De routine van de vernieuwing

,,In de supermarkt is alles Nieuw!, maar een oldtimer werkt een sterker gevoel van vernieuwing in de hand dan de allerjongste tweedehands, of zelfs een splinternieuwe wagen.' Patricia de Martaelare over creativiteit, iets origineels en de gruwelijke verveling van de beschaafde mens.

Toen onze oude kat - die inmiddels overleden is, en inmiddels hebben we ook al een nieuwe - op een dag haar kattenvoer onaangeroerd liet staan, dachten we dat ze ziek was. Ettelijke jaren lang was ze verlekkerd geweest op de kattenbrokken van het merk Friskies, en nu wilde ze er zelfs niet meer aan ruiken. Maar haar gedrag was niet dat van een zieke kat: ze streek luid mauwend langs onze benen en gaf op alle mogelijke manieren te kennen dat ze liever wat anders beliefde. We probeerden simpelweg een ander merk kattenbrokken - Whiskas. Het was meteen raak - je had er zo een reclamespot bij kunnen maken.

Denkend over verandering en vernieuwing vroeg ik mij terstond af: wat is hier aan de hand? Waarom is iets wat zo lang goed bleek, opeens niet goed meer? Is er dan ook bij dieren zoiets als een behoefte aan vernieuwing? Of alleen bij sommige dieren (huisdieren misschien?) En is die behoefte er eigenlijk wel bij de mens? Is het een natuurlijke behoefte, of alleen maar een cultuurtrend, op de spits gedreven door economische motieven? In de natuur zou een wilde kat er uiteraard nooit toe komen jarenlang een eenzijdig menu te verorberen - in de natuur is afwisseling genoeg, waarom zou er behoefte zijn aan vernieuwing?

Onze kat was oud, en een paar jaar later ging ze dood. Ze werd oprecht betreurd - oprecht, maar niet heel lang, want eerlijk gezegd vonden de kinderen al lang dat je daar niets meer aan had, aan een oude kat. Toen ze dood was gingen we dus meteen een nieuwe halen, zo'n springlevend jong ding dat terstond alle harten veroverde.

Een nieuwe lente en een nieuw geluid. Iets nieuws trekt de aandacht. Het oude is het bekende en het vertrouwde, dat nauwelijks nog wordt opgemerkt omdat het geheel behoort tot de routine. En routine leidt al gauw tot sleur en verveling. Maar in het geval van de nieuwe kat was er duidelijk nog een andere omstandigheid in het spel: het was niet alleen een nieuwe kat, maar ook nog een jonge kat. Hadden we de oude kat vervangen door een andere oude kat, dan had die allicht wel kunnen rekenen op een paar dagen verhoogde belangstelling vanwege de kinderen, maar niet, zoals in het geval van de jonge kat, weken- of zelfs maandenlang. Er is met het 'jonge' kennelijk iets speciaals aan de hand dat ontbreekt in het louter nieuwe als het onbekende. Wie altijd al met tweedehandswagens heeft gereden en de ene tweedehands inruilt voor de andere, ervaart hierbij onmiskenbaar een soort van vernieuwing, maar de geestdrift die ermee gepaard gaat verzinkt in het niets vergeleken bij die na de aanschaf van een écht nieuwe wagen. Merkwaardig is wel dat een échte oldtimer dan weer een sterker gevoel van vernieuwing in de hand werkt dan de allerjongste tweedehands, of zelfs een splinternieuwe wagen.

Vooral in dit laatste geval blijkt duidelijk de invloed van economische en sociale motieven op wat als 'nieuw' zal worden ervaren. Het nieuwe hoeft niet echt, in de materiële zin, nieuw te zijn - het mag ook oud zijn, maar dan bij voorkeur heel oud, een antiquiteit, een rariteit, iets wat alom opvalt en waarvan iedereen weet dat het heel veel heeft gekost. Omgekeerd wordt ook lang niet alles wat materieel nieuw is door de toeschouwer of eigenaar als nieuw ervaren. Iemand die zijn kapotte keukenstoel of percolator vervangt door een andere, die in alle opzichten identiek is zal nauwelijks het gevoel hebben iets nieuws in huis te hebben gehaald. De facto is de kans echter bijzonder groot dat het nauwelijks een paar jaar na de aankoop van een meubelstuk of apparaat geheel onmogelijk is om ergens nog precies hetzelfde product te vinden. De economie staat het ons niet toe objecten die oud of versleten zijn zonder meer te vervangen door identiek dezelfde objecten - binnen de kortste keren is er wel een of ander onderdeel aan gewijzigd, en steeds wordt de betreffende wijziging gepresenteerd als een verbetering en dus een vooruitgang. Dat zulks het geval is met technische apparatuur valt nog enigszins aannemelijk te maken, maar ook van de meest elementaire gebruiksvoorwerpen verschijnen om de haverklap nieuwe varianten onder het voorwendsel dat ze nog beter zouden zijn dan alle voorafgaande. Zelfs het toiletpapier wordt almaar beter: je kunt het nu ook krijgen met vier in plaats van drie lagen, met parfum van lelietjes-van-dalen of mandarijntjes en in de nieuwste pasteltinten.

Je vraagt je af hoe het komt dat zoveel mensen depressief zijn, want een simpele wandeling door een supermarkt zou eigenlijk al een existentiële opkikker van jewelste moeten bezorgen. Wat blijkt namelijk? Alles is nieuw! Van de yoghurt tot de wasverzachter, de cornflakes, de chips, de mayonaise en de tandpasta: alles is, volgens de etiketten, aangepast, verbeterd, verrijkt en ook nog eens wetenschappelijk getest. Wij westerlingen lijken op de hielen gezeten te worden door de pathologische angst iets beu te zullen worden, iets te herhalen, ons niet te vernieuwen en dus oud te worden. 'Hij valt in herhaling', zeggen critici en recensenten over schrijvers die niet snel genoeg iets nieuws bedenken, en 'dat hebben we al gezien', over theaterstukken en dansvoorstellingen. 'Daar ben ik al geweest', verzucht de moedeloze wereldreiziger die de nieuwe prospectus doorbladert op zoek naar een nieuwe bestemming. 'Ik heb niets om aan te trekken' - de klacht van de jonge vrouw voor haar overvolle kleerkast waarin niets nieuws blijkt te hangen. Is het een wonder dat ook de huwelijken angstvallig op peil moeten worden gehouden door psychologische verrassingsstrategieën die de sleur - de 'moordende' routine - moeten omzeilen? Bloemetje meebrengen, dineetje bij kaarslicht, minitrip naar Parijs, nieuwe sexy lingerie, en als het allemaal niet mag baten: een nieuwe vrouw, die niet zelden ook nog een jongere blijkt te zijn.

Zelfs de geschiedschrijving, die zich ogenschijnlijk uitsluitend interesseert voor het verleden ls verleden, blijkt uiteindelijk steeds de vernieuwende lijn op het oog te hebben die naar het heden voert en van daaruit de poorten opent naar een nog betere toekomst. Denken we alleen nog maar aan de naamgeving van de historische perioden: eerst had je de Oudheid, en na de Middeleeuwen komt de Nieuwe Tijd, zowaar gevolgd door de Nieuwste Tijd (als kind vraag je je af of daarna dan de Allernieuwste Tijd moet komen, en de Spiksplinternieuwste Tijd - en waar dat dan heen moet met al die vernieuwing).

De wetenschap heeft op andere sectoren van de menselijke cultuur voor dat zij van specifieke onderdelen van vroegere theorieën kan aantonen dat zij onjuist, vertekenend of onvolledig waren, en dat de huidige dus wellicht inderdaad beter, in de zin van juister zijn. Maar ook in andere domeinen poogt men met alle middelen de suggestie te wekken dat het vroegere voorbijgestreefd en achterhaald is, en dat er dus wel degelijk een vernieuwing in de zin van een vooruitgang is. Het volstaat om een zienswijze of een product als 'oudbakken' of 'ouderwets' te bestempelen opdat iedereen die er een lichte sympathie voor zou kunnen hebben, zich zou voelen ineenkrimpen van schrik: hij raakt achterop, hij is niet meer bij, hij gaat niet mee met zijn tijd - alsof het een wedstrijd was naar een bepaalde finish toe. Tegenover 'oudbakken' staat dan 'baanbrekend' of 'vernieuwend' - met de haast onvermijdelijke implicatie dat het oude verkeerd is of intussen zijn waarde heeft verloren, al is dat in de meeste gevallen niet eens overtuigend bewezen.

Van alle onderdelen van de westerse cultuur is het wel de kunst die er het meest prat op gaat non-conformistisch te zijn en de heersende burgerlijke waarden in vraag te stellen. Maar uitgerekend in de kunst wordt het alom weergalmende ideaal van de vernieuwing om de vernieuwing op het hoogste voetstuk geplaatst. Door het nieuwe uit te roepen tot de artistieke waarde bij uitstek loopt de kunst in feite de economie achterna en is ze geenszins vernieuwend, maar zo conformistisch als wat. De boodschap van de kunst is in wezen geen andere dan die van alle andere producten van de maatschappij: kijk, dit is nieuw, dit werd nog nooit gedaan, nog nooit gezien, nog nooit gehoord (is het niet schokkend?). Want het toppunt van met-zijn-tijd-meegaan is natuurlijk op-zijn-tijd-vooruit-zijn, en daaraan wordt zowel het wetenschappelijke als het artistieke genie gemeten: hij is de pionier, de eerste om nieuwe gebieden te betreden, de trendsetter, de avant-gardist. Creativiteit wordt op deze manier stilzwijgend gelijkgesteld met originaliteit of daar zelfs zonder meer toe gereduceerd. In werkelijkheid is er echter een belangrijk verschil tussen beide, en wel omdat 'creativiteit' verwijst naar een activiteit als zodanig, terwijl het 'originele' alleen maar bestaat bij gratie van zijn referentiekader. Verplaats een creatieve act millennia verder de toekomst in en ze blijft haar creativiteit behouden - verplaats het originele naar een iets later tijdstip en het heeft al niets origineels meer. Het is dan ook, alles welbeschouwd, niet zo moeilijk om origineel te zijn zonder écht creatief te zijn - je hoeft alleen in te gaan tegen bepaalde verwachtingspatronen, die je desgewenst van tevoren zelf in het leven kunt roepen. De reclame heeft er een handje van weg om in een bliksemsnel tempo verwachtingen te genereren en vervolgens te doorbreken - het effect is er een van verrassing en bijgevolg van verhoogde aandacht. Ook de mode werkt fundamenteel volgens het repetitieve procédé van uniformisering en originaliteit. Jaar na jaar, seizoen na seizoen, zien we hetzelfde gebeuren: nieuwe kleuren en vormcombinaties die als 'origineel' worden bestempeld doen massaal hun intrede zodat binnen de kortste keren iedereen er hetzelfde bij loopt, en het soms in een bepaald seizoen ronduit onmogelijk wordt om een kledingstuk te kopen in een kleur die tot het vorige seizoen behoorde. Het lijkt alsof de mode er alles voor doet opdat iedereen de mode zo snel mogelijk beu zou zijn - zodat de nieuwe mode met gemak kan worden gepresenteerd als hoogst origineel, en zelfs als een bevrijding van het dwangbuis van de vorige mode, die intussen een uniform is geworden. De 'vernieuwende' kracht van de mode blijkt zodoende evenredig te zijn met haar vermogen tot uniformiseren en standaardiseren - ze kan slechts als origineel verschijnen wanneer ze van tevoren iedere vrije creativiteit heeft onderdrukt of drastisch ingeperkt. Laat iedereen dragen wat hij wil (dat wil zeggen maak de diversiteit simultaan en niet in de tijd gespreid) en er zal geen vernieuwing zijn, om de simpele reden dat er vanzelf al voldoende afwisseling en variatie zullen zijn.

Maar net hetzelfde gebeurt eigenlijk, onder veredelde benamingen, in de wereld van de kunst: ook daar worden de opeenvolgende stromingen beschreven als een continu vernieuwingsproces met een suggestie van vooruitgang, zodanig dat wie 'nu nog' zou schrijven of schilderen zoals honderd jaar geleden zich alleen maar onsterfelijk belachelijk kan maken. Even belachelijk als wie zijn pantalon met brede pijpen uit de kast zou diepen in een tijd waarin iedereen nauwsluitende pantalons met smalle pijpen draagt. Zoiets kun je blijkbaar niet doen, al kan niemand precies aangeven waarom eigenlijk niet. Temeer daar het doorgaans volstaat om een strategisch moment af te wachten opdat de ouderwetse pantalon - in een lichtjes gewijzigde combinatie - plots weer hoogst origineel zou worden. Net zo in de kunst: als je lang genoeg wacht wordt het oude weer nieuw - het wordt dan 'neo' genoemd en wordt opnieuw interessant. En wie eenmaal een strategische positie bekleedt in de wereld van de kunst of van de mode hoeft zelfs niet meer af te wachten: hij kan zich lles veroorloven, het zal hoe dan ook vernieuwend zijn. Originaliteit valt in zulke gevallen zonder meer samen met lle willekeurige verrichtingen van een gezaghebbend persoon die eens en voorgoed de status 'origineel' heeft verworven.

De vraag blijft wat nu eigenlijk de inherente betekenis of waarde is van deze in onze maatschappij zo onvoorwaardelijk gecultiveerde originaliteit. Het antwoord zou wel eens veel nuchterder kunnen zijn dan de gevleugelde bewoordingen waarin het originele wordt bezongen. Het basisgegeven van de cultuur is misschien niet zozeer het originele zelf - al steekt dat natuurlijk alom de ogen uit - maar datgene waaraan het originele voortdurend moet remediëren: de routine, de gruwelijke verveling van de beschaafde mens. In tegenstelling tot wat men ons wil laten geloven bestaat er in de natuur geen routine - net zomin als excessief enthousiasme overigens. De vogels bouwen hun nesten en vliegen af en aan met wormen zonder dat ooit beu te worden. Maar ze hoeven dan ook niet dag in dag uit net dezelfde dingen te doen op net dezelfde tijdstippen - ze hoeven niet 'stipt' te zijn en 'exact' - ze mogen al eens een worm laten vallen of zelf opeten, of even in de zon blijven suffen, of een bad nemen in een frisse plas. En de andere vogel die zit te broeden en verder niets omhanden heeft begint zich heus niet te vervelen.

Routine is de cultuurcreatie bij uistek. Hoe beschaafder een cultuur, hoe groter de routine en hoe groter de waarde die gehecht wordt aan originaliteit - maar helaas ook hoe sterker de neiging om ook het originele te laten ontaarden tot routine. Het wordt een ware escalatie, een almaar sneller wordende opeenvolging van sleur en vernieuwing - zoals blijkt uit twee tragikomische figuren van het welvarende Westen: de vakantieganger en het verwende kind. De zomerfiles naar de kust of naar het zuiden verschillen uiteindelijk in niets nog van de dagelijkse files naar het werk, en de verveling van het verwende kind overtreft zelfs die van het kind dat niets bezit. Vervaardigers van pedagogisch verantwoord en milieuvriendelijk speelgoed verzetten zich zogenaamd tegen het gecommercialiseerde op-batterijen-werkende speeltuig en komen met iets nieuws en - hoe kan het ook anders - origineels op de markt, dat zowaar de eigen creativiteit van het kind zal moeten stimuleren. Voorafgaand aan dit onontbeerlijk geachte stimuleren ligt echter een ontzaglijke reductie van de creativiteit van het kind: het kind wordt, zoals het huisdier, binnenshuis gehouden, om niet te zeggen: opgesloten. Ook voor katten en honden, parkieten en hamsters, en zelfs goudvissen in hun ronde bokalen, bestaat tegenwoordig verantwoord speelgoed in de handel, om ter origineelst, met kleuren en geluiden die de aandacht moeten prikkelen en die moeten verhinderen dat dierlief zich, zoals zijn baasje, zou gaan vervelen. Maar zet de deuren wagenwijd open en geen kat heeft nog behoefte aan iets nieuws of prikkelends - de gewoonste dingen zijn al prikkelend genoeg: een dorre tak, een mier, een dwarrelend blad - wie vraagt nog om een opwindbare muis of om een plastic beertje dat piept?

In een maatschappij als de onze zou iets pas écht nieuw zijn als het de waarde van het oude verdedigde. Niet het oude in de zin van het exclusief oude (de Stradivarius, de Rembrandt, de oldtimer), noch het oude als het nostalgisch oude (pannenkoeken op grootmoeders wijze) of het ecologisch oude (natuurproducten zonder kleur- en smaakstoffen) - en zovele andere verhulde vormen van vernieuwing - maar het oude in de doodgewone zin van het doodgewone - het vanzelfsprekende dat onze aandacht niet nog eens extra hoeft te prikkelen, het er-zijn van de dingen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden