De rotgans, een leven tussen de Wadden en Siberië

Elk jaar overwinteren grote troepen rotganzen in Zuidoost-Engeland, West-Frankrijk en Nederland. In ons land verblijven er soms zo'n veertigduizend, in de andere landen enige honderdduizenden. Je ziet ze hier hoofdzakelijk in het Waddengebied en de Delta, want de rotgans is aan zeekusten gebonden. Familiegroepjes verblijven soms aan de Hondsbosse Zeewering en op de pieren van IJmuiden. Ze zijn lang zo schuw niet meer als vroeger, toen op rotganzen werd gejaagd.

Sinds de jacht op deze soort verboden is, gaat het goed met de rotganzen. Ze zijn enorm in aantal toegenomen. Niet iedereen is daar blij mee. Boeren krijgen wel een schadevergoeding voor ganzenvraat, maar het aantal klachten bij het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij groeit met het jaar. Dat was voor het departement een reden het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN) opdracht te geven zich in de rotgans te verdiepen, met als uiteindelijk doel een model te ontwikkelen om de toekomstige aantallen overwinterende ganzen en de schade die zij aan landbouwgewassen zouden aanrichten te kunnen voorspellen.

Aanvankelijk beperkte het onderzoek zich tot de overwinterende ganzen, die van individueel herkenbare kleurringen werden voorzien en met de telescoop werden geobserveerd. Daarbij bleek dat onder de overwinterende vogels in het ene jaar veel jongen zijn, tot wel vijftig procent, en in het andere jaar bijna geen jong aanwezig is. De jongen zijn gemakkelijk van de volwassen rotganzen te onderscheiden door de lichte randen van de vleugeldekveren en de ontbrekende of maar vaag zichtbare halsvlek.

De verschillen in broedsucces waren natuurlijk al eerder bekend. Ze werden toegeschreven aan de hoeveelheid sneeuw en ijs op de toendra als de vogels in hun broedgebied arriveren (ze leggen pas als de sneeuw smelt), aan hun conditie bij aankomst en aan de dichtheid aan belagers van eieren en jongen. Natuurlijk zijn al die factoren direct van invloed, maar de ecologische samenhang bleek toch ingewikkelder, toen Bart Ebbinge en Bernard Spaans van het IBN hun onderzoek verlegden naar de Noord-Siberische broedgebieden van de rotgans. Samen met Russische biologen hebben zij zes zomers achtereen het broedgedrag van de rotgans onderzocht op het schiereiland Taimyr.

DRIE ONDERSOORTEN

De Nederlandse rotganzen zijn hoofdzakelijk zwartbuikrotganzen, de ondersoort die in Siberië broedt. De witbuikrotgans uit Groenland en Spitsbergen overwintert voornamelijk in Ierland, Noordoost-Engeland en Denemarken en komt in maar kleine aantallen naar ons land. Ook enkele exemplaren van de derde ondersoort, de zwarte rotgans uit Oost-Siberië en Noord-Canada, overwinteren hier elke winter.

De rotganzen leven hier van wieren, zeegras en kwelderplanten. In het voorjaar concentreren zij zich in het Nederlands-Duits-Deense Waddengebied. Omstreeks 21 mei vertrekken de laatste rotganzen van Texel, waar je half mei nog flinke troepen kunt zien grazen in de polder Eendracht achter de Schorren, in de Mokvlakte en de zilte weiden van 't Stoar. Na 4500 kilometer vliegen arriveren ze half juni op hun broedplaatsen. Ze leggen die afstand niet in één ruk af, wat best in twee tot drie etmalen kan, maar doen er ruim drie weken over, wat betekent dat ze onderweg nogal eens pleisteren. Dat is ook logisch, want in de maanden april en mei hebben ze niets anders gedaan dan zich volvreten aan eiwitrijke planten om energie op te doen voor het broeden en dat gaan ze niet teniet doen door zich af te peigeren. Hoe zwaarder de rotganzen, wanneer zij in het broedgebied arriveren, hoe meer kans op broedsucces. Te lichte ganzen gaan niet eens tot broeden over.

AAN DE POOL

Ganzen zijn dagdieren, die alleen op maanlichte nachten foerageren. Omdat ze de nacht schuwen, biedt de poolzomer hun de mogelijkheid het etmaal rond actief en waakzaam te zijn. Het feit dat de zon in de poolzomer niet ondergaat, moet belangrijk bijdragen in het broedsucces, omdat belagers van eieren en jongen niet ongezien kunnen naderen. Die belagers zijn poolvossen, sneeuwuilen en zilvermeeuwen.

Stapelvoedsel van poolvossen en sneeuwuilen zijn lemmingen, aan onze veldmuizen verwante knaagdiertjes. De vossen en de uilen laten de rotganzen grotendeels met rust, als er genoeg lemmingen zijn. In dat jaar is het broedsucces van de ganzen groot. Dat zie je dan weerspiegeld in de overwinteringsgebieden aan de ganzengezinnen met jongen.

Lemmingen kunnen zich snel voortplanten. Een vrouwtje krijgt meermalen per jaar een stuk of acht jongen, die op hun beurt na een paar maanden zelf ook weer jongen kunnen krijgen. Eens in de drie jaar bereiken lemmingpopulaties een piekjaar, waarin ze zoveel voedsel nodig hebben dat ze gaan trekken. Omdat er in topjaren voedsel in overvloed is, brengen uilen en vossen veel jongen groot. Na een piekjaar stort de lemmingpopulatie door gebrek aan voedsel in. Het is voorgekomen dat alle poolvossen in een groot gebied tijdens de poolwinter het loodje legden door gebrek aan lemmingen. Als ze de winter overleven, moeten vossen en uilen omzien naar ander voedsel. Er komt dan geen ganzenkuiken groot. Sommige ganzenparen sparen hun energie en doen in zo'n mager lemmingjaar niet eens een poging om te broeden.

ROOFZUCHTIGE MEEUWEN

Zowel in goede als slechte lemmingjaren vallen veel kuikens ten offer aan zilvermeeuwen. Toch broeden rotganzen graag in meeuwenkolonies of in de buurt van een sneeuwuilennest. Tussen de meeuwen zijn ze betrekkelijk veilig voor vossen en sneeuwuilen, in de buurt van de uilen voor de vossen. Pas als de eieren zijn uitgekomen, beginnen de echte problemen. De ganzen verlaten met hun kuikens de eilanden en trekken naar de voedselrijke oevers van de rivieren op het vasteland. Op de gevaarlijke tocht van het nest naar het water vallen de meeste kuikens aan de meeuwen ten offer en op het vasteland krijgen vossen en uilen alle kansen om kuikens te pakken.

Rotganzen broeden niet overal op de uitgestrekte toendra. Door de poolvossen worden ze gedwongen te broeden in een beperkt gebied, namelijk op de eilanden in de Piassina-delta. Daarom kan de populatie niet eindeloos doorgroeien: de ruimte raakt op. Zelfs in lemmingjaren komen nu al minder jongen groot, wat betekent dat de populatie zijn top bijna heeft bereikt.

De cineasten Tijs Tinbergen en Jan Musch hebben een televisiedocumentaire gemaakt over 'onze' rotganzen in Siberië. Die geeft niet alleen het leven van de rotgans weer in de ijzige toendra, maar ook de ontberingen die de onderzoekers moeten doorstaan om aan hun gegevens te komen. De film zal dit jaar nog worden uitgezonden.

Natuur deze week

De natuur kent geen voorjaarsmoeheid. Fluitenkruid en brandnetel vormen frisse groene scheuten in het nog tamelijk bruingroene bermgras. In houtsingels en heggen groeien de kiemplantjes uit van kleefkruid, nagelkruid en springzaad. In de stad bloeit het straatgras alweer op de trottoirs en tegen de voet van huismuren. In zonnige en luwe tuinen bloeien de winterakonieten al een week. Daar staan nu ook de sneeuwklokjes in volle bloei. De boeren- of terpkrokussen tonen lila bloemknoppen tussen het sprietige blad. - De kieviten zijn terug in het land, maar dat zijn niet onze eigen broedvogels. Ze horen thuis in noordelijker gelegen gebieden. Het betekent wel dat er weer regenwormen - het hoofdvoedsel van kieviten in de winter - actief zijn in de weiden. Daarop duiden ook de vele verse molshopen. - Ook de lepelaars zijn uit het zuiden terug. Als het niet echt wintert, arriveren deze beroemde broedvogels van de Waddeneilanden, het Zwanenwater en de Oostvaardersplassen met Sint-Pieter (22 februari, dus vandaag) op hun broedplaatsen. - Aalscholvers zag je hier zelden in de winter. Ondanks een felle koudeperiode zijn er nu veel binnen onze grenzen gebleven. Ze waren te zien op open water in de grote rivieren, in vissershavens en op zee dicht bij de kust. Nu zoeken ze de broedkolonies op, waar ze nestelen in bomen die door het afbreken van dikke takken en door de scherpe uitwerpselen op den duur dood gaan. In het Naardermeer broeden de aalscholvers op de grond. In de broedtijd hebben volwassen aalscholvers witte veertjes op kop en nek en een grote witte dijvlek, die in de winter ontbreken. De rugveren zijn dan ook meer bronsgroen dan zwart en geven de rug een geschulpt voorkomen. - Houtduiven koeren en baltsen druk. Het paar dat vorig jaar jongen grootbracht in onze watercipres, nestelt weer op dezelfde plek. - De eerste zingende vink is ook alweer gehoord.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden