De 'soft power' van Erasmus

In het Erasmusjaar staan denkers stil bij de

betekenis van deze grote Nederlander. Vandaag deel 3: Europa

Erasmus merkt in 'Vrede's weeklacht' (1517) op dat de futielste aanleidingen worden gebruikt om tweedracht te zaaien: "De Engelsen verachten de Fransen om geen andere reden dan omdat ze Fransen zijn. Men heeft een hekel aan de Schotten, omdat ze Schotten zijn. De Duitser ligt overhoop met de Fransman en alle twee bestrijden ze de Spanjaard. Wat kan er slechter zijn dan volken die elkaar bestrijden alleen omdat ze andere namen hebben? Er zijn zoveel zaken die hen tot elkaar zouden moeten brengen. Waarom zijn ze als mensen niet welwillend tegenover hun medemensen?"

Wie nadenkt over de zeggingskracht van Erasmus' kosmopolitisme en pacifisme voor het hedendaagse Europa, vraagt om moeilijkheden. Hoe overbrug je vijfhonderd jaar, wat kan zijn denken nu nog voor ons betekenen? Toch kan het, want de vragen die Erasmus stelde zijn van alle tijden, en wezen tegelijk ver vooruit. En misschien helpen vooral zijn tegenstrijdigheden ons verder, kunnen juist zijn bevangenheden onze blik verruimen.

In zijn bijtende woorden over Engelsen, Duitsers en Fransen herkennen we een kosmopolitisme dat de mensheid wil omarmen en nationale, religieuze of etnische verschillen van ondergeschikt belang acht. Maar bij nadere beschouwing is Erasmus' bekentenis tot het wereldburgerschap toch beperkter. De vrijzinnige denker moest namelijk nogal manoeuvreren om zijn onafhankelijkheid veilig te stellen; zijn kosmopolitisme had een ronduit diplomatieke kant, was ook een soort overlevingskunst.

Dat blijkt overduidelijk uit zijn brieven, waarin hij zich - zo concludeert Jan Papy, bezorger van een verzameling brieven van Erasmus - regelmatig bedient van gelegenheidsargumenten: "Erasmus had er geen moeite mee zich Duitser in Duitsland, Zwitser in Zwitserland of Engelsman in Engeland te noemen. Dat heeft misschien iets kosmopolitisch, maar boven alles wenste hij daarmee een plezier te doen aan het land waar hij verblijft en maakt hij van dergelijke benamingen vooral gebruik als dat in zijn voordeel speelt, aangewezen op de vrijgevigheid van het mecenaat ..."

Wezenlijker is dat zijn kosmopolitisme is beperkt tot de christelijke wereld. Zijn afkeer van het nationalisme is vooral ingegeven door de teleurstelling dat christenen met elkaar in conflict raken. Zo schrijft hij in de 'Adagia': "Een buur neemt de wapens op tegen een buur, een verwant tegen een verwant, een broer tegen een broer, een zoon tegen zijn vader en ten slotte, wat ik nog veel afschuwelijker vind, een christen bindt de strijd aan met een medemens of, wat ik er met tegenzin aan toevoeg omdat het volgens mij het afschuwelijkst van al is, een christen met een andere christen."

Het pleidooi van Erasmus om nationale grenzen te overwinnen en de bewoners van het oude continent te verenigen, raakt ook het hedendaagse Europa ten zeerste. Erasmus zocht de samenhang in het christelijke geloof, en sommigen in onze tijd hebben de grenzen gezocht in een joods-christelijke traditie. Ik geloof eerder in een seculiere waardengemeenschap als grondslag, maar zonder grenzen is een gemeenschap moeilijk voorstelbaar.

Achter de controverses over de toekomst van de Europese Unie gaan politiek-filosofische vragen schuil. Het pleidooi om werk te maken van de gemeenschappelijke grenzen raakt aan de vraag of burgers van lidstaten elkaar als medeburgers gaan zien. Want een grens beoogt van een bevolking uiteindelijk één volk te maken: We the people. Kan een grensoverschrijdende democratie ontstaan op ons door taal en traditie, door belangen en beginselen verdeelde continent?

Anders gezegd: hoe ruim kan de groep van mensen zijn met wie we ons verwant voelen en bij wie we ons duurzaam betrokken voelen? Hoe geven we de lotsverbondenheid vorm als een keuze, niet als iets wat ons wordt opgedrongen? Misschien zit in het woord 'lotsverbondenheid' wel het besef van vrijheid én noodzaak: we kunnen en willen ons niet duurzaam onttrekken aan het lot van anderen.

De Amsterdamse socioloog Abram de Swaan heeft het over 'identificatie in een uitdijende kring' - wat op z'n minst vooruitgang suggereert. Hij laat zien hoe de primaire vereenzelviging, op grond van bloedverwantschap en nabuurschap in een agrarische samenleving, in de afgelopen eeuwen is uitgegroeid tot een identificatie in de nationale staten. Zouden we in Europa de kring van mensen waarmee we ons vereenzelvigen verder kunnen uitbreiden?

Er valt iets te zeggen voor de gedachte dat juist in de crises van de afgelopen jaren een besef is ontstaan van een gedeelde ruimte: we kijken voor het eerst naar verkiezingen in Frankrijk of Griekenland met het gevoel dat de uitslag ons ook direct raakt. We beginnen te begrijpen dat het Griekse begrotingstekort ook ons tekort is, dat de Italiaanse grens ook onze grens is geworden. Deze betrokkenheid is fragiel en voorlopig, maar laat toch de mogelijkheid zien van een publieke sfeer die verder reikt dan de nationale tegenstellingen.

Een vooruitgangsideaal is het, dat de kring van medeburgers zal uitbreiden tot buiten onze landsgrenzen, in het besef dat die grenzen er nog steeds toe doen. In de kern gaat het erom dat we Duitsers, Zweden, Roemenen en Letten als medeburgers gaan ervaren. Daar zijn we nog ver van verwijderd, want dat vraagt bijvoorbeeld om een lingua franca. Maar ook zonder een gedeelde grens is zo'n idee van gedeeld burgerschap moeilijk voorstelbaar. Daarbij gaat het niet alleen om vrijheid, maar ook om veiligheid. Europa kan alleen een waardengemeenschap zijn als het een veiligheidsgemeenschap wil worden.

Keren we terug naar Erasmus en vooral naar zijn pacifisme, dat net zoals zijn kosmopolitisme complexer is dan het zich op het eerste oog laat aanzien. Er is zelden zo hartstochtelijk tegen de oorlog geschreven als door Erasmus. Hij put zich in talrijke geschriften en brieven uit om de machthebbers ervan te doordringen dat oorlog werkelijk het slechtste in de mens naar boven haalt en niets, maar dan ook niets met heldendom te maken heeft. Hij spreekt met walging over de in zijn ogen futiele aanleidingen om de wapens op te nemen en de verschrikkelijke gevolgen die dat heeft.

Hij vergelijkt de mens met het dier. "Dieren worden niet agressief om futiliteiten, alleen als honger hen uitzinnig maakt of als ze zich opgejaagd voelen of bezorgd voor hun kroost. Maar hemeltjelief, om wat voor pietluttige redenen ontketenen wij, mensen, oorlogen met tragische gevolgen: om eigendomsrechten die niets inhouden, in een vlaag van kinderachtige woede om een liefje dat ons is afgesnoept, om redenen die nog veel belachelijker zijn dan wat ik heb genoemd."

En zo gaat het maar verder, vele prachtige bladzijden lang. Maar ook in dit opzicht richt zijn appèl zich tot de christelijke vorsten en kerkleiders van zijn tijd. Hij schrijft aan Frans I, de koning van Frankrijk in december 1523: "Zo moge eindelijk de tijd komen dat het evangelische geloof bij ons stevig is ingeburgerd en zeer wijd is verbreid, niet door andermans gebied binnen te vallen en het te plunderen - zo worden mensen armer, niet beter - maar door de evangelische leer overal door mensen met een evangelische geest te laten prediken."

Hier lopen twee motieven door elkaar: aan de ene kant de wil tot bekering van allen die zich buiten de kring van het christendom bevinden, en aan de andere kant het idee dat juist door het goede voorbeeld te geven de vijanden van het christendom worden teruggedrongen: "Nu slagen we er maar amper in wat van ons is tegen hen te beschermen, laat staan dat we hen op verre afstand kunnen houden. Hoewel: ik zag liever dat we hen op het juiste pad konden brengen dan dat we ze op verre afstand hielden. Hoe kunnen we anderen op het juiste pad brengen als we (vergeeft U me de uitdrukking) zelf haast verdorvener zijn dan zij?"

Daarmee raakt Erasmus aan een van de grote kwesties van zijn tijd, de verhouding tot het Ottomaanse Rijk, of wat de Turkenkrijg heette. Ook hier staat een pacifisme voorop dat wil overtuigen door het goede voorbeeld te geven: "Wil je de Turken tot Christus brengen? Laat ons dan niet pronken met onze rijkdom, onze troepenmacht, onze sterkte. Ze moeten in ons niet alleen het etiket 'christen' zien, maar ook de onbetwiste sporen van de christenmens: een onberispelijke levenswijze, het verlangen om goed te doen, ook aan onze vijanden, een eindeloos verdragen van alle onrecht, afkeer van geld, afwijzing van roem, minachting voor het wereldse. Met zulke wapens worden de Turken het meest succesrijk onderworpen."

Erasmus ziet wel dat de brengers van de beschaving in zichzelf de kiem van barbarij meedragen: "We spuwen op de Turken en vinden dat we zo goede christenen zijn, al zijn we in de ogen van God wellicht verwerpelijker dan de Turken zelf." En tegelijkertijd zien we zijn halfhartige houding tegenover de oorlog, want in een brief uit maart 1530 merkt hij op: "Misschien denkt iemand op dit punt dat ik me heb opgeworpen als pleitbezorger tégen de oorlog met de Turken. Absoluut niet! Het is veeleer mijn streefdoel dat we met succes tegen hen strijden en echt mooie triomfen voor Christus behalen."

Ook deze tegenstrijdigheden zijn actueel: niet alleen is de 'Turkse kwestie' nog steeds aan de orde van de dag, maar meer in algemene zin ontsnappen we niet aan de vraag: hoe verhouden de ambitie om een waardengemeenschap te zijn en een veiligheidsgemeenschap te worden zich tot elkaar? Kan Europa in de wereld zijn positie handhaven alleen door het goede voorbeeld te geven (soft power) of moet het zich ook in machtspolitieke zin ontplooien (hard power) met als risico dat deze Unie zichzelf ontrouw wordt?

Wil Europa een veiligheidsgemeenschap worden, dan is allereerst een helder idee nodig over de buitengrenzen. Wat nu vaak wordt voorgesteld als een praktische onmogelijkheid, is vooral morele verlegenheid. Want waarom zou het bewaken van een gemeenschappelijke buitengrens niet gemakkelijker zijn dan vroeger, toen we met minder technische middelen de buitengrenzen en daarbij ook nog eens de binnengrenzen moesten bewaken, kortom: toen we een veel langere grens hadden?

Het morele misverstand rond grenzen weegt denk ik zwaarder dan de praktische mogelijkheden ervan, die zoals iedereen zal begrijpen aan beperkingen onderhevig zijn. Niemand wil een totalitaire staat die alle wetsovertreding met draconische middelen uitbant. Dus er zullen altijd mensen zijn die zonder toestemming de grens oversteken. Maar illegaliteit is geen argument om legaliteit af te schaffen. De kern is meer dat we onvoldoende onderscheid maken tussen afsluiten en reguleren. Een grens sluit niet het menselijk verkeer af, maar reguleert de stroom van mensen. Daarbij moeten we, zeker in de context van de vluchtelingencrisis, antwoord vinden op de vraag wie we wel en niet toegang geven tot ons grondgebied.

Je kunt het ook anders zeggen: het succes van Europa als vrijheidsgemeenschap waardoor de binnengrenzen overbodig zijn geworden, maakt de stap naar een veiligheidsgemeenschap nodig, die waakt over de buitengrenzen. Velen klampen zich vast aan de status quo: we beseffen dat we sinds de Tweede Wereldoorlog een gouden tijd hebben beleefd in de schaduw van de Amerikanen die onze veiligheid waarborgden. Maar er is geen reden om aan te nemen dat de wereld die voor ons ligt die koestering van afzijdigheid zal belonen.

Zo zien we dat er grote politiek-filosofische dilemma's schuilgaan achter alle keuzes die gemaakt moeten over de buitengrenzen. Kunnen we de kring van identificatie langzaam laten groeien voorbij de grenzen die Europa zo lang hebben verdeeld? Vervolgens stuiten we op de vraag: is de waardengemeenschap die Europa wil zijn te verzoenen met een veiligheidsgemeenschap? En ten slotte: baseren we het idee van Europa op een 'botsing van beschavingen', of houden we vast aan het seculiere uitgangspunt dat verder reikt dan een veronderstelde joods-christelijke erfenis?

De vragen die het kosmopolitisme en pacifisme van Erasmus opwerpen hebben dan ook nog steeds hun betekenis. Juist de beperkingen en tegenstrijdigheden van het ideaal dat hij uitdroeg, helpen ons verder. Zijn zoektocht is onze zoektocht. Zonder grenzen kan ook een open samenleving niet functioneren. Sterker nog: juist de liberale democratieën kunnen zich in een chaotische omgeving van autoritaire staten in verval niet zonder voorbehoud openen naar de buitenwereld.

Erasmus in glas en lood Voor de Goudse Sint Janskerk ontwierp beeldend kunstenaar Marc Mulders een glas-in-loodraam, geïnspireerd op Erasmus' gedachtengoed. Details ervan verluchtigen dit essay; het raam is nu nog te zien in de expositie 'Ik wijk voor niemand' in Museum Gouda.

Paul Scheffer (1954) is hoogleraar Europese Studies in Tilburg en Amsterdam.

Essay 1

Erasmus en vriendschap Herman Pleij

....... en .......

....... ....... en .......

....... en .......

....... en .......

....... en .......

Essay 5

Verdraagzaamheid

James Kennedy

Essay 6

Het Nieuwe Testament Edwin Rabbie

Essay 4

Moed Stine Jensen

Essay 7

De islam

Ahmed Aboutaleb

Essay 2

Vrijheid van meningsuiting Désanne van Brederode

Desiderius Erasmus publiceerde precies 500 jaar geleden zijn hoofdwerk, 'Novum Instrumentum'. Gouda, waar Erasmus opgroeide, maakt 2016 tot Erasmusjaar, met o.a. lezingen. Deze serie is uitverkocht. De lezingen zijn te bekijken op

www.human.nl/erasmus

Essay 3

Europa Paul Scheffer

Dit is een bewerking van de lezing van Paul Scheffers Erasmuslezing in Gouda, en van 'De vrijheid van de grens', diens Essay van de Maand van de Filosofie, dat volgende week verschijnt.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden