“De Serviërs zijn bescheiden geworden, & rdquo; las ik in Die Zeit. Geworden? Wie Weet? Wat weet een vreemde daarvan?

In november 1995, kort voor het tot stand komen van de vrede op de Balkan, reisde de Oostenrijkse schrijver Peter Handke per auto en te voet door Servië. Vier en een half jaar lang volgde hij de berichtgeving, de beschouwingen en de filmbeelden over de oorlog en geloofde niet wat hij las en zag. Het eenstemmige koor waarin Serviërs tot booswichten en agressors werden gebrandmerkt en Bosniërs en Kroaten tot slachtoffers gestileerd, wekte Handke's wantrouwen en hij besloot voorbij de clichés, voorbij 'de voorgestanste kijkgaten op het land', op eigen waarneming te varen. Hij kritiseert onder meer de Frankfurter Allgemeine Zeitung, Der Spiegel en Le Monde, en de nieuwe Franse filosofen Alain Finkielkraut, André Glucksmann en Bernard-Henri Lévy. In zijn verslag van 85 getypte pagina's beschrijft Handke het dagelijks leven in Servië en brengt het poëtische in stelling ('stelling?') tegen de vastgeschreven taal en de verstarde beelden van de media. Dit literaire verslag gaat de strijd aan met de journalistiek, het is een strijd om de macht van het woord. Handke's Winterreis - bestaande uit 'Voor de reis', 'Naar de rivieren de Donau, de Sava en de Morawa', 'Naar de rivier de Drina' en 'Epiloog: Gerechtigheid voor Servië' - publiceren wij integraal: vandaag de eerste aflevering, volgende week zaterdag de tweede aflevering. Vertaling Hans Hom (c) 1996 Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main / Trouw, Amsterdam.

VOOR DE REIS

Allang, al bijna vier jaar nu, sinds het einde van de oorlog in Oost-Slavonië, sinds de verwoesting van Vukovar, sinds het uitbreken van de oorlog in Bosnië-Herzegowina, was ik van plan om naar Servië te gaan. Ik kende van dit land alleen Belgrado, waar ik bijna drie decennia geleden als auteur van een zwijgend toneelstuk uitgenodigd was op een theaterfestival. Van die misschien anderhalve dag heb ik alleen maar onthouden mijn jeugdige of anders auteur-matige misnoegen vanwege een onophoudelijke onrust, gezien de zich zonder woorden afspelende opvoering, onder het Servische publiek dat, zo dacht ik toen, als publiek van een zuidelijk land, een Balkanland, natuurlijk niet rijp kon zijn voor een zo langdurig zwijgen op het toneel. Van de grote stad Belgrado is me van destijds niet meer bijgebleven dan een veeleer zacht afhellen aan beide kanten naar de beneden in de vlakte samenvloeiende rivieren de Donau en de Sava - geen beeld daarentegen van de twee waterstromen, de horizonten versperd en afgegrendeld door de 'typisch communistische' flatblokken.

Pas nu, kortgeleden, tijdens mijn tweede verblijf in de Servische, destijds Joegoslavische hoofdstad, kwam me daar in een met linden - herfstbladerenstrooiend - beplante zijstraat, toen ik toevallig langs een 'Huis van de Schrijvers' liep, in gedachten dat ik eens zelfs binnen was geweest, onthaald en in mijn juveniele auteurs-air en passant op allervriendelijkste wijze bespot door de helemaal niet zoveel oudere, destijds in heel Europa beroemde, ook door mij tamelijk enthousiast gelezen schrijver Miodrag Bulatovic, 'De rode haan vliegt hemelwaarts'. (Hij is een paar jaar geleden gestorven, midden in de Joegoslavische oorlog, tot op het laatst, zoals mij in Belgrado werd verteld, spotlustig tegenover iedereen en tegelijkertijd altijd bereid te helpen; zijn er buiten zijn land necrologieën aan hem gewijd?)

Het was vooral vanwege de oorlog dat ik naar Servië wilde, naar het land van de algemeen zo genoemde 'agressors'. Maar het trok me ook om gewoon het land eens te zien dat van alle deelrepublieken van Joegoslavië het minst bekende voor mij was en daarbij intussen, misschien juist veroorzaakt door de berichten en meningen daarover, het land met de grootste aantrekkingskracht, het om zo te zeggen, de bevreemdende geruchten mede in aanmerking genomen, interessantste. Bijna alle beelden en berichten van de laatste vier jaar kwamen immers van de ene kant van de fronten of de grenzen, en als ze tussendoor ook een keer van de andere kant kwamen, dan deden ze zich aan me voor, naarmate de tijd verstreek meer en meer, als louter spiegelingen van de gebruikelijke en bekende blikinstellingen - als verspiegelingen in onze gezichtscellen zelf, en in ieder geval niet als ooggetuigenis.

Ik had de drang om achter de spiegel te kijken; ik had de drang een reis te maken door het met elk artikel, elk commentaar, elke analyse onbekender en onderzoekens- of ook alleen maar bezienswaardiger wordende land Servië. En wie nu denkt: 'Aha, pro-Servisch!' of 'Aha, Joegofiel! - dit laatste een Spiegel-woord (woord?), die hoeft hier al helemaal niet meer verder te lezen.

Er was de afgelopen jaren al wel een paar keer een uitnodiging geweest om naar het ingekrompen Joegoslavië te komen, naar Servië of naar Crna Gora in Montenegro. Maar ik wilde vermijden om daar te zijn als een officieel persoon, al was dat dan ook maar half-officieel. Wat me voor ogen stond was om mij daar als zomaar een passant, niet eens als buitenlander of reiziger herkenbaar, te bewegen, en dat niet alleen in de metropolen Belgrado of Titograd (intussen Podgorica) maar, vooral, in de kleine steden en dorpen en indien mogelijk bij tijden ook ver van elke menselijke nederzetting. Maar het sprak vanzelf dat ik tegelijkertijd zoiets als een met het gebied bekende loods, metgezel en eventueel tolk nodig had; want met mijn gebrekkige Sloveens en de paar in het geheugen achtergebleven restjes Servo-Kroatisch van een zomer op het eiland Krk voor de Adriatische kust, veel langer dan dertig jaar geleden, kon ik, wilde het meer dan een gewone reis worden, niet volstaan. (Geen probleem daarentegen het vreemde cyrillische schrift: dat ik dat, vaak met horten en stoten, eerst moest ontcijferen, leek voor wat ik van plan was juist goed.)

Het trof dat ik al lange tijd twee vrienden uit Servië had, die allebei op tamelijk jonge leeftijd uit hun land weggegaan zijn, maar er met min of meer grote tussenpozen naar terugkeren, ook nu tijdens de oorlog: opzoeken van ouders, of van de weduwe geworden moeder, en/of van het ene of het andere echtelijke of buitenechtelijke kind benevens een vroegtijdig verlaten Servische geliefde.

De ene is Zarko Radakovic, vertaler van een paar van mijn dingen in het Servisch, en ses heures, zoals het zo verhelderend in het Frans heet, 'op zijn uren', zelf schrijver; voor zijn brood echter, na zijn studie in Belgrado en vervolgens lange tijd in Tübingen, werkzaam als vertaler en voorlezer van Duitstalige kranteartikelen bij de op de Balkan gerichte zender van de 'Deutsche Welle': zelfs daar, in een niet zelden voorkomende tweespalt tussen Serviër-zijn en tegen Servië moeten spreken (zie bijvoorbeeld de niet één keer ook maar in de verte 'pro-Servische' tendensstukken uit de Frankfurter Allgemeine Zeitung), een getrouwe vertaler-lezer, zij het soms met een haperende stem.

Het is mogelijk dat een dergelijk bestaan heeft bijgedragen aan het stilzwijgen dat sedert het begin van de oorlog over mijn vriend gekomen is, niet alleen ten overstaan van de wereld van de vijanden, maar zelfs voor die van zijn vrienden, en zo ook voor mij. Wel bleef hij nog het een en ander vertalen, en dat kwam, ondanks de oorlog, in Belgrado, Nis of Novi Sad als boek uit: maar van hem zelf hoorde ik daar niets meer over - Zarko R. leefde, vertaalde en schreef als in een zelfgekozen verduistering.

Om hem daar nu in op te sporen moest ik mij tot de laatste vertrouwde wenden die hem nog overgebleven was, een Mormoon, ver weg in de Amerikaanse staat Utah. En zoals het voor zo'n Mormoonse omweg past, kwamen de Serviër en ik, de Oostenrijker, als het ware in een handomdraai weer samen: telefoontje uit Keulen - ja, begin november treffen we elkaar in Belgrado, 'ik ben daar toch juist om mijn moeder op te zoeken' - en voor de week daarop het project van een gezamenlijke tocht naar de grens met Bosnië, waar hij, eveneens 'toch al', in een kleine stad aan de grensrivier de Drina met zijn aldaar wonende vroegere vriendin en hun beider, inmiddels weldra achttienjarige dochter had afgesproken.

De andere Servische vriend door wie ik me nader tot zijn land en zijn mensen wilde laten brengen, kende ik van de bijna tien jaren van mijn leven in Salzburg. Zlatko B. was stamgast in een café aan de staduitwaarts voerende Schallmooser Hauptstrasse, waar ook ik geregeld kwam, al die jaren lang, ook vanwege de ouderwetse, altijd hard staande jukebox en de nooit vervangen Creedence-Clearwater-Revival-songs, Have You Ever Seen The Rain?, Looking Out The Back Door, Lodi.

Zlatko speelde daar aanvankelijk kaart, steeds om grote bedragen. Hij had Servië, na een jeugd op de boerderij in het oosten van het land, een leertijd in de kantoormachines in Belgrado en de zeer lange diensttijd op verschillende plekken in Joegoslavië, voor Oostenrijk verlaten om, zoals hij beweerde, rijk te worden. Dat was hem als arbeider in een Salzburgse voorstadwasserij niet gelukt. En zo probeerde hij het, tussendoor duvelstoejager en loopjongen bij een reisbureau, in Mirjam's Pub als beroepsgokker, maar had, in zijn eentje, tegen de Europese gokbendes die elkaar ter plekke afwisselden, op den duur geen kans.

(Bijgebleven is me van hem uit die tijd vooral zijn niet bepaald zelden te ziene blik naar de onzichtbare hemel telkens na een verloren spel.) VERVOLG OP PAGINA 18

VERVOLG VAN PAGINA 17 Daarna werd hij om zo te zeggen bij voortduring eerlijk, klusjesman, altijd prompt, competent, luchtig, en bij gelegenheid, bijna alleen op bestelling, ook schilder van eigenaardige genre-taferelen, ver afstaand van de kleurigheid en de niet uitsluitend zelfgestuurde fantasie van de eens drukverhandelde Servische naïeven - herinnerend bijvoorbeeld aan de Sloveense bijenkastschilderingen uit de 19e eeuw (te bekijken in het vriendelijke museum van Radovljica bij het Meer van Bled) of de uithangborden voor herbergen van de Georgische maker van muurschilderingen Pirosmani. En net als Zarko R. had ook Zlatko B. zich sinds het uitbreken van de oorlog in Joegoslavië teruggetrokken, van de stad Salzburg naar het platteland, en had dan zelfs officieel zijn Servische naam laten vallen ten gunste van een Duits klinkende - in werkelijkheid een getrouwe klankovereenkomst vertonend met de door hem hogelijk vereerde Hollandse genreschilder uit de 17e eeuw Adriaan Brouwer.

En ook Zlatko B, alias Adriaan Br. was onmiddellijk te vinden voor mijn voorstel van een gezamenlijke reis door zijn Servië. Wij zouden zijn wijnboeren-ouders in het dorp Porodin, nabij de door midden-Servië stromende rivier de Morawa, bezoeken - alleen zou dat liefst voor hartje november moeten gebeuren zodat we nog iets mee konden nemen van de mooie herfst en de druiven in de wijnbergen. Hij twijfelde er alleen aan of hij met zijn eigen auto zou gaan, omdat die, had hij gehoord, in zijn Servische geboorteland meteen werd gestolen.

Eind oktober 1995 begaven wij ons zo van onze drie verschillende richtingen op weg naar Belgrado: de een vanuit het Salzburger Land, dwars door Oostenrijk en Hongarije (uiteindelijk toch met de auto), de ander vanuit Keulen, met een Lufthansa-toestel, de derde vanuit zijn Parijse voorstad, na een tocht per auto door Lotharingen en Zwitserland, met de Swissair vanuit Zürich, aan de zijde van S. Zo werd het een van de weinige reizen van mijn leven die ik niet in mijn eentje ondernam; en de eerste waarbij ik bijna constant in gezelschap bleef.

Ik had me overigens niet speciaal voor Servië geprepareerd. Bijna hadden S. en ik zelfs verzuimd ons van een visum te voorzien, zozeer zat het grote Joegoslavië van 1970 tot 1990 me nog in mijn hoofd, overal vrij toegankelijk en zonder oorlog. En nu diende ik zelfs, bij de bevoegde instantie te Parijs, die geen 'ambassade' meer was maar nog slechts een noodpost, een reden voor de reis op te geven - 'toerist', wat toch strookte met de waarheid, werd niet geloofwaardig geacht (was ik de eerste sinds het uitbreken van de oorlog?), en tevens ontoereikend. Gelukkig werd er op het laatst een wat ruimdenkender vertegenwoordigster van Servië gevonden, in een achterkamer, die ik geen nadere verklaring hoefde te geven; en deze verzekerde ons bovendien dat wij, waar we ons in haar land ook zouden bevinden, geen moment bang hoefden te zijn voor de autoriteiten. (Maar wat was haar land? Ze kwam uit Krajina, intussen als voor altijd aan de staat Kroatië toegevallen.)

Op de vooravond van ons vertrek zag ik in een bioscoop in Versailles nog Emir Kusturica's film Underground. De vorige films van de Bosniër uit Sarajevo, bijvoorbeeld Die Zeit der Zigeuner en Arizona Dreams, had ik aan de ene kant bewonderd om hun meer dan alleen maar vrij zwevende, hun vrij vliegende fantasie, met beelden en sequenties zo dicht verweven en gelijkmatig, dat ze vaak overgingen in oriëntaalse ornamenten, en anderzijds had ik aan deze beeldvluchten toch absoluut zoiets gemist als een aarde- of land- of in het algemeen wereldverbondenheid, zodat de hele fantastiek telkens uiteenbarstte in ogenverstoppende fantasterijen; en altijd al heb ik liever dan te moeten bewonderen de voorkeur gegeven aan te worden ontroerd, of bijna-ontroerd, wat in mij het sterkste nawerkt, aanhoudt, duurt.

Met Underground echter werd ik voor het eerst door een film van Kusturica (bijna)ontroerd. Eindelijk was de vertelvirtuositeit een vertelkracht geworden, doordat een talent om te dromen, een geweldig talent, een verbinding was aangegaan met een concrete wereld en geschiedenis - het voormalige Joegoslavië, dat het vaderland van de jonge Kusturica was geweest. En was het niet een kracht - een Shakespeareaanse, telkens weer doorkruist door die van de Marx Brothers -, wanneer in een grote scène, tegen het einde, in het diepst van de burgeroorlog, een van de filmhelden, op zijn jarenlange en vertwijfelde zoektocht naar zijn eens in de Belgradose Donau verdwenen zoon, door de rook van het slagveld rennend aan één stuk door het schreeuwen om zijn vermiste kind afwisselt met het gebrulde bevel: 'Vuur!'?

Hoe idioot of kwaadwillig kwam veel van wat er tegen Underground geschreven was me daarna voor. Na de vertoning in Cannes beschuldigde Alain Finkielkraut, een van de nieuwere Franse filosofen, sinds het uitbreken van de oorlog een onbegrijpelijke bazelaar voor staats-Kroatië, Kusturica's film - zonder hem te hebben gezien - in Le Monde van terrorisme, pro-Servische propaganda enz.

En een paar dagen geleden keerde André Glucksmann, een andere nieuwe filosoof, in Libération op groteske wijze de zaak om door Kusturica met zijn film - die hij had gezien! - te feliciteren, als een afrekening met het terroristische Servische communisme dat, anders dan de Duitsers, zo duidelijk helemaal niets geleerd had van zijn historische wandaden - wie zoiets in Underground ziet, wat heeft die gezien? Wat ziet zo iemand helemaal trouwens?

En een criticus in Die Zeit, anders goed voor menig lichtpuntje, vond bij Kusturica woede, ressentiment, zelfs 'wraakzucht'.

Maar nee: Underground komt voort, is gemaakt, bestaat en werkt - ik heb het gezien - alleen uit verdriet en pijn en een sterke liefde; en zelfs zijn grofheden en luidruchtigheden vormen er een deel van - hetgeen alles bij elkaar in laatste instantie het scherpziende, soms zelfs bijna helderziende van deze andere Joegoslavische geschiedenis oplevert, of het ongekunsteld sprookjesachtige, zie het feestelijke einde op het van het continent wegdrijvende eiland, waar de sukkel van de film, opeens helemaal niet meer zo gestoord, laat staan imbeciel, helder en op de zachtaardigst denkbare wijze autoritair, zoals inderdaad alleen maar een sprookjesverteller, zich tot de toeschouwers wendt met zijn 'Er was eens een land...' (Mij duurde zijn sprookje daar in de bioscoop helaas te kort.)

Het allerkwalijkste wat er tot nu toe tegen Kusturica's film viel te lezen, stond alweer in Le Monde, eens een van mijn favoriete kranten, die onder hetzelfde serieus-gedistingeerde uiterlijk van vroeger - nauwelijks ooit een foto, dichtgedrukte, quasi-officiële kolommen - sinds enige jaren, naast het verder vaak over-gewetensvol blijvende hoofddeel een verdekt demagogisch snuffelblad is geworden, en dat niet alleen maar wat bijvoorbeeld de berichtgeving over de ziekte van de toenmalige president Mitterrand aangaat - een berichtgeving die onder het mom van informatie een jaar geleden met pagina's tegelijk werd uitgebreid met misschien wel eigentijdse, maar zeker niet bij Mitterrands tijd passende stervensgeilheid. De krant beschrijft haar sujets niet meer, laat staan, wat nog beter en ook edeler zou zijn, dat ze ze oproept, maar ze betast ze - maakt ze tot objecten. Typisch voor de nieuwe oriëntatie is de werkwijze dat, eens ondenkbaar in Le Monde, personen al meteen in het begin door hun uiterlijk gekarakteriseerd worden, zoals onlangs een Amerikaanse kunstfotografe als 'betoverende forsgebouwde veertigster' (of iets in die geest) - alsof de schijnbare terughoudendheid met beelden die de krant betrachtte inmiddels een totaal ander soort van beelden - woordbeelden - voortbrengt, en beslist niet zulke die serieus te nemen zijn.

Wat Underground betreft, aangezien de redactie van Le Monde - zie Finkielkrauts infame stuk - overeengekomen was dat met Emir Kusturica en zijn pro-Servische of Joegofiele neigingen korte metten gemaakt moest worden, verscheen nu - naast de in sleetse taal geschreven en als van afstand bestuurde recensie van de hoofd-filmcriticus (een anders bij gelegenheid intelligent en met fijn gevoel trancherende scribent, die de film zijn barokke, dat wil zeggen slechts met zichzelf spelende vormen verweet) - in hetzelfde kunstkatern nog een artikel van de hand van een vrouw, die mij als krantelezer tot dusver alleen als Le Monde's oorlogscorrespondente in Joegoslavië bekend was, en wel als een niet alleen partijdige (waarom, in dit geval, ook niet?), maar daarenboven nog een onverwoestbare en welhaast benijdenswaardig zelfbewuste haat spuiende correspondente, een haat tegen alles wat Servisch was. En dat verslag na verslag.

In het genoemde artikel nu wilde zij aantonen dat de film van Kusturica, aangezien op Servische grond (en wateren) opgenomen, stellig toch met steun van aldaar gevestigde ondernemingen tot stand was gekomen en daarom het door de Verenigde Naties tegen Servië en Montenegro afgekondigde handelsverbod of embargo schond. In een pijnlijk accurate, als het ware hoogst rechterlijke, maar daarbij volkomen schijnzakelijke grondigheid somde zij vervolgens, misschien een kwart kolom lang, alle ook maar enigszins tegen de film Underground in het geweer te brengen VN-resoluties op, paragraafcijfer na paragraafcijfer, nevenbepaling na nevennevenbepaling, allemaal pietepeuterig precies in een schuldonderbouwingslitanie onder elkaar gezet, opgeteld, samengevoegd, zoals anders inderdaad alleen maar in een onaanvechtbare, definitieve, onherroepelijke motivering van een vonnis - en op die manier suggererend dat Kusturica's film alleen al als produkt of handelswaar iets totaal onrechtmatigs was, zijn niet-Servische (Franse en Duitse) 'medemakers' wetsovertreders waren, en dat de film, in ieder geval in de staten die zich hadden verplicht zich aan het embargo te houden, van het bioscoopscherm geweerd, uit de circulatie genomen diende te worden (ik vertaal de suggestie van de oorlogsartikelenschrijfster hier nogal vriendelijk), Underground had geen recht van bestaan, en de producenten en de regisseur Emir Kusturica waren oorlogswinstmakers, op zijn minst.

(De gerechtigheid gebiedt te zeggen dat intussen, zo'n maand na het verschijnen van dit artikel, de krant een brief van een lezer publiceerde, waarin Le Monde beleefd werd verzocht eindelijk met dit 'slechte proces' op te houden - alleen stond in het daaropvolgende nummer, geschreven door een andere frontvrouw, alweer zo'n stuk, ditmaal over de situatie van de voetbalclub 'Rode Ster Belgrado', in feite, tenminste voor degene die woord voor woord las, een gesloten denunciatie-keten, met de hamer aan het eind: de vereniging, lange tijd - zo wil in elk geval de internationale pers - gelieerd aan de 'beruchte bandiet en oorlogskiller Arkan', had zich dan toch niet van deze Arkan losgemaakt, zoals door de clubleiding werd beweerd - hoe zou in het Rode Ster-souvenirlokaal anders naast de tenues, asbakken en dergelijke nog steeds een videocassette van het 'sulfureuze' huwelijk van de oorlogsmisdadiger met de 'chauvinistische Servische rockzangeres Ceca' aanwezig kunnen zijn?

Ik heb me zo lang bij deze (misschien) zijtonelen en corrupte taalspelen moeten ophouden, die niet zozeer een Philip Marlowe waardig zijn als wel de zedenpolitie, omdat de hier geciteerde manier van spreken, een bijna puur door een van tevoren gespannen snuffellijn gedicteerde manier van spreken, mij kenmerkend voorkomt voor een dominerende stroming in wat er over de oorlog in Joegoslavië wordt gepubliceerd, vanaf het allereerste begin. - Wat, wil je de Servische wandaden, in Bosnië, in Krajina, in Slavonië soms van hun werkelijkheid helpen ontdoen door een mediakritiek die aan de eerste realiteit voorbijgaat? - Kalmte. Geduld. Gerechtigheid. Het probleem - alleen het mijne? - ligt ingewikkelder, is verwikkeld met verscheidene realiteitsgradaties; en ik beoog met de klaarheid die ik er in wil brengen iets geheel en al werkelijks, waarin al die door elkaar heen wervelende realiteitswijzen misschien zoiets als een samenhang laten vermoeden.

Want wat weet men, wanneer een deelname bijna altijd alleen maar een televisie-deelname is, vanuit de verte? Wat weet men, wanneer men van louter vernetting en on line alleen maar kennis bezit heeft, zonder dat daadwerkelijke weten dat alleen door leren, kijken en leren kan ontstaan? Wat weet iemand, die in plaats van de zaak zelf alleen het beeld ervan onder ogen krijgt of, als bij het televisienieuws, een afkorting van een beeld of, als in de net-wereld, een afkorting van een afkorting?

Twee dingen, waarvan ik, erger dan van gekmakende raadselspelletjes, niet loskom, en dat nu al vierenhalf jaar lang, sinds juni 1991, het begin van de zogenaamde Tiendaagse Oorlog in Slovenië, de startschoten voor het uit elkaar knallen van Joegoslavië - twee dingen: een getal en een beeld, een foto. Het getal: ongeveer zeventig mensen zijn er bij die initiële oorlog om het leven gekomen, om zo te zeggen weinig in vergelijking met de vele tienduizenden in de daaropvolgende oorlogen. Maar hoe kwam het dat bijna alle zeventig slachtoffers behoorden tot het Joegoslavische volksleger, dat reeds toen als de grote agressor gold en, in elke zin ver in de meerderheid, met het handjevol Sloveense onafhankelijkheidsstrijders een heel gemakkelijk spel (spel?) gehad zou hebben? (De getalsverhouding is bekend, overigens zonder ooit tot het wereldbewustzijn te zijn doorgedrongen, merkwaardig genoeg.) Wie heeft daar op wie geknald? En was er misschien zelfs niet sprake van een uitdrukkelijk bevel in het leger om in geen geval terug te schieten, omdat men zich ondanks alles nog altijd onder Zuidslavische broeders waande en zich, op zijn minst aan de ene zijde, aan een dergelijk geloof of aan een dergelijke waan wilde houden?

En de foto zag ik in Time Magazine: een veeleer schamel groepje Slovenen in lichtelijk wonderlijke gevechtskleding, de nieuw gecreëerde republiek middels spandoek en vlag presenterend. En er bevonden zich, naar ik mij herinner, nauwelijks echt jonge mensen onder, of in elk geval had die schare of troep niets jeugdigs - van de vrijheidsstrijders zie ik vooral dikbuikige midden-dertigers voor me, opgesteld als aan het slot van een ouwe-jongens-uitstapje, de vlaggen als decor van een openluchttheater, en tot aan de dag van vandaag wil mijn eerste gedachte bij dat beeld me niet uit mijn hoofd dat het van die halfjofele vrijetijdstypes en geen vrijheidsstrijders waren, die de bijna zeventig zich met hun superieure wapens geen raad wetende jonge soldaten zonder meer hebben afgeschoten. Natuurlijk is dat misschien onzin - maar onzin die laat zien hoe zulke door de media verspreide reportages en beelden zich bij een ontvanger om- of vervormen.

Eender verging het me met de daaropvolgende oorlogsverslagen, vaker en vaker. Waar stak de parasiet, die de realiteiten verschoof of ze als louter coulissen heen en weer schoof: in de nieuwsberichten zelf of in het bewustzijn van de geadresseerde?

Hoe kwam het bijvoorbeeld dat ik het het eerste moment volledig kon navoelen dat eind november 1991, bij de melding dat de stad Vukovar gevallen was, nog op de avond van dezelfde dag het bord van het Parijse metrostation Stalingrad door een even verontwaardigde als aangedane passantenhand was herschreven tot Vukovar - hoe kwam het dat ik dat zag als een even actuele als bijbelse handeling, of als kunst- en politieke daad in ideale vereniging - en dat toch al de volgende morgen, zoals soms bij een voor het moment weliswaar pakkende, maar al meteen na het woord EINDE niet meer zo, en later bij het erover denken steeds minder plausibele film (in de regel uit Hollywood), mijn twijfels zich aandienden hoe 'Stalingrad' en 'Vukovar' dan met elkaar te rijmen waren.

Hoe bijvoorbeeld zou ik daar ooit de uitspraak van een haat-hoofdartikel van de Frankfurter Allgemeine Zeitung naar aanleiding van de huidige gebeurtenissen in Oost-Slavonië buiten kunnen houden, volgens welke de in Kroatië (dus ook in Vukovar) woonachtige Serviërs, tot dan toe Joegoslavische burgers, gelijkwaardig met hun Kroatische landgenoten, in de grondwet voor de over hun hoofden heen besloten nieuwe staat Kroatië opeens als een volksgroep van de tweede rang waren gedacht - volgens welke dus deze ongevraagd bij een Kroatische staat, en niet enkel meer een Kroatisch bestuur, in te lijven ongeveer zeshonderdduizend Servische personen zich naar behoren, beleefd, gehoorzaam, luidens het decreet van de Duitse journalist, 'als minderheid voelen (zo!) moeten'!?

'Goed, tot uw orders, vanaf heden gaan wij ermee akkoord ons in ons eigen land als een minderheid te voelen en gaan er dientengevolge ook mee akkoord door jullie Kroatische grondwet als zodanig geclassificeerd te worden': dat zou dus de uitweg geweest zijn voor de oorlog in Krajina en om de stad Vukovar?

Wie was de eerste agressor? Wat wilde het zeggen een staat uit te roepen, een staat bovendien die het ene van zijn volken in rang liet stijgen en het andere in rang liet dalen, op een grondgebied waar toch sinds mensenheugenis een onafzienbaar aantal mensen woonde voor wie een dergelijke staat hoogstens zo welkom zou zijn als een vuist op een oog, dat wil zeggen een gruwel moest zijn, in herinnering aan de niet te vergeten vervolgingen door het Hitler-Kroatische Ustah-regime? Wie was dus de agressor?

Was degene die een oorlog provoceerde dezelfde als degene die hem begon? En wat wilde 'beginnen' zeggen? Kon zo'n provoceren ook al een beginnen zijn? ('Jij begon!' - 'Nee, jij begon!') En hoe zou ik, als Serviër nu in Kroatië, mij ten opzichte van zo'n tegen mij en mijn volk uitgeroepen staat gedragen?

Zou ik, hoewel me misschien toch ten diepste met de woonstreek verbonden voelend, ook door de eeuwen van voorvaderen, weggetrokken zijn, bijvoorbeeld ook 'terug naar huis' over de Donau naar Servië? Misschien. Zou ik, ook al was ik nu opeens tweederangsburger geworden, en gedwongen Kroatisch staatsburger geworden, in het land gebleven zijn, weliswaar met tegenzin, treurig, met galgehumor, maar omwille van de lieve vrede? Misschien. Of zou ik me, had dat in mijn macht gelegen, te weer hebben gesteld, natuurlijk alleen maar met vele anderen zoals ik, en desnoods zelfs met hulp van een uiteenvallend, stuurloos Joegoslavisch leger? Waarschijnlijk, of - zou ik als zo een Serviër nog draaglijk jong zijn en geen gezin hebben - zo goed als zeker.

En kwam het niet op die manier, zoals bekend met het binnentrekken van de eerste Kroatische staatsmilities in de Servische dorpen om Vukovar, tot de oorlog, over welke oorlog zelf iemand als ik niets heeft te zeggen; want nog steeds geldt nu eenmaal dat verschrikkelijke 'oorlog is oorlog', en het nog verschrikkelijker: broederoorlog is broederoorlog. En wie dat nu in plaats van als wurgend gevoel als onverschilligheid opvat, ook die hoeft hier niet verder te lezen. (Stemt de veelvuldig in Duitse kranten aan de kaak gestelde, als ostentatieve 'harteloosheid' van de Servisch-joodse auteur Aleksandar Tisma met juist zijn 'oorlog is oorlog' niet meer, veel meer tot nadenken dan alle verontwaardigdheidsgelispel, chanterend als het is, ver verwijderd van welke oerschreeuw ook?)

Later, toen dan vanaf voorjaar 1992 de eerste beelden, al spoedig beeldseries of seriebeelden, uit de Bosnische oorlog te zien waren, was er een deel van mijzelf (telkens ook weer voor 'mijn hele persoon' staand) dat de gewapende Bosnische Serviërs, in legerverband dan wel individueel moordend, in het bijzonder die op de heuvels en bergen rond Sarajevo, als 'vijanden van het menselijke geslacht' gevoelde, met een variatie op een term van Hans Magnus Enzensberger met betrekking tot de Iraakse dictator Saddam Hoessein; en ik had in het verdere verloop, bij de reportages en foto's uit de Servisch-Bosnische interneringskampen, tot op zekere hoogte de uitspraak van een, toch Servische, patriot, de poëet en toenmalige oppositieleider Vuk ('Wolf') Draskovic kunnen onderschrijven, volgens wie dan, door de slachting in Bosnië-Hercegowina, ook het Servische volk, tot dan toe in de geschiedenis nauwelijks ooit daders, of eerste daders, een met zware schuld beladen, een soort Kaïnsvolk, geworden was. En niet maar één keer, niet alleen maar voor het ogenblik, bij het zien van weer een in een van de lijkenhallen van Sarajevo als in het lege universum alleengelaten gedood kind - foto's overigens waarvoor de Spaanse kranten als bijvoorbeeld El País de wereldkampioenen vergroten en afdrukken zijn, te oordelen naar de zelfverzekerdheid misschien in de traditie van Francisco Goya? -, vroeg ik mezelf daarbij af waarom dan eindelijk niet eens iemand van ons hier, of beter nog iemand van daar, iemand van het Servische volk zelf, de persoon die voor zoiets verantwoordelijk was, dat wil zeggen de Bosnisch-Servische leider Radovan Karadzic, voor de oorlog naar verluidt maker van kinderrijmpjes!, naar de andere wereld hielp, een andere Stauffenberg of Georg Elsner!?

En desondanks, haast tegelijkertijd met zulke machteloze geweldsimpulsen van een kijk-betrokkene uit de verte, wilde een ander deel in mij (dat echter nooit voor mijn hele persoon stond) deze oorlog en deze oorlogsberichtgeving niet vertrouwen. Wilde niet? Nee, kon niet. Al te snel namelijk waren ook in deze oorlog de rollen van de aanvallers en de aangevallenen, van de zuivere slachtoffers en de pure schurken voor de zogeheten wereldopinie vastgelegd en vastgeschreven. VERVOLG OP PAGINA 19

VERVOLG VAN PAGINA 18 Hoe, was meteen mijn eerste gedachte geweest, moest dat nu ooit weer goed aflopen, weer zo'n eigenmachtige taatsuitroeping door één volk - als de Servo-Kroatisch sprekende en van Servische stam zijnde moslims van Bosnië dan nu een volk moeten zijn - op een grondgebied waarop nog twee andere volken hun recht, en het gelijke recht!, hadden, en de gezamenlijke drie volken bovendien kriskras, niet alleen in de voor mijn part multiculturele hoofdstad, maar van dorp tot dorp, en in de dorpen zelf van huis tot hutje, naast en door elkaar leefden? En wat had ik, nogmaals, gedaan, als Serviër daar in Bosnië, bij de, zacht uitgedrukt, met ellebogenwerk tot stand gekomen stichting van een, zacht uitgedrukt, mij niet passende staat op mijn, ons, grondgebied? Wie nu was de aanvaller? (Zie boven.)

En verging het daarna in het verloop van de gebeurtenissen vele verre toeschouwers niet een hele tijd zo dat, in geval tussendoor een keer bij uitzondering een van de oorlogsslachtofferbeelden de legenda 'Serviër' had, wij dat voor een vergissing, een drukfout, in elk geval voor een te verwaarlozen uitzondering aanzagen? Want als er inderdaad zulke onschuldige Servische slachtoffers waren, dan kon dat, overeenkomstig hun zo spaarzame voorkomen in de wereldpubliciteit, toch alleen maar in de verhouding één op duizend - één Servische dode op duizend moslimdoden - staan.

Welke zijde in de oorlog was, wat de gedoden en de gemartelden betrof, voor het verslaan en fotograferen de betere? En hoe kwam het dat voor het eerst een beetje van kant werd gewisseld in de zomer van 1995 met de verdrijving van de Serviërs uit Krajina - hoewel ook in dit geval niet de beelden van vermoorden te zien waren maar 'slechts' van ontheemden, met daarbij de suggestie dat 'dezelfden' immers voordien een ander volk hadden verdreven? En past daar ook niet bij het zojuist door het Internationale Gerechtshof bekendgemaakte aantal van oorlogsmisdaden verdachte personen in de Joegoslavische oorlog? 47 (zevenenveertig) Serviërs, 8 (acht) Kroaten en een moslim (1) was men in Den Haag misschien op het spoor - alsof er ook voor deze kant voor de vorm eentje nodig was, een alibi-oorlogsmisdadiger eender als in een ander verband een alibi-Samaritaan.

Maar viel het niet al vóór de beelden van de vluchtelingenstroom uit Krajina aan deze

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden