De school

Scholen in de steden worden steeds meer bevolkt door grote groepen allochtone leerlingen, die vaak zijn opgevoed in een autoritaire en religieuze omgeving. Tegelijkertijd is Nederland in snel tempo geseculariseerd en heeft zich een stille revolutie in de omgangsvormen voltrokken, waarbij de nadruk is komen te liggen op een gelijkwaardige en informele omgang tussen leerkrachten en leerlingen. In het dagelijks verkeer op school leiden deze contrasterende ontwikkelingen tot tal van conflicten en tot geweld. Gaat het om incidenten of is er meer aan de hand?

In het kerstpakket 2002 van het Amsterdamse Regionaal Opleiding Centrum (ROC), tachtig scholen met zo'n 37.000 'deelnemers', treffen we een kleurrijk fotoboek aan met portretten van hangende, zittende en soms fraai uitgedoste leerlingen.1 Blank, zwart, bruin, hip, traditioneel en modern. Alles door elkaar. Een deel van het boek is door de leerlingen zelf gemaakt. Honderd cameraatjes zijn aan de leerlingen uitgereikt met de vraag hun eigen leven te fotograferen. Hun kijk op de wereld valt te bewonderen door collages in het boek, soms met aandoenlijke, maar ook met aanstootgevende teksten.

Wie het fotoboek ter hand neemt, zal constateren dat de diversiteit in het leerlingenaanbod enorm is toegenomen. Bij de beroepsopleidingen is de helft van de leerlingen allochtoon, bij het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) en de volwasseneducatie is dat respectievelijk 90 en 95 percent. In het voorwoord schrijven Ankie Verlaan, toen nog voorzitter van het college van bestuur van het ROC, en Job Cohen, burgemeester van Amsterdam, zeer trots te zijn op deze diverse, zich op de toekomst voorbereidende leerlingen. De burgemeester schrijft in het voorwoord: 'Tegen een decor van Hollandse architectuur vindt integratie plaats, op een organische manier, gevoed door gezamenlijke ambitie en jeugdcultuur en met inzet van velen.'

De gang van zaken rond het fotoboek is tekenend voor de houding en naïviteit van bestuurders. Op de omslag van het spraakmakende boek - gedrukt op kringlooppapier - prijkt een foto van twee moslima's met plakkende, opbollende kauwgums in hun mond. Een aantal werknemers nam aanstoot aan dit kauwgumballen etende portret van het ROC. Ook sommige leerkrachten voelden zich geschoffeerd door het kerstgeschenk - waren zij niet dag in dag uit in de weer hun leerlingen uit hun jassen en kauwgumvrij te krijgen? Op de foto's wordt ook opvallend veel gerookt. Laten we even een kijkje nemen in zo'n les. De juf aan het woord:

'De kookklas bestaat uit 12 leerlingen, drie Somalische meiden, drie blanke meisjes en de rest is Surinaams zwart. Ik geef graag kookles aan de meiden, want juist door het geven van praktijklessen krijg je een persoonlijke band met de leerlingen. Het is altijd een heel gedoe voor de les begint. Ik sta erop dat de jassen uitgaan, de mobieltjes worden uitgezet, kauwgum uit de mond en dat bij de theorie geen eten of drinken wordt genuttigd. Zo begint elke schoolles met een gevecht. De meeste kinderen menen dat ik veel te streng ben, zeker in vergelijking met de andere leerkrachten. Die zijn vaak al blij dat de leerlingen in de les zijn. Maar juist door een persoonlijke aanpak, weet je meer te bereiken. De meisjes staan nu zingend de afwas te doen. Ze doen eigenlijk niets, maar het sfeertje is goed. De Surinaamse meisjes zijn heel erg druk. Ze geven elkaar orders op een manier die wij niet kennen.'

Terug naar het fotoboek. Hoewel de Marokkaanse meisjes op de voorkant toestemming hebben gegeven voor het afdrukken van de foto op de omslag, wilde een van de broers geld zien. Hij eiste 1000 euro voor de publicatie van de foto van zijn zus. Er zat niets anders op dan een deel van het portret door trucage onherkenbaar te maken. Een afgebeeld meisje nam aanstoot aan de trucagefoto's van gesluierde Marokkaanse meisjes met blote navels. Ze dreigde met juridische actie. De blote buik is met een sticker afgeplakt. Tot overmaat van ramp bleek het boek antisemitische Arabische teksten te bevatten, hoewel het nog was voorgelegd aan een Marokkaanse deskundige. Die meende dat het ging om onschuldige citaten uit de Koran. In de door de leerlingen gemaakte collages vielen ook nog pasfoto's te bewonderen van 'de strijder Osama bin Laden'. Tot slot had de fotograaf een foto opgenomen van een kogel aan een halssnoer, symboliserend het geweld op school. Burgemeester Cohen voelde zich achteraf in zijn hemd gezet. Het kerstgeschenk ligt inmiddels met waarschuwingsstickers in de boekhandel.

In dezelfde periode zorgde een viertal Marokkaanse leerlingen voor de nodige opschudding door het dragen van de islamitische gezichtssluier - een nikaab. Het voorval haalde de landelijke pers. De ouders van de meisjes werden uitgenodigd voor een gesprek met de directie van het ROC. Ondanks herhaalde verzoeken hebben de ouders geen gevolg gegeven aan dit verzoek. Moest de volledige hoofdbedekking nu worden gezien als een symbool van moslim-identiteit of ging het om het provocerend exhibitioneren van wat men 'eigen cultuur' noemt? Werden de meisjes soms misbruikt door islamitische fundamentalisten? De schoolleiding wilde de vingers niet branden aan deze netelige kwestie. Het dragen van de nikaab werd vanuit praktische overwegingen verboden - het stond de communicatie tussen leraren en leerlingen in de weg. Bovendien zouden werkgevers bezwaren kunnen hebben tegen stagiaires met een gezichtssluier. De Commissie Gelijke Behandeling ging in deze redenering mee en stelde de 'vrouwelijke metgezellen van de profeet' in het ongelijk.

Tot slot kwam het ROC van Amsterdam in het nieuws door de vermetele reis van twee van zijn leerlingen naar Tsjetsjenië om daar deel te nemen aan de djihad, de heilige oorlog. Aan de Oekraïense grens werden ze teruggestuurd. Om zijn 'culturele licht' op te steken bracht een delegatie van het ROC in deze periode een werkbezoek aan Marokko. 'Onze allochtone leerlingen zijn in verwarring', meldde Ankie Verlaan als reactie op alle commotie.

De Nederlandse samenleving heeft de afgelopen decennia een draai van honderdtachtig graden gemaakt. De zuilenmaatschappij werd ontmanteld, de invloed van de kerk als gezaghebbend instituut verdween, autoritaire gezagsuitoefening maakte plaats voor overleg en op seksueel gebied was voortaan alles mogelijk. Veel Nederlanders hebben in de jaren zeventig een sterk individualistisch ethos ontwikkeld, waarin steeds meer het accent kwam te liggen op persoonlijke verantwoordelijkheid. Daarmee samenhangende ontwikkelingen zijn informalisering, secularisering, afnemend ontzag voor autoriteit, feminisering van het onderwijs, maar ook normvervaging en cohesieverlies.2 Deze veranderingen in de wijze waarop wij met elkaar omgaan, hebben natuurlijk hun consequenties voor een groot aantal maatschappelijke terreinen.

Veel leerlingen moeten zichzelf opvoeden, omdat hun ouders door hun werk, door scheiding of andere oorzaken niet thuis zijn. De school is onvoldoende in staat het pedagogisch gat te vullen.3 Er heeft zich een stille revolutie in de omgangsvormen voltrokken, waarbij de nadruk is komen te liggen op een gelijkwaardige en informele omgang tussen leerkrachten en leerlingen.

Sinds de jaren zeventig en tachtig is daar nog een andere trend bijgekomen: de komst van minderheidsgroepen. Hierdoor is de samenstelling van de scholen - zeker in de grote steden - definitief veranderd. Ruim 40 procent van de etnische minderheden woont in de grote steden, tegenover slechts tien procent van de autochtone bevolking. Dit weerspiegelt zich vooral in de etnische mix van het leerlingenaanbod. In de vier grote steden is de helft van de basisschoolleerlingen allochtoon. In het voortgezet onderwijs zijn de allochtone leerlingen ongelijkmatig verspreid. Uit een onderzoek van het SCO Kohnstamm Instituut bleek dat in Amsterdam de havo's, vwo's en gymnasia vooral bevolkt worden door autochtone kinderen en de vmbo's (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, een combinatie van het vroegere lager beroepsonderwijs en mavo) door allochtone kinderen. Vier op de vijf Marokkaanse jongeren staat ingeschreven bij de vmbo's.

Kinderen uit allochtone groepen worden, anders dan autochtone kinderen, opgevoed in een autoritaire en religieuze omgeving met weinig ruimte voor individualisme. Deze contrasterende ontwikkelingen hebben hun sporen achtergelaten op de verhoudingen binnen school en geven aanleiding tot tal van conflicten.

Geweld op school

Wat het ernstig maakt is dat de conflicten soms gewelddadig van aard zijn. Vaak zijn er Marokkaanse jongens bij betrokken; slechts af en toe komt daarvan iets naar buiten. Op 22 juli 1994 kopte het Amsterdamse avondblad Het Parool: 'Mondriaan verhult ellende.' De directeur van het Mondriaanlyceum, inmiddels opgegaan in de Esprit-scholengemeenschap in Amsterdam-West, had aangifte gedaan van mishandeling van drie medewerkers door een Marokkaanse leerling en de door hem opgetrommelde vrienden. De school beschouwde het voorval als een incident, maar uit verschillende publicaties hierna bleek dit het topje van de spreekwoordelijke ijsberg. Geweld van leerlingen tegen leraren, telefonische bedreigingen thuis en het ingooien van ruiten komen geregeld voor. Een docente van het Mondriaan die de ouders op de hoogte had gesteld van het slechte rapport van hun kind, werd telefonisch uitgescholden voor 'kankerjodin'. Volgens een oud-docent werden de problemen voor het grootste deel veroorzaakt door Marokkaanse leerlingen.

Begin november 2003 werd een leraar van het Sweelinck College, een vmbo-school in Amsterdam-Zuid, door vier leerlingen van Marokkaanse afkomst helemaal in elkaar geslagen en geschopt (Het Parool, 6-11-2003). De man liep gekneusde ribben op en zit voorlopig thuis. Voor de leerlingen wordt een nieuwe school gezocht binnen de Interconfessionele Scholengroep Amsterdam. De directeur van het Sweelinck was verrast dat het incident naar buiten was gekomen. Met de politie was afgesproken een 'totale mediastilte' in acht te nemen.

De reactie van de schoolleiding op gewelddadige incidenten is meestal de doofpot. De goede naam en eer van de school staan immers op het spel. Docenten durven niet naar buiten te treden, bang voor de represailles van leerlingen en voor het verlies van hun baan. De school die als enige gehoor heeft gegeven aan de oproep van wethouder Rob Oudkerk om incidenten te melden, is het Amsterdamse ROC ASA Noord. Deze school waar de meest problematische leerlingen zitten, ,,treedt bewust naar buiten met 'grensoverschrijdend' gedrag van leerlingen (antisemitisme, seksuele intimidatie, homohaat en verbaal en fysiek geweld onder leerlingen)'' (Het Parool, 8 november jl.).

De incidenten op scholen in Amsterdam-West leidden in 1999 tot een grootschalig onderzoek naar geweld op school. Daaruit bleek dat een derde van de middelbare scholieren in Amsterdam-Oost en -West, en nog eens één op de vijf docenten slachtoffer is geweest van geweld. De informatie heeft betrekking op zo'n veertig scholen in de Amsterdamse regio. Leerkrachten en schoolleiding hebben aan het onderzoek willen meewerken op voorwaarde dat zij als school niet herkenbaar zijn - de cijfers mogen niet openbaar worden. De resultaten van het rapport, samengesteld op basis van slachtofferonderzoek en zelfrapportage, worden niettemin 'verbijsterend' genoemd. Er zou sprake zijn van meer dan 10.000 incidenten per jaar in het Amsterdamse voortgezet onderwijs, voor het merendeel seksuele misdragingen, wapenbezit, bedreiging, afpersing, drugshandel en mishandeling. Bij de schoolleiding was slechts een zeer gering aantal incidenten (15 procent) bekend, een fractie daarvan (1 procent) wordt bij de politie gemeld. Twee op de drie leerlingen is wel eens slachtoffer geweest van een geweldsincident.

De vraag of de toename van geweld iets te maken zou kunnen hebben met de veranderende samenstelling van de leerlingen, was volgens de onderzoekers niet aan de orde. Tegenover journalisten in Trouw (12-11-2001) merkte Jan Kweekel van het Christelijk College Henegouwen in Rotterdam evenwel op: 'Het is wel degelijk zo dat op zwarte vmbo-mavo scholen meer aan de hand is. Dat is in Rotterdam in ieder geval zo, en ik heb geen reden aan te nemen dat dit bij jullie (in Amsterdam) anders is. Scholen in de buitenwijken zijn wit en hebben gewoon minder problemen. Ze zijn ook huiverig om moeilijke leerlingen eerlijker te verdelen.'

Het zogenoemde 'incidentenonderzoek' vormde aanleiding tot de oprichting van het VIOS-project: 'Veilig in en om School'. Sinds 2001 vindt er een 'incidentenregistratie' plaats - 'zeer geheime informatie', die niet zomaar voor iedereen toegankelijk is.

Gaat het om incidenten of is er meer aan de hand? De columnist Marcel van Dam meent dat niet zozeer sprake is van feitelijk toenemend geweld, maar van een geweldsexplosie in de journalistiek. Over de vraag of het geweld in de samenleving nu wel of niet is toegenomen, wordt door criminologen heftig gediscussieerd, aan de hand van ingewikkelde berekeningen en nieuwe registratietechnieken. Uit de politiestatistieken en slachtofferenquêtes blijkt dat de omvang van de geweldscriminaliteit sinds het begin van de jaren tachtig scherp is toegenomen. De stijging van geweld kan niet alleen maar worden toegeschreven aan een betere registratie van geweldsdelicten.4

De criminologen Henk van de Bunt en Catrien Bijleveld hebben er in NRC Handelsblad (13-11-1999) voor gepleit om niet alleen te kijken naar deze officiële gegevens, maar ook gebruik te maken van 'maatschappelijke sensoren'. Zo hebben zij een leraar in het voortgezet onderwijs in een achterstandswijk gevraagd een dagboek bij te houden van het geweld op school. Het resultaat was onthutsend. In slechts enkele maanden maakte hij melding van een reeks van incidenten: slaan, getreiter, intimidatie, bedreigingen en mishandeling, waarbij nagenoeg uitsluitend allochtone leerlingen waren betrokken. Zoals bij veel gevallen van geweld in de besloten sfeer, werd geen van deze incidenten bij de politie gemeld. Volgens de leraar bleef de schoolleiding zeer ernstig in gebreke.5

In hoeverre zijn leerlingen uit etnische minderheidsgroepen verantwoordelijk voor de toename van geweld op school? Uit het Nationaal Scholierenonderzoek, gehouden in drie verschillende jaren (1994, 1996 en 1999), bleek dat van de Nederlandse jongens (12-17 jaar) 24 procent opgeeft het afgelopen jaar geweld te hebben gebruikt. Onder Surinamers, Antillianen, Turken en Marokkanen is dat respectievelijk 37, 40, 41 en 48 procent.6 In dit onderzoek is etniciteit niet gebaseerd op nationaliteit of geboorteland, maar hebben jongeren zelf kunnen aangeven tot welke etnische groep zij zich rekenen. Ook de meisjes uit deze allochtone groepen maken zich veel vaker schuldig aan geweld dan Nederlandse meisjes.

De criminologen Junger, Wittebrood en Timman concluderen uit hun overzicht van het onderzoek op dit terrein dat uit alle bronnen blijkt dat 'allochtonen gemiddeld ernstiger en gewelddadiger crimineel gedrag vertonen dan Nederlanders en dat dit verschil al op jonge leeftijd ontstaat'. Toch is het volgens hen niet de migratie op zichzelf die leidt tot een grotere betrokkenheid bij criminaliteit: 'Zo blijkt dat Chinese kinderen - die net als Turkse en Marokkaanse kinderen in het kader van gezinshereniging naar Nederland zijn gekomen - op school goed functioneren. Ook hebben de Chinese minderheidsgroepen in verschillende westerse landen lagere criminaliteitscijfers dan de autochtone bevolking.'7

Docenten geven aan dat het creëren van wederzijds respect tussen de verschillende groepen leerlingen vaak onbegonnen werk is. Sinds 11 September is de verhouding tussen autochtone en allochtone leerlingen ook vijandiger en radicaler geworden, vooral op vmbo-mavo-scholen in de grote steden. Enkele leerkrachten melden een diepe kloof tussen het wereldbeeld van de leraren en dat van hun Marokkaanse leerlingen. Docenten geschiedenis en maatschappijleer constateren niet alleen een toename van antisemitisme, maar ook een verharding op alle fronten, in een sfeer van toenemende intolerantie. De Joden in Nederland worden verantwoordelijk gehouden voor wat er in Israël gebeurt. Leraren op sommige vmbo-scholen in Amsterdam durven zelfs geen lessen meer te geven over de Jodenvervolging en de holocaust uit angst voor agressieve reacties van met name Marokkaanse leerlingen. Een lerares van een Montessorischool in Amsterdam-Oost zegt over die kloof: 'Of het nu over Israël gaat of over dagelijkse dingen als make-up, de antiwesterse houding zit zo diep en wordt dagelijks gevoed door de schotelantenne, antiwesterse ouders en imams.' (NRC Handelsblad, 14-6-2003.)

Geweld lokt geweld uit. Op bepaalde scholen in de Randstad is zelfs sprake van een mini-oorlog. In de gemeente Aalsmeer woedt een ware hetze tussen Marokkaanse en autochtone scholieren. Marokkaanse leerlingen provoceren hun tegenstanders met bontkragen, Marokkaanse vlaggetjes op de jakjes en Osama-leuzen. De Hollandse tuinderszonen jagen hun Marokkaanse leeftijdgenoten op de kast door Lonsdale shirtjes met capuchon, bij voorkeur gedragen onder een bomberjack waarvan de middelste letters van de Nazi-partij NSDAL (lees: P) zichtbaar zijn. Het kortgeknipte haar en de soldatenkistjes aan de voeten completeren het geheel. Zowel Marokkaanse als Nederlandse ouders zijn bang dat het een keer goed mis zal gaan. Bepaalde scholengemeenschappen in Uithoorn, Haarlem en Aalsmeer zijn al overgegaan tot een verbod op het dragen van aanstootgevende kleding.8

Respect als opvoedingsstijl

De sociale voorwaarden voor maatschappelijke integratie liggen in de driehoek gezin, gemeenschap en school. Als de eerste twee instituties goed functioneren en op elkaar aansluiten, dan leert een kind de normen en waarden van de samenleving. Die zijn nodig om de discipline te kunnen accepteren die op school nodig is voor het leren van kennis en vaardigheden. Zelf hebben de jongeren het over de drie 'levens': het saaie leven thuis, het drukke leven op school en het spannende leven op straat. Bij een aantal Marokkaanse jongens liggen de verschillende 'levens' echter niet in elkaars verlengde - ze zijn vaak compleet verschillend. Marokkaanse jongeren verdwalen gemakkelijk in een web van de tegengestelde of niet begrepen boodschappen die ze krijgen van hun ouders en van hun Nederlandse docenten en hulpverleners. Dit kan leiden tot crimineel en antiscoiaal gedrag.

Marokkaanse ouders zijn vaak analfabeet of laag opgeleid, participeren slechts minimaal in de nieuwe samenleving, zijn niet meer ingeschakeld in het arbeidsproces en beheersen de Nederlandse taal onvoldoende. Zij hanteren vaak een traditioneel opvoedingspatroon. Kinderen in dergelijke gezinnen worden autoritair opgevoed. Het bijbrengen van respect en gehoorzaamheid staat centraal. Binnen de vier muren van zijn domein is de vader heer en meester. Hij heeft een wat afstandelijke relatie met zijn kinderen en ontleent zijn gezag aan de islam. Zijn woord is wet. De emotionele huishouding is in handen van de moeder, die vaak ook een rol heeft als 'buffer' tussen de vader en de kinderen.

In Marokko wordt de school als het verlengstuk gezien van de opvoeding thuis. Op school moet je respect, discipline en gehoorzaamheid tonen. Marokkaanse leerkrachten stellen zich op als een afstandelijke vader: streng, liefdevol en rechtvaardig.

In Nederland is respect veel meer gebaseerd op overtuiging en kennis van zaken. Het is ook minder gebonden aan leeftijd en sekse. Er is veel minder afstand tussen personen mét en zonder gezag. Nederlandse gezagdragers zijn juist geneigd de afstand tussen zichzelf en ondergeschikten zoveel mogelijk te verkleinen.

Leerkrachten, politieagenten en ouders stellen zich eerder op als 'je beste vriend'. Op veel scholen wordt een gelijkwaardige omgang van leerlingen met docenten op prijs gesteld; je mag docenten met de voornaam aanspreken, hen zelfs tegenspreken. Docenten aarzelen om gezag uit te oefenen. Ze zijn bang om te kwetsen, bang om sancties op te leggen en bang om voor racist uitgemaakt te worden. Hierdoor verliezen ze hun natuurlijk gezag en vervallen gemakkelijk tot speelbal van de leerlingen. Een groot aantal docenten in het onderwijs heeft nauwelijks nog overwicht. Hedendaagse opvoeders en docenten zijn, in de woorden van de vroegere criminoloog Herman Franke, verstijfd door tolerantie en verlamd door twijfel en onzekerheid.

De laatste jaren wordt steeds harder geroepen om herstel van waarden en normen. Maar bij sommige docenten is de tolerante houding uit de jaren zeventig omgeslagen in onverschilligheid en cynisme. Niet alleen bij docenten, ook bij leerlingen is de norm vaak zoek. Gezag en respect zijn nog wel aanwezig, maar niet meer opvallend en voor iedereen herkenbaar. Bij allochtone leerlingen kan zo de indruk ontstaan dat er helemaal geen regels zijn voor het gedrag.

Nederlandse onderwijzers en leraren weten niet goed raad met Marokkaanse leerlingen. Ze voelen zich onzeker, willen niet discrimineren, niet autoritair zijn, maar constateren ook dat misbruik wordt gemaakt van hun toegeeflijkheid. De antropoloog Frank van Gemert meent dat Marokkaanse jongens meesters zijn in 'uitprobeergedrag'. Hoever kun je gaan zonder gestraft te worden? 'Niet wat mag, maar wat kan' is volgens hem kenmerkend voor het gedrag van Marokkaanse jongeren.9

Die constatering zegt natuurlijk ook iets over Nederland. Kennelijk bestaat hier heel veel pedagogische ruimte. Marokkanen van elders hebben mij er vaker op geattendeerd dat jonge Marokkanen zich in Nederland heel anders gedragen dan in België of Frankrijk. Er vindt wel degelijk sociale beïnvloeding plaats, een 'pénétration hollandaise'. In Nederland wordt heel veel toegelaten, zonder dat er een reactie op volgt. Jongens wentelen zich maar al te graag in een slachtofferrol of worden extreem agressief, wanneer Nederlanders normale kritiek geven op hun gedrag. Toen een jonge Nederlandse vrouw tegen een Marokkaanse puber zei dat hij het papier van zijn ijsje niet zomaar op straat moest gooien, kreeg ze het ijsje naar haar gezicht gesmeten. Een oudere man op de fiets kreeg de huid volgescholden toen hij een Marokkaanse jongen wees op diens gevaarlijke rijstijl. In Marokko zou dit gedrag absoluut niet worden getolereerd.

Migratie-deskundige Jan Beerenhout merkte eens op dat leraren zelf verantwoordelijk zijn voor het uit de hand lopen. 'Lesgevers moeten duidelijk zijn, grenzen stellen aan wat wel en niet mag.' Kortom, ze moeten hun autoriteit en respect afdwingen. Er is sprake van opvoedingsnood, bij de ouders maar ook bij de docenten. Een allochtone leerling verwoordde het gemis aan natuurlijk gezag bij Nederlandse docenten als volgt: 'Als jij niet zo streng bent als mijn vader, neem ik jou niet serieus.' Gevangenishulpverlener Ali Eddaoudi zegt hierover dat Marokkanen vaak geen onderhandelaars zijn: 'Je doet gewoon wat je gezegd wordt.' Marokkaanse jongeren accepteren dit van hun ouders, maar van een leraar absoluut niet: ,,Wanneer een leraar dan denkt in onderhandeling te gaan met deze jongeren, is de kans groot dat ze zullen proberen over hem heen te lopen. Hun ouders geven nooit toe en wanneer een leraar dat wel doet, kunnen ze geen respect voor hem opbrengen.'' Een onderzoek op twee scholen in Utrecht bevestigt de observatie van Eddaoudi. De leerkracht zegt dat Marokkaanse jongens niet teveel ruimte moet worden geboden. Door ervaring wijs geworden, zegt hij: 'Ik draai dingen nu dus om, ik geef eerst straf, dan praat ik. Als ik dat niet doe dan denken ze: dit is nog gewoon onderhandelen over m'n straf. Hoe meer leuke dingen ik nu zeg, des te minder straf ik krijg.'10

Dé personificatie van deze nieuwe aanpak is de huidige directeur van het Calvijn College in Amsterdam-West, oud-gevangenisdirecteur Adri Bleeker. Het Calvijn College is een zwarte school voor het laagste niveau van het vmbo. Toen de vroegere directeur na zeer ernstige bedreigingen was vertrokken, benoemde het bestuur op zijn plaats Bleeker. Deze herstelde de orde op school en maakte een eind aan de heersende doofpot-cultuur: docenten moeten alle incidenten bij hem melden, waarna aangifte wordt gedaan. Dat laatste gebeurde bijvoorbeeld met de Marokkaanse jongen die de portier met de dood bedreigd had en in het geval van de docent die was afgetuigd met een ijzeren lineaal. Bleeker zorgt voor een goed contact met zijn leerlingen, maar voert ook een beleid van zero tolerance: ,,Als iemand 'kutwijf' roept naar een lerares, wil ik die ouders meteen hier hebben. Kinderen vinden het vreselijk als je hun ouders erbij haalt, dus moet je dat juist doen. Dan zeg ik tegen zo'n moeder: 'uw dochter zegt kutwijf tegen een lerares, wat vindt u daar nou van?' Dan wordt zo'n vrouw rood tot achter haar oren.'' Voor het eerst sinds jaren worden er weer leerlingenfeesten gehouden op het Calvijn College.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden