DE SCHIJNTEGENSTELLING TUSSEN PUBLIEK EN PUBLIEK

Ter gelegenheid van het definitieve afscheid van Adri Duivesteijn als directeur organiseert het Nederlands Architectuurinstituut zondag een discussie over het draagvlak van het instituut. Hoe is de stand van zaken en wat is de waardering van de vakwereld voor de rol van het NAi? Robbert Roos sprak met drie betrokkenen: Carel Weeber, architect en voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten; Hans Ibelings, tentoonstellingsmaker bij het NAi en voorzitter van de ondernemingsraad; en Geert Bekaert, hoofdredacteur van Archis, het onafhankelijke tijdschrift van het NAi. Cees Straus levert met een evaluatieve overpeizing alvast een bijdrage aan de discussie. Ter gelegenheid van het afscheid van directeur Adri Duivesteijn wordt komende zondag een 'gesprek over architectuur' in het NAi in Rotterdam gehouden. Aanvang 15 uur. Deelnemers aan het door Theo van Gogh geleide gesprek zijn behalve de scheidende directeur de architectuurspecialisten Ole Bouman, Auke van der Woud en Carel Weeber en museumdirecteur Rudi Fuchs terwijl Hedy d'Ancona een afsluitend en uitluidend woord houdt. De middag kan gratis worden bijgewoond, reservering is noodzakelijk (010-44 01 200).

ROBBERT ROOS

Duivesteijn heeft zijn rol als gangmaker van het Nederlands Architectuurinstituut steeds met verve gespeeld. Misschien ook wel eens té voortvarend vindt bijvoorbeeld Geert Bekaert: “Adri Duivesteijn heeft het NAi geponeerd als instituut, het als een blok neergezet. Hij ging mee in de trend om altijd maar in het nieuws te zijn en was steeds heel oppeppend bezig. Dit heeft echter niet geleid tot een groeiend inzicht in de architectuur van vandaag, het leidde niet tot reflectie. Je ziet een triomfantelijk teken, het gebouw, maar het is een lege huls. Ik denk dat je het instituut ten dienste moet stellen van het onderzoek naar het object, de architectuur, en niet van een klakkeloze verdediging van het object.”

“Duivesteijn is een beroepspoliticus”, zegt Hans Ibelings, “en dat vraagt andere talenten en kwaliteiten dan iemand die is ingebed in de culturele wereld. Daar kwam voor een deel de spanning uit voort tussen hem en het personeel. Maar ook uit zijn manier van handelen. Ik vond die niet altijd overeenstemmen met de manier waarop ik vind dat je met mensen omgaat. Waar ik mij ook over verbaas is die discussie over de vraag of het instituut breed of smal georiënteerd moet zijn, die nu aanstaande zondag voor Adri wordt georganiseerd. Hij heeft op 15 oktober afscheid genomen, er verschijnt een bundel geschriften van hem en hij heeft een afscheidstentoonstelling gehad. Waarom dan nog die discussie? Ik vermoed eigenlijk dat hij daarmee een politiek statement wil achterlaten. Om nog één keer zijn stempel op het instituut te drukken.”

Ook Weeber heeft zo zijn twijfels: “Duivesteijn heeft de bouw fantastisch gedaan, want dat was een enorme klus, maar ik weet niet of hij het organisatorisch wel zo goed op de rails heeft gezet. Voor de bouw was het goed dat een relatieve buitenstaander het hele proces begeleidde. En ook bij de fusie was een externe figuur wel zo verstandig. Nu denk ik echter dat het tijd is voor een vakinhoudelijk mens.”

Al vanaf het begin wordt de discussie in vakkringen gevoerd of het NAi zich moet richten op het vakgebied of op het 'grote publiek'. In zijn bespreking in Archis van het gebouw van Jo Coenen omschreef Geert Bekaert het instituut als een 'Versailles voor de architectuur', waarmee hij wilde zeggen dat het NAi niet meer is dan een groot gebaar ten opzichte van het publiek. Bekaert nu, na een jaar: “Ik zeg niet dat het instituut niet publieksgericht zou moeten zijn, ik vind alleen dat de publieke factor van het instituut afhankelijk is van de inhoudelijke activiteiten. Pas als het iets te zeggen heeft, heeft het een functie voor het publiek. Als je het goed doet, formuleer je nieuwe inzichten over architectuur en die hou je natuurlijk niet voor jezelf. Op dit moment lijkt er een houding te zijn van 'de architectuur wordt miskend en dus moeten we het publiek opvoeden om de architectuur te leren kennen'. Dat is flauwekul. Je moet aangeven waarom architectuur meer is dan gevelversiering en die opvattingen komen dan vanzelf bij het publiek terecht.”

“Ik zou het willen vergelijken met het vormgevingsinstituut. Dat wil zich inwerken in het vakgebied en daar het denken hervormen door middel van onderzoek. Visies waarvan de vakwereld zou kunnen profiteren. Het NAi probeert naar mijn mening te weinig nieuwe ingangen in het architectuurdebat te vinden. Het is te veel naar buiten en te weinig naar binnen gericht.”

Hans Ibelings ziet dit, als één van de tentoonstellingsmakers, natuurlijk anders: “Er is een spanningsveld tussen wat er verwacht werd door buitenstaanders en wat het NAi zou moeten zijn. Doordat dit het enige museum is op dit terrein, ontstaat er een overbelichting van de rol van het architectuurinstituut. Je zou het tentoonstellingsprogramma zoals we het nu voeren kunnen zien als de kunstbijlage van een landelijke krant. Een slimme lezer pikt er veel van mee en ook de mensen uit het vakgebied halen er iets uit.”

Carel Weeber is over het algemeen tevreden over het niveau van de tentoonstellingen tot nu toe, al ziet hij in de architectuur van de expositiezalen een problematische factor voor goede tentoonstellingen. “Als expositieruimte is het gebouw een zware klus om te vullen. Vooral ook om de tentoonstellingen steeds weer met evenveel overtuiging te brengen. In de Beurs van Berlage zag je al dat architectuurtentoonstellingen problematisch zijn in een grote ruimte en in het NAi is dat ook het geval. De exposities zijn vaak te groot en dat hou je bij architectuur niet lang vol. Bij beeldende kunst kun je nog scannen, maar bij architectuurtekeningen niet, daarvoor moet je je inspannen om ze te kunnen 'lezen'. Ik heb in het NAi bijna nog geen tentoonstelling uitgekeken, terwijl ik toch gewend ben om met architectuurtekeningen om te gaan. Een leek redt het dus al helemaal niet. Het is alsof het een te lange film is, een Warhol-film van zes uur.”

“Wat ik wel mis is het inhaken op actuele gebeurtenissen, de signaleringsfunctie. Als bijvoorbeeld de architect Pei een ontwerp maakt voor het nieuwe hoofdkantoor van de ABN/AMRO, dan zou dat in het NAi te zien moeten zijn, met eventueel een kleine presentatie over zijn werk. Die architecten werken daar graag aan mee. Ik zou het daarnaast ook een goed idee vinden als er een soort zijlijn in het programma zou zitten, waarin consequent het oeuvre van een hedendaagse Nederlandse kunstenaar wordt belicht. Je zou voor deze presentaties bijvoorbeeld de zolder kunnen gebruik. Eén ruimte voor recente ontwerpen en een paar voor een Nederlandse architect, als een soort driedimensionaal tijdschrift.”

Ook Bekaert vindt dat er aan het tentoonstellingsprogramma het een en ander schort, al richt zijn kritiek zich meer op de inhoudelijke kant: “De exposities hebben op zich een behoorlijk niveau, maar ze zijn iets teveel op het publiek gericht en te weinig op het vak. Het is niet een kwestie van thema's, maar de manier waarop ze worden behandeld, de hoeveelheid tijd die erin wordt gestopt en de benadering ervan. Een tentoonstelling als 'Stijl' schud je niet zomaar even uit je mouw. Je moet de mogelijkheden van bijvoorbeeld het archief uitbuiten.”

“De expositieruimten zijn nu continu in gebruik met tijdelijke tentoonstellingen, vanuit de optiek dat het publiek iets geboden moet worden. De consequentie is dat je je aandacht over al die tentoonstellingen moet verdelen. Het zou beter zijn als je tot één of twee zinvolle tentoonstellingen per jaar komt en daar tussendoor opstellingen maakt met dingen uit het archief en de eigen collectie. Ik vind op zich niet dat ze het slecht doen, maar je moet een diepere laag aanboren, anders onderscheid je je niet van andere musea. Zo'n tentoonstelling over de Sovjet Avantgarde had bijvoorbeeld ook in de Kunsthal kunnen staan.”

Wat Carel Weeber mist aan het NAi is dat het te weinig een centrum voor de Nederlandse architectuur is: “Het gebouw heeft een waterhoofdkarakter. Dat is niet erg, maar dan moet je het wel vullen. En dat gebeurt naar mijn mening onvoldoende. Met de keuze voor nieuwbouw is een ambitieus plan opgezet en dat het er staat is al een hele prestatie. Maar de energie die is gestopt in het ontwerpen en bouwen van de huls is niet gepaard gegaan met eenzelfde hoeveelheid energie om die huls ook te vullen. Ze hadden er een echt centrum voor de Nederlandse architectuur van moeten maken. De instellingen die met architectuur bezig zijn zitten naar mijn mening te verspreid, het is te versnipperd.”

Blijft eigenlijk over de 'kwestie Becht'. Het bestuur had de kunstmanager Frits Becht benoemd om het instituut 'publieksgerichter' te maken, maar dat zette kwaad bloed bij het personeel. Hans Ibelings, mede als lid van de ondernemingsraad: “Het bestuur heeft een schijntegenstelling geschapen door zo te hameren op de publieksgerichtheid van Frits Becht. Alsof wij te nuffig zouden zijn om ons met het grote publiek bezig te houden. Dat is regelrechte onzin.”

“Zo'n conflict als over Becht is voor een deel terug te voeren op de manier waarop het bestuur met de ondernemingsraad communiceerde. Er was weliswaar een verschil van inzicht over de te volgen koers, maar dat had met een aantal goede gesprekken opgelost kunnen worden. We zijn het er denk ik allemaal over eens dat het instituut niet sektarisch moet zijn. Het gaat er alleen om hoe je dat invult. Wij denken dat dat beter kan door een kenner dan door iemand die blanco staat tegenover het vakgebied. We zijn een instelling voor het grote publiek, al is die groep niet zo groot als sommige mensen denken.”

Geert Bekaert heeft de benoeming van Becht met verbazing gevolgd: “Ik vond het volstrekt onbegrijpelijk. De argumenten om Becht te kiezen waren fake, daar klopte niets van. Je kunt niet de voorwaarde stellen dat alleen vakinhoudelijke mensen in aanmerking komen en er vervolgens aan voorbij gaan. Aan de andere kant kan een goed iemand, die nauwelijks vakkennis heeft, maar wel in staat is de juiste mensen te kiezen, toch die inhoud leveren.”

Als Carel Weeber tot slot wordt gevraagd of hij blij is met het NAi zoals het er nu staat, moet hij even nadenken, maar dan komt uiteindelijk toch het antwoord: “Ja, ik ben er wel blij mee. Als je voor een cultuuruiting zo'n gebouw neerzet, dan denken de mensen al gauw dat het iets moet zijn. Dat draagt dus bij aan het imago van de architectuur. Het straalt politiek ook iets uit. En daar kun je best blij mee zijn.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden