De schedel ligt in de kluis

Schrijver Marcel Möring is zes weken lang als gastschrijver verbonden aan de afdeling Nederlands van het University College in Londen. Van zijn verblijf doet hij voor Trouw wekelijks in de vrijdagkrant verslag. Vandaag zijn eerste bijdrage.

Taxirit die minstens zo lang is als de vlucht naar Londen en bijna even duur. Ergens doet iemand iets aan de weg en het gevolg is dat de binnenstad op de nachtmerrie van een ENFB-er lijkt. De lucht is zwaar van uitlaatgassen, zo ver het oog reikt staan auto's te wachten op iets dat niemand kent. Sam krijgt een appel van de chauffeur.

's Avonds in de flat, drie hoog. Georgian heet dit, een zeer ruim appartement. Het enige wat mij beangstigt is het bankstel. Alsof er vijf dode sumo-worstelaars in de kamer zitten. En dan het gasfornuis. Een gelig geëmailleerd ding dat in een vorig leven in 'nacht und nebel' dienst deed. Avondeten bij elkaar gescharreld in een delicatesse in de universiteitsbuurt. We kopen ons helemaal blind aan pre-fab eten, om thuis tot de ontdekking te komen dat we suiker, zeep, afwasmiddel, zeg maar: the essentials, zijn vergeten. Beneden, in de hal, ligt op een tafeltje 30 centimeter post van vorige bewoners. Het antwoordapparaat biedt een keur aan in vet Australisch ingesproken berichten voor Tim. Of ie belt voor ie thuis komt, wil zijn moeder weten. En dan nog een man die twee keer langdurig over 'the goods' spreekt en dat die er allemaal zijn en ... eh ... Wie is Tim?

De volgende ochtend ben ik drie uur bezig om mijn Apple aan het Engelse elektriciteitsnet te knopen. Stekker past niet in het stopcontact, stekker past niet in de convertor. Met een ontbijtmes en een aansteker werk ik de convertor bij. Geen reactie van de computer. “De accu van uw powerbook is bijna leeg. Over tien seconden gaat uw computer in de slaapstand.” Spet. Daar gaat hij. Eeuwige slaap. Ik broed, in mijn koude werkkamer, op een briljante vondst. Niet voor mijn roman, waaraan ik nu al anderhalf uur had kunnen werken, maar voor de energiecrisis. Ik probeer andere apparaten op het stopcontact, op de convertor. Alles werkt. Behalve de computer. Dan, na drie uur, denk ik aan de elektrische waterkoker. Snoer er uit, in de trafo van de computer en, ja, er is licht.

Iets na enen gaat de telefoon. De Australische radio. Zou ik niet om één uur in de studio zijn? O ... ja? Taxi. Hanneke en Sam vertrekken naar de farao's in het British Museum (sinds pesach is Sam zéér met Egypte bezig), ik race naar de AEC-studio. Een dame die Andy heet vangt mij op en wil niets van verontschuldigingen weten. Hoofdtelefoon op, de stem van mijn interviewster. Iets na twaalf uur in de nacht is het in Australië. Ik krijg thee, trek mijn colbert uit en praat en praat en praat. Over filosofie, Bosnië, Sam en Raph en Lisa. De interviewster is zeer goed voorbereid, zó goed dat ik moet gaan nadenken.

Wandelend terug en min of meer de weg kwijt. Taxi. Vlak voor het appartement, als ik de sleutels pak, schiet een man van middelbare leeftijd mij aan. Bewoon ik nummer 30? Hij is professor Presser, uit Chicago. Met zijn gezin komt hij volgend jaar acht maanden naar Londen, in dit appartement. Zou hij het mogen zien? Samen steunend de trappen op naar boven. Of ik ook professor ben ... Schrijver ... hijg ... Ah, zijn vrouw ook. Door de flat, lachend om de Engelse opvatting over gezelligheid en het gebrekkige voorzieningenniveau in dit land. “Well, to the English this is the Ritz”, zegt professor Presser.

's Avonds eten in Zelda's, een brasserie in Charlottestreet. Het zit bomvol jonge goed betaalde mensen die in de city werken. Als wij met Sam naar de eetzaal lopen oogsten we bewonderende blikken. Met een kind ergens anders uit eten gaan dan bij McDonalds is blijkbaar nogal bijzonder. Ik heb het idee dat we een nieuwe trend zetten. Aan tafel praat Sam over farao's en Engelse koningen. Hanneke en ik drinken een verrassend goede Nieuw-Zeelandse wijn. Morgenochtend kan ik eindelijk verder met de foto, de foto waarover ik vanochtend had willen schrijven.

Die foto is een familieportret. Grauw ochtendlicht, trui aan, zoemend computertje, koffie met suiker. Langzaam bouw ik het beeld op, hier die, zij daar, koffers, valiezen. Dan is het elf uur en tijd om naar de universiteit te gaan. Ik steek de straat over, dwaal tussen gebouwen die eruit zien alsof ze deel uitmaken van een Oost-Duitse machinefabriek. Trappen op, maar de verkeerde. Kom uit bij zoölogie. Onderdruk de neiging om mij daar aan te melden als professor Möring van de universiteit van Zwolle, loop terug en vindt Dutch.

De faculteit deelt een overbevolkte verdieping met Italiaans en Hebreeuws. Met het hoofd, Jane Fenoulhet, praat ik over mijn schema. Elke maandag zal ik 's ochtends meewerken in de vertaalworkshop, waar de studenten met een tekst van mij bezig zijn. 's Middags zal ik ze toespreken over Nederlandse literatuur, het canon, de literaire industrie en mijn plaats in dat geheel. Dan naar Theo Hermans, de docent die mijn college's leidt en begeleidt. We praten over boeken en schrijvers en het krappe budget van de afdeling. Iets meer dan 6 000 gulden per jaar hebben ze om de bibliotheek op peil te houden. We lopen door de ingewanden van de universiteit, langzaam doemen de eerste kwasi-Romeinse pilaren en koepelzalen op. Stoppen bij een mahoniehouten kast waarin een wassen pop van een 17e eeuwse man zit. “Dit is de stichter”, zegt Theo Hermans. “Zijn geraamte zit in die pop. De schedel ligt in de kluis.” We staan een tijd door de ruit in de kast te kijken. “Ze zeggen dat het bestuur tijdens vergaderingen een stoel leeg houdt voor hem,” zegt Hermans. Rare jongens, die Engelsen.

We lunchen in een zaal alleen toegankelijk voor de professoren. Er is gerookte zalm, er zijn diverse salades en Engelse kazen. Om ons heen zit menigeen achter een pint ale.

Terug in de flat. Hanneke en Sam weg, naar Harrods. Ik start de computer en werk aan mijn boek, verschuif een koffer, ontdek een lijntje dat hier in de oppervlakte moet worden gewerkt en schrijf en schrijf en ... Aan het einde van de middag als Sam op zijn buik op de vloer zit en met een nieuwe dubbeldekker speelt en Hanneke leest, ga ik naar buiten om kranten en wijn te kopen. Het is al donker. Bij Dillon's dwaal ik lang rond, koop de nieuwe, postume, Anthony Burgess, een Golem-editie, Time out. Dan naar de deli. Onderweg passeer ik de bedelaar die we gisteren een pond gaven. Geen sprake van opdringerig gezeur om geld, zoals tegenwoordig in Rotterdam gebruikelijk is. “Hello again. How was your day, mate?” Koop koekjes, wijn, cereals, schenk het wisselgeld op de terugweg aan de man op de stoep. We praten een tijdje en nemen dan afscheid. Als je je vaste bedelaar hebt, ben je thuis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden