De Romeinste aller Romeinen

Caesar kwam op het juiste moment voorbij in de geschiedenis, schrijft Adrian Goldsworthy in zijn overtuigende biografie. De veldheer-politicus kon eenvoudig niet verliezen.

Adrian Goldsworthy: Caesar. Vert. door Corrie van de Berg en Carola Kloos. Anthos-Manteau, Amsterdam. ISBN 9789041411402; 640 blz. euro 29,95

’Wat zou Julius Caesar doen in Irak? Hij zou winnen”, schreef een Amerikaans journalist bij het uitkomen van de nieuwste biografie over Julius Caesar. Caesar zou winnen, zoals hij ook in Gallië had gewonnen. Hij kon nu eenmaal niet verliezen, dat lag niet in zijn aard, en bovendien was een overwinning op de beschaving bedreigende barbaren van het slag Asterix en Obelix het beste wat Caesar aan zijn eigen politieke carrière kon bijdragen.

In de paar regels van de scribent van de Los Angeles Times leken honderden jaren van bewondering door te klinken. Eeuwenlang was Caesar het grote voorbeeld van zowel krijgskundig als staatkundig bijna bovenmenselijk vakmanschap. Napoleon erkende maar één soldaat boven hem: Julius Caesar. De kleine korporaal, die net zo onder de indruk van zichzelf als Caesar van Caesar moet zijn geweest, las en herlas de bello Gallico (Caesars succesverhaal van de Gallische Oorlog) alvorens hij ten veldslag trok. Mussolini, die Caesar na Christus de ’grootste mens aller tijden’ noemde, werkte hoogstpersoonlijk aan een toneelstuk en een film over de ’Romeinste aller Romeinen’.

Maar niet alleen deze martiale mannen liepen weg met Caesar. Dante prees de Romein in zijn ’Divina Commedia’ als de vroege grondlegger van het wereldrijk der christenheid. Soortgelijks zou de Duitse historicus Theodore Mommsen doen in zijn befaamde ’Römische Geschichte’ (1854-1856), waarin hij dweepte met Caesars kosmopolitisme en volkenverenigende daadkracht. En ook een zestiende-eeuwse laat-renaissance-schrijver als De Montaigne roemde de veldheer-politicus in talloze essays om zijn wijsheid en strategisch vernuft.

Maar er was ook afkeer. Ruim achttienhonderd jaar na Caesar maakten nota bene de macht- en moordbeluste Franse jakobijnen van diens Wille zur Macht een probleem. Twee eeuwen nadien vroeg de journalist van de Los Angels Times zich af wat hij aan moest met de dan weer clemente en dan weer massamoordende generaal, die liet plunderen en verkrachten of juist genade voor recht liet gelden al naargelang het hem politiek voordeel opleverde.

Caesars al dan niet vermeende opportunisme beneemt nog altijd als een zwarte vlek het zicht op de historische figuur. Als edel personage lijkt hij alleen nog geloofwaardig in de strip over dat ene Gallische dorpje dat niet veroverd kon worden. Hij is een voorbeeldfiguur gebleken voor precies de verkeerde mannen uit de geschiedenis (tot grote schade voor zijn beeldvorming ging hij de nazitijd fungeren als een rechtstreekse voorloper van de Führer). Caesars persoon staat voor de strijd tussen de fundamentele politieke principes die in het Rome van de eerste eeuw v. Chr. woedde; de strijd, die wij eeuwen later graag interpreteren als die tussen democratie en dictatuur. En al kiezen wij vanzelfsprekend voor de democratie en bewieroken wij de ’sterke man’ van vóór de jaartelling niet meer als Dante en De Montaigne deden; dat zijn naam in het aangezicht van de eigentijdse barbaarse bedreiging van het Westen in een gerenommeerde Amerikaanse krant in één adem genoemd wordt met de oorlog in Irak, het kan haast geen toeval zijn.

Maar is er nog eer te behalen aan de figuur van Caesar, of is hij uitsluitend ’fout’ verleden geworden? De auteur van de nieuwste biografie – het in de Los Angeles Times gesignaleerde boek – concludeert dat hem veroordelen makkelijk is. Bewonderen is evenwel verstandiger en redelijker, vindt de schrijver, want Caesar was ’een groot man’. Op beslissende momenten had hij net dát, wat anderen ontbeerden. De ene keer was dat geluk, de andere keer doorzettingsvermogen, geduld, moed, prudentie, onverstoorbaarheid en het vermogen om op het juiste moment te netwerken, zoals we dat tegenwoordig zouden noemen.

Militair historicus Adrian Goldsworthy, vertelt in ’Caesar’ leven en daden van de gebiografeerde in chronologische volgorde, en doet dat op de wijze zoals Angelsaksische geleerden dat doorgaans doen: met vaart en oog voor het sappige detail (wat bij vrouwengek Caesar heel goed werkt, omdat hij nu eenmaal het echtelijke bed van medesenatoren als politiek terrein beschouwde; een veroverde vrouw betekende onzichtbare macht over een mogelijke concurrent). We zien de bijna levenslange aanloop naar een carrière die voor Caesar irritant lang heel gewoontjes leek af te lopen – bij het aanschouwen van een standbeeld van Alexander de Grote in een Herculestempel raakte hij zowat in een depressie; op de leeftijd waarop Alexander de halve wereld al had veroverd had hij namelijk nog niets noemenswaard gepresteerd. Keerpunt in de loopbaan van de laatbloeier is de oorlog in Gallië, waar hij, na zijn consulaatschap, als opperbevelhebber naartoe wordt gestuurd in opdracht van de senaat. Hij verovert inderdaad bijna heel Gallië, en de rest is geschiedenis, ben je geneigd te schrijven. Want in de door Caesar ontketende burgeroorlog waren zijn tegenstanders (Pompeius en een groot deel van de senaat) geen partij.

Tot zover de bekende feiten die door Goldsworthy elegant en in de delen over de veldslagen af en toe ietwat te uitgebreid worden verteld –- maar zoiets is de militair historicus nauwelijks kwalijk te nemen. Het fundamentele belang van het boek is dat het overtuigend laat zien dat Caesar daadwerkelijk de ’Romeinste aller Romeinen’ was. Caesar was een gokker, zoals alle machtshongerende collega’s uit de Romeinse elite gokkers waren. Hij gokte alleen beter. De republiek die hij elimineerde was al geruime tijd ziek en feitelijk stamde de strijd tussen de ’senatorenpartij’ van oude stempel en de populisten van het type Caesar al van vóór zijn tijd. Caesar kwam op het juiste moment voorbij in de geschiedenis (en verliet deze vroegtijdig door één foute inschatting in zijn leven, rond de zogenoemde idus van maart in 44 v. Chr.).

En hoe zit het ondertussen met de Gallische dreiging en Caesars antwoord daarop, dat de Amerikaanse journalist zo intrigeerde? Wel gokker, geen opportunist inzake de buitenlandse politiek, zou Goldsworthy schrijven. Caesar begreep dat politieke macht uit de punt van een zwaard kwam, en zorgde ervoor dat ook de Galliërs dat begrepen (anders dan in onze tijd hoefde hij van de publieke opinie niet op een dode meer of minder te kijken). Maar als het even kon pacificeerde hij de barbaren met beperkt zelfbestuur en met zoete woorden. Ook al beschouwde hij zijn eigen cultuur als superieur, Caesar prees de Galliërs om hun dapperheid. „De dappersten van hen allemaal zijn de Belgen”, schreef hij. Zo kun je dus ook verbale oorlog voeren met de vijand waar de beschaafde wereld ’s nachts van wakker ligt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden