De sociale uitkeringen en de premies in 1995

Het wettelijk minimumloon en de minimumjeugdlonen blijven bruto in 1995 even hoog als in 1994. De nettobedragen stijgen wel, door wijzigingen in belastingen en premies. Afhankelijk van de tariefgroep en de leeftijd ligt de stijging tussen de ¿ 15,- en de ¿ 30,- per maand. De netto-bedragen zijn niet wettelijk bepaald. Ze kunnen door verschillende inhoudingen op het loon per bedrijf of per bedrijfstak uiteenlopen. De belasting- en premiemaatregelen zorgen er ook voor dat de van het wettelijk minimumloon afgeleide uitkeringen stijgen.

WETTELIJK MINIMUM(JEUGD)LOON

Voor een werknemer van 23 jaar of ouder is het bruto minimumloon bij een volledig dienstverband per 1 januari 1995:

per maand ¿ 2 163,20 per week ¿ 499,20 per dag ¿ 99,84

DE IOAW-, IOAZ- EN BIJSTANDSUITKERINGEN

De IOAW is bestemd voor oudere langdurig werklozen die 50 jaar of ouder waren op het moment dat zij werkloos werden en voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte werklozen, ongeacht hun leeftijd. De IOAW geldt, nadat de uitkeringsperiode voor de werkloosheidswet, inclusief de vervolguitkering, is verstreken.

Voor de IOAZ komen mensen van 55 jaar of ouder en gedeeltelijk arbeidsongeschikte ex-zelfstandigen (ongeacht hun leeftijd) in aanmerking die noodgedwongen met hun bedrijf of beroep moeten stoppen.

De bruto grondslag bedraagt voor:

vakantie- per maand uitkering per maand

Gehuwde en ongehuwde part- ners die beiden 21 jaar of ouder zijn ¿ 2 354,66 ¿ 188,38 Alleenstaanden van 21 jaar of ouder met één of meer kinderen¿ 2 142,77 ¿ 171,42 Alleenstaanden vanaf 23 jaar ¿ 1 780,97 ¿ 142,48 Alleenstaanden van 22 jaar ¿ 1 453,93 ¿ 116,31 Alleenstaanden van 21 jaar ¿ 1 231,57 ¿ 98,53

Voor mensen onder de 21 jaar gelden lagere bedragen. De uitkeringen zijn netto gelijk aan de bijstandsnormen. Op de grondslagen worden de bruto inkomsten uit of in verband met arbeid van de werkloze of zelfstandige en zijn of haar partner in mindering gebracht. In tegenstelling tot de bijstandswet wordt geen rekening gehouden met andere inkomsten en met vermogen. Alleen bij de IOAZ wordt van vermogens boven de ¿ 202 000,- een inkomen van 5 procent van dat meerdere verondersteld.

BIJSTAND (netto bedragen)

Voor echtparen met en zonder kinderen is het normbedrag per maand

¿ 1 803,16. Hieronder vallen ook twee ongehuwden die een gezamenlijke huishouding voeren; dus ook mensen van hetzelfde geslacht. Samenwonende familieleden in de eerste of tweede graad zijn hiervan uitgesloten. Het vakantiegeld bedraagt ¿ 99,21 per maand. Voor echtparen van wie één of beide partners jonger dan 21 jaar of schoolverlater van 21 tot 27 jaar zijn, gelden lagere bedragen.

Voor alleenstaande ouders is het normbedrag per maand ¿ 1622,84. Het vakantiegeld bedraagt ¿ 89,29 per maand. Voor alleenstaande ouders die jonger dan 21 jaar zijn of die schoolverlater van 21 tot 27 jaar zijn, gelden lagere bedragen. Bij gezinnen die met anderen een woning bewonen vindt een vaste aftrek plaats van ¿ 190,24 per maand.

Voor alleenstaanden

Jonger dan 21 jaar of schoolverlater van 21 tot 27 jaar is het normbedrag per maand

als ze thuiswonend zijn ¿ 473,81 als ze uitwonend zijn ¿ 881,76

21 jaar of ouder en geen schoolverlater van 21 tot 27 jaar is het normbedrag per maand

als het geen woningdelers zijn: bij 23 jaar of ouder ¿ 1 262,21 bij 22 jaar¿ 1 055,15 bij 21 jaar ¿ 924,76

als het woningdelers zijn: bij 23 jaar of ouder ¿ 1 071,97 bij 22 jaar ¿ 894,36 bij 21 jaar ¿ 881,76

Vakantiegeld

Voor alleenstaanden die ouder dan 21 jaar en geen schoolverlater van 21 tot 27 jaar zijn bedraagt het vakantiegeld per maand:

bij 23 jaar of ouder ¿ 69,45 bij 22 jaar ¿ 70,39 bij 21 jaar ¿ 60,24 indien jonger dan 21 jaar of schoolverlater van 21 tot 27 jaar ¿ 38,90

Het vakantiegeld wordt eens per jaar, in juni, uitbetaald.

WOONKOSTEN

Huurders met een huur tussen ¿ 335,42 en ¿ 963,75 per maand hebben meestal recht op huursubsidie. Bijstandsontvangers met een eigen huis waarvan de woonkosten tussen ¿ 335,42 en ¿ 963,75 per maand liggen, kunnen een toeslag krijgen die gelijk is aan de huursubsidie. Bij woonkosten boven ¿ 963,75 per maand kan hooguit tijdelijk een toeslag worden gegeven.

INWONENDE KINDEREN, ONDERVERHUUR EN KOSTGANGERS

Op de uitkering van ouders met inwonende kinderen met eigen inkomsten wordt - ongeacht het aantal kinderen - een bedrag van ¿ 190,24 per maand in mindering gebracht. Dit blijft achterwege als er uitsluitend kinderen zijn die studiefinanciering hebben, of (beneden 21 jaar) een inkomen dat ongeveer zo hoog is als de Rww-uitkering voor een alleenstaande die bij zijn ouders woont. Dezelfde aftrek geldt voor bijstandsgerechtigden met één onderhuurder. Voor mensen met één kostganger geldt een aftrek van ¿ 288,63 per maand. Heeft men meer dan één onderhuurder of kostganger, dan stelt de gemeente per geval vast hoeveel in mindering wordt gebracht.

EIGEN VERMOGEN

Niet al het spaargeld behoeft te worden aangesproken, voordat men voor bijstand in aanmerking komt. Het vrij te laten vermogen is ¿ 18 400,- voor gezinnen en ¿ 9 200,- voor alleenstaanden. Voor mensen jonger dan 65 jaar die een bijstandsuitkering ontvangen en een eigen huis bewonen, geldt een extra vrijlating. Bij hen wordt van het vermogen in het huis namelijk nog eens ¿ 15 000,- volledig vrijgelaten en van het meerdere de helft. De totale vermogensvrijlating is begrensd tot ¿ 78 200,- voor gezinnen en ¿ 69 000,- voor alleenstaanden.

AOW

De netto AOW-uitkering gaat extra omhoog door de invoering van een ouderenaftrek op 1 januari 1995. Daardoor stijgt het bedrag ten opzichte van 1 juli 1994.

Een echtpaar van wie beide partners 65 jaar of ouder zijn en dat alleen een AOW-uitkering heeft, krijgt er op 1 januari aanstaande netto ongeveer ¿ 50,- per maand bij. De totale netto uitkering voor het echtpaar komt daarmee op ¿ 1 834,32.

Iedere partner ontvangt 50 procent van dit bedrag, namelijk ¿ 917,16. Dit bedrag geldt voor een AOW-gerechtigde zonder aanvullend pensioen en met een ziekenfondsverzekering.

Het AOW-pensioen voor gehuwden is netto gelijk aan 50 procent van het netto minimumloon. Het netto pensioen van een ongehuwde is gelijk aan 70 procent van het netto minimumloon.

Eénoudergezinnen ontvangen een pensioen dat netto gelijk is aan 90 procent van het netto minimumloon. Het gaat om ongehuwde bejaarden met een kind dat jonger is dan 18 jaar voor wie zij kinderbijslag ontvangen.

Een gehuwde met een partner jonger dan 65 jaar ontvangt een pensioen van 50 procent van het minimumloon (de uitkering voor een gehuwde) en een toeslag van maximaal hetzelfde bedrag (bruto ¿ 993,91). De hoogte van die toeslag is afhankelijk van het inkomen van de jongere partner. Van dit inkomen wordt eerst een deel buiten beschouwing gelaten. Deze vrijlating bedraagt 15 procent van het bruto minimumloon met inbegrip van de overhevelingstoeslag (¿ 361,59) en eenderde deel van het meerdere aan bruto inkomsten. Wat daarna overblijft, wordt in mindering gebracht op de toeslag. Ingeval recht bestaat op een maximale toeslag van 30 procent van het minimumloon (bruto ¿ 558,27) bestaat bij een bruto inkomen (met inbegrip van de overhevelingstoeslag) van de jongere partner van meer dan ¿ 1198,99 per maand geen recht meer op toeslag. Wanneer de maximale toeslag 50 procent van het minimumloon (bruto ¿ 993,91) bedraagt dan bestaat bij een bruto inkomen (met inbegrip van de overhevelingstoeslag) van ¿ 1852,45 of meer geen recht meer op toeslag.

Netto AOW voor gehuwden (50 procent AOW-uitkering per maand):

1-7-1994 1-1-1995 verschil

per maand ¿ 892,19 ¿ 917,16 ¿ 24,97 vakantietoeslag ¿ 49,08 ¿ 49,61 ¿ 0,53 Totaal¿ 941,27 ¿ 966,77 ¿ 25,50

Voor een huishouden zijn de bedragen twee maal zo hoog.

Netto AOW voor alleenstaanden:

1-7-1994 1-1-1995 verschil

per maand ¿ 1 242,59 ¿ 1 273,29 ¿ 30,70 vakantietoeslag ¿ 68,71¿ 69,45 ¿ 0,74 Totaal¿ 1 311,30 ¿ 1 342,74 ¿ 31,44

AWW

Het pensioen voor een weduwe met een kind jonger dan 18 jaar, is netto gelijk aan het minimumloon. Voor een weduwe zonder kind jonger dan 18 jaar, is het pensioen of de uitkering netto gelijk aan 70 van het minimumloon. Weduwnaars kunnen onder dezelfde voorwaarden als weduwen aanspraak maken op een AWW-pensioen.

Bruto p.mnd Bruto vak. uitk.p.mnd

Weduwen met kind tot 18 jaar ¿ 2 403,68 ¿ 159,11 Weduwen zonder kind tot 18 jr ¿ 1 755,24 ¿ 111,38 Wezen tot 10 jaar ¿ 561,68 ¿ 35,64 Wezen van 10 tot 16 jaar ¿ 842,52 ¿ 53,46 Wezen van 16 tot 27 jaar ¿ 1 123,35 ¿ 71,28

KINDERBIJSLAG

De hoogte van de kinderbijslag blijft afhankelijk van de leeftijd van het kind. Wel worden de percentages voor de verschillende leeftijdscategorieën gewijzigd. Het basisbedrag per kind is in 1995 ¿ 406,65 per kwartaal (nu nog ¿ 399,20). Dit bedrag wordt jaarlijks verhoogd, tot ¿ 414,95 in 1998.

De indeling wordt als volgt (basisbedrag is 100 procent):

Nu: Voorstel:

0-6 jaar 70 procent 70 procent 6-12 jaar 100 procent 85 procent 12-18 jaar 130 procent 100 procent

De kinderbijslag die ouders op dit moment nog ontvangen, wordt niet verlaagd. Door de wijzigingen gaat niemand in guldens achteruit. Wel blijft een anders te verwachten koopkrachtverbetering als gevolg van het ouder worden van kinderen geheel of gedeeltelijk uit.

Er komt een overgangsregeling ten aanzien van de wijziging van de percentages voor de verschillende leeftijdcategorieën. Een voorbeeld: voor een kind, dat op 1 oktober 1994 zes jaar oud was, wordt over het laatste kwartaal van 1994 100 procent van het basiskinderbijslagbedrag betaald. Dit wordt na 1 januari 1995 niet verlaagd tot 85 procent. Totdat het kind 12 jaar is, wordt 100 procent betaald. Als het twaalf jaar is geworden, valt het onder de nieuwe regeling en wordt eveneens 100 procent betaald.

Bovenop de kinderbijslag werd tot nu toe ieder kwartaal een opslag gegeven ter compensatie van de nominale kinderpremies in de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Die opslag en de premies worden in één keer tegen elkaar weggestreept. De kinderbijslag wordt, los van de bijzondere verhoging voor het eerste kind, voor het gehele volgende jaar bevroren. In het regeerakkoord is overeengekomen om na 1995 de bedragen voor de helft te indexeren.

Vanaf 1 januari 1995 gelden in de kinderbijslag de volgende bedragen per kind per kwartaal.

I. Kinderen geboren vóór 2 oktober 1994:

Gezinnen met: 0 t/m 56 t/m 11 en 12 t/m 17 jaar 18 t/m 24 jaar jaar

1 kind ¿ 284,66 ¿ 406,65 ¿ 528,65 2 kinderen ¿ 331,88 ¿ 474,12 ¿ 616,36 3 kinderen ¿ 347,63 ¿ 496,61 ¿ 645,59 4 kinderen ¿ 379,25 ¿ 541,79 ¿ 704,33 5 kinderen ¿ 398,23 ¿ 568,90 ¿ 739,57 6 kinderen ¿ 410,88 ¿ 586,97 ¿ 763,06

N.b.: zodra een kind 6, 12 of 18 jaar wordt, is tabel II van toepassing

II. Voor kinderen die zijn geboren na 1 oktober 1994 en voor 1 januari 1995 en kinderen die na 1 oktober 1994 6, 12 of 18 jaar zijn geworden:

Gezinnen met: 0 t/m 56 t/m 11 en 12 t/m 17 jaar 18 t/m 24 jaar jaar

1 kind ¿ 284,66 ¿ 345,65 ¿ 406,65 2 kinderen ¿ 331,88 ¿ 403,-- ¿ 474,12 3 kinderen ¿ 347,63 ¿ 422,12 ¿ 496,61 4 kinderen ¿ 379,25 ¿ 460,52 ¿ 541,79 5 kinderen ¿ 398,23 ¿ 483,57 ¿ 568,90 6 kinderen ¿ 410,88 ¿ 498,92 ¿ 586,97

III. Voor kinderen geboren op of na 1 januari 1995 gelden de volgende bedragen:

0-6 jaar ¿ 284,66 6-12 jaar ¿ 345,65 12-18 jaar ¿ 406,65

Deze bedragen blijven gelijk, ongeacht de gezinsgrootte.

PREMIEPERCENTAGES 1-1-1995

werkg. werkn. totaal max.inkomen

AOW - 14,55 14,55 ¿ 44 349,- p.j. AWW - 1,80 1,80 idem AAW - 6,30 6,30 idem AWBZ- 8,85 8,85 idem WAO - 9,40 9,40¿ 286,- p.d. Wachtgeldverzekering 0,35 0,35 0,70 idem Werkloosheidsverz. 2,20 2,20 4,40 idem ZW 0,95 1,00 1,95 idem ZFW 7,25 1,10 8,35¿ 193,- p.d. Vorstverlet0,20 - 0,20 VUT 1,40 0,80 2,20

De overhevelingstoeslag die door werkgevers bovenop het brutoloon wordt betaald - ter compensatie van de AAW- en AWBZ-premie die voor rekening van de werknemer komt - bedraagt 11,75 procent van het loon waarover premie wordt geheven. De toeslag wordt berekend over maximaal ¿ 76 350,-.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden