De schaduw jaagt schrik aan

In Mischa Andriessens 'Huisverraad' ligt onheil op de loer

Orkaan Sandy bewijst maar weer eens hoe sterk onze levens bepaald kunnen worden door kou en storm. Ook in de poëzie van Mischa Andriessen speelt het weer een nadrukkelijke rol. Zo vormde een lange, broeierige zomer het decor van zijn debuut uit 2008, 'Uitzien met D'. Een suggestief verhaal in proza-achtige gedichten over het langzame, onvermijdelijke einde van een vriendschap tussen twee jongens. Hij kreeg er de C. Buddingh'-prijs voor.

In zijn tweede bundel is het wisselvalliger weer, de openingsregel luidt: 'De zomer was zeker voorbij'. Een van de reeksen voert door een winters landschap met een dik pak sneeuw. Een troepje jongens 'met hun vossenstaarten en geslepen wandelstokken' trekt erop uit, voor een tocht in onduidelijke richting en met een leider zonder kaart. Door de aanhoudende dreiging verdwaald te zijn, versterkt door de zweem van machtswellust die over de regels hangt, is het een onbehaaglijke serie gedichten: '"Hoor jij iets?", vroeg ik Kai,/ die sneeuw wreef over de vingers/ waarop ik zojuist was gaan staan."

In 'Huisverraad' is de wereld niet langer beperkt tot een huis, zoals in 'Uitzien met D'. Sterker, het huis is een vreemde geworden. 'Thuis' geldt niet langer als veilige haven, biedt niet langer houvast in een leven barstensvol onzekerheden, zo sijpelt in veel gedichten door: 'het donker van je eigen/ schaduw op de muur zien/ en schrikken.'

Huizen verraden hun bewoners, en de bewoners laten, al dan niet vrijwillig, hun vertrouwde stek in de steek. Al blijft déze man zijn huis wrang genoeg ook in de dood nog trouw: "De huur werd netjes doorbetaald,/ twee jaar nog, toen werd je gevonden/ waar je niet meer was/ en drong de stank naar buiten". De titel 'Huisverraad' suggereert het al: hier ligt het onheil overal op de loer.

Grote en kleine tragedies, Andriessen suggereert ze alleen: in veelal korte, ietwat gedrongen teksten en een soort 'hier-is-niets-aan-de hand-taal'. Dat procedé voert tot een hoogtepunt in een reeks voor de Hongaarse dichter Miklós Radnóti, die in 1944 een 'genadeschot' kreeg. Over hoe de oorlog je een thuis ontneemt en naar huis gaan gevaarlijk wordt: "Hij weet dat hij thuis zal worden/ opgewacht en gaat toch. Ze staan er/ vittend op kou en duisternis."

Soms leidt Andriessens taal tot spanningsloze gedichten, met uitgesleten regels als: "Iemand haalt de koud geworden koffie van tafel,/ praat tegen je,/ iemand kijkt weg als hij tegen je praat." Dat hij beeldend kán schrijven, blijkt uit dit treurige portret van mensen die condoleances in ontvangst nemen: "Hun vuilvette huid kwam los van de schedel,/ viel op hun schouders uiteen/ als grof aangesneden gevogelte."

Voor de liefhebber van barokke taalbouwsels is deze poëzie niet geschikt. "Je klopt nog eens op het raam/ en kijkt met je neus/ tegen de ruit naar binnen." Maar wie wil weten wat zich achter dat raam voltrekt, is na één lezing nog niet uitgekeken.

Mischa Andriessen: Huisverraad. De Bezige Bij, Amsterdam; 64 blz. € 16,50

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden