De schim van de Balkan

Frano Simatovic, bijgenaamd Franki, is een levend mysterie in Servië. Na de dood van Arkan is hij wellicht de grootste massamoordenaar van de Balkan. Een portret van een ongrijpbare schim.

Hij wordt omschreven als 'schimmig'. Soms als 'slim en uiterst gevaarlijk'. "Simatovic is een van de meest mysterieuze en controversiële personen in Servië", volgens Filip Svarm, adjunct-hoofdredacteur van het weekblad Vreme. Weinigen weten, of durven, iets met zekerheid over hem te zeggen. Svarm: "Veel verhalen doen de ronde. De vraag is: wat zijn de feiten?"

Niemand weet waar hij woont, hoe hij eruit ziet, hoe hij praat. Foto's van Simatovic zijn nooit gepubliceerd. Geen journalist in Belgrado heeft ooit in een krant een foto met zijn naam erbij vermeld gezien. Informatie over hem in de Europese en Amerikaanse media beperkt zich tot een paar regels. Afwisselend wordt hij een guerrilla- of een bendeleider genoemd, een ex-geheim agent of een ex-politiechef. Vorig jaar in Kosovo zou hij zijn eigen paramilitaire militie hebben aangevoerd, de beruchte 'Franki Boys': vrijwilligers die volgens westerse inlichtingendiensten verantwoordelijk zijn voor slachtpartijen onder Albanezen.

Bronnen in Belgrado zeggen dat een militie met die naam nooit heeft bestaan. "Dat is het westerse verhaal. Het is onzin", meent een zegsman uit de oppositie. "In Kosovo vochten geen Servische privé- legertjes. Anders dan in Kroatië en Bosnië waren zulke formaties niet nodig. Kosovo was een Servische provincie. Alle gewapende groepen, als ze niet bestonden uit Serviërs uit Kosovo zelf, behoorden hetzij tot het leger, hetzij tot een van de vele officiële 'politiestructuren'."

In werkelijkheid is Frano Simatovic (geen Serviër, maar een Kroaat) een van de hoogste functionarissen van de Servische staatsveiligheidsdienst. Hij houdt toezicht op de Troepen voor Speciale Operaties van het Departement van Staatsveiligheid (Jedinica za Specijalne Operacije, JSO). Hij doet dat – in ieder geval in theorie – onder het directe commando van de chef van de staatsveiligheidsdienst. Wie hem op één lijn stelt met leiders van privé-milities als Arkan onderschat hem. Als Simatovic iets met Arkan te maken heeft gehad, dan was hij zijn baas.

Feit is dat het Joegoslavië-Tribunaal in Den Haag nog geen openbare aanklacht tegen Simatovic heeft uitgevaardigd, ondanks de overvloed aan getuigenissen van Albanese vluchtelingen die in verband met moordpartijen zijn naam hebben genoemd. Dat geeft aan hoe lastig het is te bewijzen dat hij direct verantwoordelijk was voor oorlogsmisdaden. Analisten in Belgrado die de verrichtingen van de politie en de staatsveiligheidsdienst proberen te volgen, zo goed en zo kwaad als dat in Servië gaat, twijfelen er evenwel niet aan dat Simatovic lid was van het 'managementteam' van Milosevic in Kosovo.

Gezien zijn functie in de geheime dienst bestond zijn rol uit het organiseren van speciale eenheden voor speciale opdrachten: ad-hoc groepen van zeer goed getrainde militairen, politiemensen en reservisten, die op contractbasis werkten. Zulke eenheden werden voor het uitvoeren van één opdracht samengesteld en daarna weer ontbonden. Het wordt echter onwaarschijnlijk genoemd dat iemand als Simatovic persoonlijk de acties heeft geleid. Eerder was hij een 'makelaar in geweld'.

De JSO, ook wel Rode Baretten genoemd, is omschreven als een militair uitzendbureau met een harde kern van zo'n vijfhonderd 'medewerkers', gespecialiseerd in het smerige en risicovolle werk dat het leger of de gewone politie liever niet opknapt. Dat aan de JSO gelieerde elementen aan veel militaire operaties in Kosovo deelnamen, zou blijken uit het grote aantal getuigenissen waarin wordt gesproken over troepen met afwijkende uniformen, zwarte of legergroene cowboyhoeden. zwarte gezichtscamouflage en grote messen. Volgens een Engels documentatiecentrum voor oorlogsmisdaden werden allerlei verschillende groepen 'soldaten' onder auspiciën van de JSO ingezet.

"Duidelijk is dat deze groepen betrokken waren bij operaties die resulteerden in massamoorden", schrijft het centrum. "De keuze voor hun inzet hing af van de mate van geweld en het aantal doden dat per gelegenheid gewenst was door degenen die de campagne leidden. Zij hoefden zo niet zelf de orders te geven. De persoon die steeds weer opduikt als de, of een, commandant van de JSO in het conflict in Kosovo is Franki Simatovic (...)."

Biografische gegevens over Simatovic zijn schaars. In ieder geval was hij een beschermeling van de voorlaatste chef van de staatsveiligheidsdienst, Jovica Stanisic. Beide zijn jong, begin veertig, en beide hebben in Belgrado rechten gestudeerd. De twee zouden op de universiteit bevriend zijn geraakt.

Naar verluidt begon hij zijn carrière bij de geheime dienst als analist van ontwikkelingen in West-Europa. In 1990 vertrouwde Stanisic hem de afdeling 'zwarte operaties' toe, en in datzelfde jaar begon hij met het organiseren van de Servische opstand in de Kroatische Krajina tegen het regime van Franjo Tudjman. Hij zou de hand hebben gehad in het opwerpen van barricades in de omgeving van Knin, waar hij verbleef onder de schuilnaam Dragan Simendic. Daar zou hij ook de distributie van wapens en communicatieapparatuur onder de Serviërs hebben gecoördineerd. "Niets kon worden gedaan zonder dat hij geraadpleegd was", zegt een onderzoeker, die anoniem wil blijven om redenen van veiligheid.

De radicaal-nationalistische politicus Vojislav Seselj, die tijdens de oorlogen in Kroatië en Bosnië zijn eigen paramilitaire 'Grijze Wolven' leidde, zei later dat de Serviërs in Oost- Slavonië geen Orkan- en Luna-raketten op Osijek en andere steden hadden afgeschoten, omdat Simatovic had geweigerd de codesleutels ter beschikking te stellen. Om dezelfde reden werd ook Zagreb niet gebombardeerd. Simatovic was door Stanisic gestuurd om te verzekeren dat afspraken die Milosevic met Tudjman had gemaakt ook inderdaad werden nagekomen.

Volgens Kroatische en Bosnische moslim-bronnen was Simatovic later ook betrokken bij de oorlog in Bosnië. Wederom kwam weinig over zijn activiteiten naar buiten. In 1994 bracht de militaire voorlichtingsdienst van de Verenigde Naties (UN Military Information Branch) de Rode Baretten niet in verband met Simatovic, maar met de uit Australië teruggekeerde Serviër Dragan Vasiljkovic, alias Kapitein Dragan. Volgens een getuige zouden de Rode Baretten in een school in de stad Doboj meer dan 2000 moslimvrouwen hebben verkracht.

In 1995 duikt zijn naam op in verband met de Bosnisch-Servische operaties om Bihac. De Kroatische krant Globus omschrijft hem dan als een 'Servische generaal'. Hij is 'de commandant van het Korps van Speciale Eenheden van het Joegoslavische leger'.

De bron van de krant, mogelijk de Kroatische inlichtingendienst, beweerde dat Simatovic de leiding had over een gecombineerd (en mislukt) offensief van de afvallige moslimtroepen van Fikret-Abdic en de Tijgers van Arkan. En toen de Bosnische oorlog al lang was afgelopen, in september 1997, kwam zijn naam nog een keer ter sprake in verband met Brcko. 'Diplomatieke en Navo-bronnen' lieten tegenover radio B92 in Belgrado weten dat de Servische geheime dienst achter anti-Navo- demonstraties in die Bosnische stad had gezeten. Het radiostation claimde dat Simatovic bij de relletjes was gesignaleerd.

De Servische journalist Zoran Pirocanac was regelmatig in Bosnië om de oorlog te verslaan. "Ik heb Franki nog nooit gezien. En de Rode Baretten maar één keer", zegt hij. "Dat was in 1995, toen Stanisic naar Pale was gestuurd om de door Karadzic gegijzelde VN- soldaten vrij te krijgen." Lange tijd leek het Joegoslavië- Tribunaal Simatovic met rust te zullen laten. Maar na de oorlog in Kosovo hoeft het niet te verbazen dat hij nu bovenaan de lijst staat van Serviërs naar wie aanklaagster Carla del Ponte onderzoek laat doen. De verhalen die vorig jaar uit Kosovo zijn gekomen, van Albanese vluchtelingen maar ook van enkele Servische gelegenheidsmilitairen die in de pers uit de school hebben geklapt, zijn zwaar belastend voor hem.

Tijdens de oorlog steeg het aantal geruchten over 'Franki' met de dag. In opvangkampen in Albanië zijn honderden getuigenissen afgelegd over de misdaden van Servische paramilitairen, waarmee troepen werden bedoeld die afwijkende uniformen droegen. Om de anonieme Servische tegenstander een gezicht te geven, noemde het UCK hen 'Franki's Boys'.

Deze speciale troepen, onder wie veel ex-paramilitairen die in Kroatië en Bosnië hadden gevochten, konden zich voor dienst in Kosovo melden bij hotel Mladost in Belgrado, in de buurt van het stadion van Rode Ster. Vanaf eind maart verdreven ze het leeuwendeel van de Albanese bevolking uit een brede strook langs de grens met Albanië.

Militaire analisten in het Westen denken dat de Joegoslavische legertop inzag dat zo'n 'schoonmaakoperatie' door ingehuurde krachten de enige manier was om de bevoorradingslijnen van het UCK door te snijden. Dienstplichtigen zouden niet bereid zijn tot de nodige terreur. Begin april waren tienduizenden mensen uit Pec verjaagd. Het heuvelland ten westen van Orahovac was 'schoongeveegd'. Djakovica stroomde leeg. Overal in deze regio zijn later massagraven gevonden.

In de Belgradose onderwereld valt te beluisteren dat het hoofdkwartier van de speciale troepen zich in de eerste oorlogsdagen in of bij Decani bevond. Van hieruit zouden de 'etnische zuiveringen' zijn gecoördineerd door enkele hoge functionarissen van de geheime dienst, onder wie mogelijk Simatovic.

Toch zijn er omstandigheden die het moeilijk maken goed in te schatten welke rol Simatovic precies heeft gespeeld. In het team van Jovica Stanisic was hij bijvoorbeeld niet degene die de leiding had over operaties van de staatsveiligheidsdienst in Kosovo. Dat was David Gajic. Bovendien bestaat de kans dat hij na het ontslag van Stanisic door de nieuwe chef van de dienst op een zijspoor is gezet.

Voor wat het waard is: volgens een onlangs ontslagen oorlogsverslaggever van de Joegoslavische staatstelevisie RTS, Milovan Dredcun, heeft Simatovic zich tijdens de oorlog, net als Arkan, helemaal niet in Kosovo vertoond. Stanisic en generaal Momcilo Perisic moesten eind 1998 vertrekken na een soort 'bijna-coupe'. Ze waren het niet eens met de gang van zaken in Kosovo. Van Stanisic is bekend dat hij voorheen goede betrekkingen onderhield met de partij van Milosevic, de SPS.

Daarentegen wordt diens opvolger Rade Markovic gezien als 'de man van JUL' (Joegoslavisch Links, de partij van Mira Markovic, geen familie). Anders dan Stanisic werd Markovic niet uit de rijen van de dienst gerecruteerd voor de hoogste post. Voor zijn benoeming was hij politie- officier in Belgrado. Hij begon onmiddellijk met reorganisaties en haalde zijn eigen mensen de dienst binnen.

Simatovic, de rechterhand van Stanisic, heeft in de hiërarchie van de dienst wellicht een stap terug moeten doen. Zijn eerste ontmoeting met zijn nieuwe chef verliep naar het schijnt niet vlekkeloos. Op een bijeenkomst van het kader van de geheime dienst stelde Markovic zich voor als de nieuwe baas. Toen moet Simatovic iets absoluut vulgairs hebben gezegd, dat netjes vertaald neerkomt op: 'loop naar de maan'. Sommige politici van de oppositie in Servië durven te wedden dat Simatovic binnenkort tegen een kogel aanloopt.

De nooit gefotografeerde geheim agent Frano Simatovic wordt in Belgrado wel getypeerd als 'een kruising tussen John Smiley uit de spionnenromans van Le Carré en een of andere Balkanvariant van James Bond'. Hij blijft vooralsnog ongrijpbaar. En vooral schimmig.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden