De school is geen bedrijf

Het advies van de commissie-Dijsselbloem was in 2008 een verademing voor leraren die zich gefrustreerd voelden door onderwijsvernieuwingen: 'Politiek en bestuurders: handen thuis'. Wat is er terechtgekomen van de aanbevelingen? Trouw vroeg het aan een aantal onderwijsprominenten.

Hans van Wieren werd op 13 januari 2004 in de kantine van het Terra College in Den Haag door het hoofd geschoten door zijn leerling Murat D. De vmbo-leerling was gefrustreerd, zijn moeder zou de volgende dag met Van Wieren op school komen praten. Hij zou zeker geschorst worden. Tijdens de lunchpauze liep Murat kwaad op Van Wieren af en ze kregen ruzie in de kantine. Ineens schoot Murat, die later verklaarde in de klas vaak een wapen bij zich te hebben, op de conrector. Van Wieren overleed die avond in het ziekenhuis.

Vier jaar later komt de moord op Van Wieren ter sprake in de verhoren van de parlementaire onderzoekscommissie-Dijsselbloem. Die deed onderzoek naar de opvolger van de mavo, het vmbo. De moord op Van Wieren had het beeld van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, toch al niet best, helemaal naar beneden gehaald. Kort na de moord stuurden 200 vmbo-directeuren een brief aan politici waarin zij pleitten voor minder regels op school en meer ondersteuning in de klas. Het kon zo niet langer. De onderwijsvernieuwing waarbij de mavo werd ingeruild voor het vmbo, was een miskleun geweest. Hoe had op school een sfeer kunnen ontstaan dat kinderen er met wapens rondliepen?

Het was niet de enige onderwijsvernieuwing waarover Jeroen Dijsselbloem (PvdA) en zijn collega-Kamerleden Boris van der Ham (D66), Tofik Dibi (GL), Halbe Zijlstra (VVD), Martin Bosma (PVV), Bart-Jan van Bochove (CDA), Cynthia Ortega-Martijn (CU) en Nathalie de Rooij (SP) zich moesten buigen tijdens hun onderzoek. De Kamer had ook gevraagd om het 'competentiegericht leren' eens onder de loep te nemen. Anderhalf jaar eerder waren er op verschillende roc's in Nederland demonstraties uitgebroken omdat de leerlingen het gevoel hadden niets meer te leren. Ze moesten samenwerken, presenteren en analyseren, maar voor het klassieke taal-, reken- of vakonderricht was veel minder ruimte gekomen. De leraar was alleen op afspraak beschikbaar voor uitleg. Het aantal lesuren werd minder. De leerlingen hadden genoeg van het nieuwe systeem. Aan Dijsselbloem om te bepalen of dat terecht was.

Het studiehuis

De Kamer gaf de commissie nog een laatste hoofdpijndossier mee ter beoordeling: het studiehuis. In 1999 was op het Malieveld een demonstratie van twintigduizend scholieren tegen het studiehuis al volledig uit de hand gelopen. Politici werden bekogeld met troep. Ruiten van overheidsgebouwen werden ingegooid. De scholieren pikten het overvolle lesprogramma niet meer. Het studiehuis was volgens hen een ramp geworden omdat Den Haag de scholen zo dicht op de huid zat.

Wat de Tweede Kamer de commissie niet opdroeg, zegt Ad Verbrugge, was eigenlijk het meest cruciale. "De financiering uit de lumpsum", zegt de filosoof, die voorzitter is van de stichting Beter Onderwijs Nederland (Bon). Met zijn manifest 'Help! Het onderwijs verzuipt' had Verbrugge het publieke debat op scherp gezet. "Zeker voor het mbo was dit een belangrijk aspect geweest. Er gaat namelijk een perverse prikkel uit van de manier waarop beroepsopleidingen gefinancierd worden. Hoe groter de school, hoe meer geld die krijgt. Scholen doen er dus alles aan om met leuke studies leerlingen te trekken. Ze besteden dat geld liever aan een mooie brochure dan aan de kwaliteit van het onderwijs. De zak met vrij te besteden geld had onderzocht moeten worden. Maar dat hoefde niet van de Tweede Kamer."

Na ongeveer anderhalf jaar presenteerde de commissie-Dijsselbloem een rapport dat keihard oordeelde over twintig jaar onderwijsvernieuwingen in Nederland. "Leraren die gefrustreerd waren geraakt door de basisvorming of het studiehuis, werden door het rapport bevestigd in hun onvrede", zegt Verbrugge. Alom werd met lof en instemming gereageerd. 'Dijsselbloem' stelde onomwonden dat politici en onderwijskundigen zich te veel bemoeid hadden met de inhoud van het onderwijs. Voor on-derwijsvernieuwingen was vaak wel politiek draagvlak, maar geen draagvlak op scholen. De vernieuwingen moesten te snel en te goedkoop worden uitgevoerd. Bovendien was meestal niet wetenschappelijk bewezen dat de nieuwe koersen zouden leiden tot grotere kennis en betere vaardigheden bij leerlingen. Integendeel, er was daarin zelfs een zorgwekkend dalende trend zichtbaar sinds de invoering van het nieuwe leren. Kortom, de overheid had haar kerntaak als beschermer van goed onderwijs, 'ernstig verwaarloosd'.

Wat hebben deze harde bevindingen teweeg gebracht in het Nederlandse onderwijs? En had de financiering toch ook niet in het onderzoek moeten worden betrokken? Zes jaar na dato maakt Trouw de balans op. Binnenkort presenteert de Onderwijsraad een uitgebreide evaluatie van het rapport-Dijsselbloem. Prominenten uit het onderwijsveld zijn achteraf vrijwel allemaal teleurgesteld. Zij constateren bovendien dat het onderwijs, met name op de basisschool en het mbo, niet méér ruimte heeft gekregen van de politiek, maar juist minder.

Zo vindt Rinda den Besten, voorzitter van de koepel van basisscholen, de PO-raad, dat de Tweede Kamer gewoon doorgaat met debatten over wat wel of niet in de klas ter sprake moet worden gebracht. Het rapport was nog niet koud of de Kamerleden begonnen alweer over lessen over seksuele moraal in de klas, herinnert ze zich. "Terwijl de keuze of je voorlichting geeft over homoseksualiteit natuurlijk precies zo'n thema is dat je aan de leerkracht en de school zelf moet overlaten. Later moesten alle scholen ook ineens de film van Al Gore, 'An Inconvenient Truth', over de opwarming van de aarde laten zien. Ook zoiets! Er bleef al gauw niets overeind van de oproep aan de politiek om op haar handen te gaan zitten."

Onnodig belastend

De onderwijsinspectie, onderdeel van het ministerie van onderwijs, heeft volgens Den Besten 'een grote broek aangetrokken' de laatste jaren. De inspecties zijn streng, en er hangt voor scholen veel papierwerk aan. Den Besten: "Zo moeten kleine schooltjes bijvoorbeeld vragen beantwoorden over governance, terwijl ingewikkelde bestuursvragen zich bij hen niet voordoen. Dat is onnodig belastend." Den Besten ziet ook lichtpunten: het forse overheidsoptreden heeft op de basisscholen wel wat verbeterd. Van de bijna 7000 basisscholen in Nederland was in 2010 6 procent nog zwak, nu is dat 2 procent, 1 procent was in 2010 zelfs zeer zwak, nu is dat 0,2 procent.

Dijsselbloem drukte de onderwijssector op het hart ouders en leraren meer bij school te betrekken. Maar dat is niet gebeurd, vinden de ouderraden. Koepels van ouderraden van confessionele en openbare scholen zijn de afgelopen jaren zelfs opgeheven omdat de subsidiekraan werd dichtgedraaid. Het ministerie heeft wel een koepel laten oprichten voor alle ouderraden gezamenlijk, de Landelijke Ouderraad. Er moest immers een gesprekspartner overblijven in het polderoverleg. De oude koepels wantrouwen het nieuwe orgaan echter. De Landelijke Ouderraad zou te veel fungeren als een verlengstuk van het ministerie.

En de leraren zijn ook weinig opgeschoten, vindt vakbondman Walter Dresscher van de Aob. Sterker nog, zij voelen zich vaak weggezet door politici alsof zij geen haast maken met verbetering of modernisering van het onderwijsniveau. Dat de rekentoets op de pabo is ingevoerd, wordt alom toegejuicht. Maar niet door de vakbond. Dresscher: "De verwachtingen van de toets zijn hooggespannen, maar denk je nu echt dat de algemene kwaliteit van de leraar daarmee omhoog gaat? Het is weer zo'n topdown-aanpak. Wij vinden dat je leraren, net als artsen, de professionele ruimte zou moeten laten om elkaar te beoordelen. In Finland bestaat zo'n vruchtbare werksfeer ook. Wie daar niet kan rekenen, komt überhaupt niet in aanmerking om leraar te worden. Op de pabo moet een dynamiek ontstaan die tot meer kwaliteit leidt. Want denk je nu echt dat een leraar wil samenwerken met slechte andere leraren? De beroepsgroep is heel goed zelf in staat de kwaliteit te bewaken. Maar die gelegenheid moet je ons wel laten."

De kwaliteit en autonomie van de docent zijn op alle niveaus, van basisschool tot hogeschool of universiteit, de allerbelangrijkste voorwaarde voor goed onderwijs, vindt Marcel Wintels. Hij werkte vijftien jaar als bestuurder van verschillende hogescholen. "Als ik in die jaren één ding geleerd heb, dan is het wel dat je mensen verantwoordelijkheden moet geven. De leraar maakt het onderwijs; de bestuurder moet zorgen dat die leraar zijn les goed kan geven. De overheid mag van de schoolbesturen eisen dat eindresultaten en de vereiste kwaliteit gehaald worden, maar niet hoe die school dat organiseert. Als ieder zo zijn eigen afgebakende verantwoordelijkheid heeft, mag je elk daarop stevig aanspreken. Dat levert goed onderwijs op. Zorg ervoor dat de verantwoordelijkheden niet zo diffuus zijn, dat iedereen zich achter elkaar verschuilt."

Dat verschuilen achter andermans verantwoordelijkheden, dat gebeurt nog steeds, vindt Wintels. "Hoe groter de organisatie, hoe groter de bestuurlijke drukte waarbij bestuur en beleid te ver af komen te staan van waar het om gaat: goed en inspirerend onderwijs. Dat is de belangrijkste reden waarom er in het Nederlandse onderwijs niet wezenlijk iets verbetert. Schaalvergroting is bijna nooit in het belang van de individuele docent of leerling. Wel in het belang van de machthebbers: de schoolbestuurders, koepelorganisaties en de politiek. Die hebben dan een gesprekspartner."

Commissielid Van der Ham spreekt de kritiek tegen. Volgens hem was het soms juist nodig dat de overheid ingreep. "Bij schoolbesturen troffen we een groot amateurisme aan. Dan vroeg je waarom scholen hun onderwijs op een bepaalde manier hadden ingericht. Niet gehinderd door enige kennis zeiden ze dan: 'Moet van Den Haag.' Terwijl dat helemaal niet zo was. Veel bestuurders beschikten bovendien over halfzachte kennis van onderwijsprocessen waarmee ze hun docenten lastigvielen."

Volgens Van der Ham heeft het rapport bovendien wel degelijk iets goeds opgeleverd voor de leraren. "De taal en rekentoets is al voor de instelling van de commissie Dijsselbloem ingevoerd, maar er zijn door ons rapport ook nieuwe impulsen gegeven aan de kwaliteit van leraren. Niet alleen taal en rekenen is elementair. Ook moeten zij beschikken over algemene kennis en kunnen omgaan met uiteenlopende leerlingen. De leraar moet weer een notabele worden, en ook als zodanig worden behandeld. Geef hem of haar de mogelijkheid om zich steeds bij te scholen, maak de klassen niet te groot. De kwaliteit van de leraar in Nederland is mijn grootste zorg."

Binnenkort moeten leraren verplicht bijscholing volgen. Dat het ministerie het voortouw neemt in die bijscholing, is in lijn met wat de commissie-Dijsselbloem adviseerde. "Kijk", zegt Van der Ham, "je begrijpt ons rapport niet goed als je denkt dat de overheid helemaal niets meer te zeggen heeft over de inhoud en de vorm van het onderwijs. Die karikatuur is de laatste jaren wel gemaakt. Ons motto was: de politiek mag best iets zeggen over 'wat' een leerling moet weten als hij van school af komt, maar de docent gaat over het 'hoe'. Bovendien was onze boodschap: je mag best iets veranderen, maar test het dan wel zorgvuldig uit. Beknibbel niet op de uitvoering. Dat deed de politiek stelselmatig verkeerd, en gebeurde bij de invoering van het passend onderwijs eigenlijk weer. Dat vond ik echt teleurstellend."

Amarantis

Drie jaar na het verschijnen van het rapport kwam misschien wel de grootste misstand in het onderwijs aan het licht: het dreigende faillissement en de vervreemding van leerlingen en docenten op de scholenkoepel Amarantis. Die school voor middelbaar en beroepsonderwijs, was door fusies uitgedijd tot 60 vestigingen in Amsterdam, Zaanstad, Almere, Utrecht en Amersfoort, met 3300 medewerkers en 30.000 leerlingen. Door wanbeleid was Amarantis aan de rand van de afgrond terechtgekomen: 132 miljoen euro gemeenschapsgeld zou nodig zijn om de scholen te redden. Had dit kostbare debacle niet voorkomen kunnen worden als de financiering van het beroepsonderwijs, waarin aantallen studenten doorslaggevend zijn voor het budget, wél onderzocht was door de commissie als 'misstand'?

Marcel Wintels, die door het ministerie van onderwijs werd aangesteld om de opleidingen te redden, splitste de gigant Amarantis op en kon de schade uiteindelijk kon beperken tot 18 miljoen, vindt van niet. "Dat het zo mis zou gaan als bij Amarantis, was in 2007 niet te voorzien. In die zin kun je het de Tweede Kamer niet kwalijk nemen dat ze dat punt heeft laten liggen. Bovendien zou zo'n kritisch onderzoek niet in het belang van de politiek zijn. De overheid heeft behoefte aan grootschaligheid. Die wil makkelijk met vertegenwoordigers van enorme scholen of sectoren aan tafel kunnen zitten. Politiek is het begrijpelijk dat die opdracht niet gegeven is."

Verbrugge hoopt dat de financiering van het onderwijs, waarbij aantallen studenten en het tempo waarmee gestudeerd wordt het budget bepalen, alsnog verandert. "De kwaliteit moet weer vooropstaan. Het onderwijs, de financiering daarvan, is te veel gespaard gebleven. We moeten nog dieper in de malaise raken. De tijd is rijp voor een stelselwijziging waarin onderwijsbudget echt kan worden ingezet voor onderwijskwaliteit. Niet alleen docenten en studenten, maar ook steeds meer politici vinden dat scholen en universiteiten niet meer als een bedrijf geleid moeten worden. Tijden zijn veranderd."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden