraakse regime daarentegen is 'Arabisch nationalistisch'. Het verwerpt het idee van een 'theocratie' en heeft in het verleden talloze aanhangers van de 'politieke islam' vermoord.

Beide stromingen, de 'politieke islam' en het 'Arabische nationalisme', hebben elkaar tientallen jaren naar het leven gestaan, waarbij de nationalisten meestal wonnen, steunend op de sterke arm van militaire dictaturen. De tegenstelling speelt ook nu nog, Algerije en Egypte zijn er voorbeelden van. Vooral Algerije is het toneel van een onverzoenlijke strijd. Maar ook het Iraakse regime richtte in 1991, na de nederlaag in Koeweit, gruwelijke bloedbaden aan onder sji'itische moslims, wat moeilijk de goedkeuring van Bin Laden zal hebben kunnen wegdragen, evenals, recenter in 1998 en 1999, de moorden op ajatollahs in het zuiden van Irak. Toch begonnen juist vanaf 1991 de belangen van Bin Laden en Irak samen te vallen.

Bij Bin Laden sloegen de stoppen door toen zijn geboorteland Saoedi-Arabië, tevens het 'heilige land' van de islam, Amerikaanse en andere westerse legermachten toeliet op zijn grondgebied om Irak te verdrijven uit Koeweit. Bin Laden nam zich heilig voor om met name de Amerikanen weg te jagen uit de Arabische wereld, en vervolgens

uit de hele islamitische wereld, om te beginnen uit het gebied rondom de Perzische Golf. Dat nu is ook exact het grote doel van de Iraakse Saddam-clan.

Binnen die clan vertegenwoordigt Oedai de meest onbesuisde vleugel. Bij de buitenwereld staat vader Saddam bekend als een intelligent man, die de neiging heeft om soms een geweldige gok te wagen, die verkeerd uitpakt. Zoals de oorlog die hij in 1980 begon met Iran en de bezetting van Koeweit in 1990. Maar, terwijl anderen de tiran adviseren het kalmer aan te doen, vindt Oedai juist dat zijn vader verliest doordat hij halverwege pas op de plaats maakt. Zo vond Oedai dat het Iraakse leger in 1990 niet alleen Koeweit had moeten bezetten, maar ook de olievelden van Saoedi-Arabië.

Hoewel aanhangers van Bin Laden ervoor zijn veroordeeld zijn er aanwijzingen dat ook Irak te maken heeft gehad met een eerdere aanslag op het WTC, op 26 februari 1993, precies twee jaar na de Iraakse capitulatie in Koeweit. Vergeleken bij vorige week was het een halfslachtige poging, die de door Oedai zo verafschuwde 'voorzichtigheid' van vader Saddam uitstraalde. Voorzichtigheid en halfhartigheid waren bepaald geen kenmerken van de laatste zelfmoordoperaties.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden