De Robin Hood van het vrije woord

Wat drijft een columnist? En in het bijzonder een columnist van het kaliber J. A. A. van Doorn, scherpzinnig socioloog, historicus van formaat en een begenadigd essayist. De vraag kan hem niet meer worden voorgelegd. Woensdag is hij op 83-jarige leeftijd overleden. Maar lezers die de afgelopen zeven jaar zijn columns in deze krant hebben gevolgd, zal het niet zijn ontgaan dát hij gedreven was en vrijwel geen week ontbrak, ook niet toen een paar jaar geleden bleek dat hij kanker had en het langzaamaan bergafwaarts met hem ging. Hij bleef schrijven, tot het enkele weken geleden echt niet meer lukte.

Achteraf kunnen we vaststellen dat in die paar jaar nog het duidelijkst naar voren is gekomen wat hem dreef. Hij gebruikte ze namelijk om al zijn kennis en ervaring (en die leek vaak onuitputtelijk) in stelling te brengen tegen de gekte die de Nederlandse samenleving na de moord op Fortuyn en na de moord ook op Van Gogh in haar greep leek te hebben gekregen. Die gekte paste niet in zijn wereldbeeld, stuitte hem als redelijk denkend liberaal tegen de borst en bovenal was hij de mening toegedaan dat Nederland, met zijn geschiedenis, beter kon weten. Vanwege die opstelling kon deze liberaal pur sang bij Trouw-lezers een potje breken en omgekeerd ging Van Doorn (van huis uit een echte NRC-man) zich bij Trouw meer en meer thuis voelen.

Van Doorn behoorde tot het type columnist voor wie niet zozeer de mening telt, laat staan zijn persoonlijke mening, als wel de analyse en de argumenten. Bovendien beschikte hij op grond van zijn leeftijd en ervaring over een ruime tijdshorizon. Daarvan getuigde ook zijn vorig jaar verschenen en bewonderde boek: ’Duits socialisme, het falen van de sociaal-democratie en de triomf van het nationaal-socialisme’, een uiterst leesbaar relaas over de opkomst van Hitler en het echec van links. Gewapend met al die kennis en zijn analytisch vernuft hield hij de natie een spiegel voor, als een toonaangevend opinieleider om wie niemand met goed fatsoen heen kon.

Zulke hoogdravende woorden waren overigens aan Van Doorn niet besteed. Toen een paar jaar geleden de dodelijk ziekte zich aan hem openbaarde, mompelde hij iets over ’de meest verschrikkelijke dingen die op zo’n moment aan je voorbij trekken’. Om vervolgens aan te kondigen dat hij gewoon doorging met schrijven. Dus bleef hij trouw vier A4-tjes voltypen en naar Amsterdam faxen, vaak met een doorhaling en een met de pen geschreven correctie erbij.

De in Maastricht geboren Jacques van Doorn was een voorkomend en erudiet man. Geen man van social talk, kort en afstandelijk in zakelijke contacten, maar over de samenleving in haar meest brede zin kon deze belezen hoogleraar in de sociologie uitvoerig en gepassioneerd praten, mits verzekerd van een luisterend en geïnteresseerd oor en graag op enig niveau.

Als columnist had hij de moed zich af te zetten tegen de mening die de tijdgeest dicteerde. Was intellectueel Nederland links, dan kwam hij week in week uit met ’genuanceerde’ (of rechtse) stukken over, zeg, Zuid-Afrika, democratisering, positieve discriminatie. En toen het begin deze eeuw politiek correct werd om de islam af te schilderen als een gevaarlijke godsdienst, ging hij daar keihard tegenin en werd hij weggezet als naïeveling die de feiten en gevaren niet wilde kennen. Zijn scherpe analyses en commentaren riepen bijval op en afkeer, het kenmerk van een sterke columnist.

Toen het, begin jaren zeventig, not done was om over de ontsporingen van ’onze jongens’ in Indië te praten, kwam Van Doorn, die als dienstplichtig militair in Indië gelegen had, met een boek over excessen begaan door zijn kompanen. En al legde hij de schuld meer bij het systeem dan bij de soldaten, voortaan gold hij bij de veteranen als nestbevuiler.

Van Doorn is bekend vanwege zijn bestseller ’Moderne sociologie’ uit 1959. Bekender dan van zijn omvangrijke wetenschappelijke bijdragen, werd hij van de honderden columns die hij schreef, van 1982 tot 1990 bij NRC, daarna bij HP/de Tijd en Trouw.

„De laatste tijd”, schreef hij in 2004, „zijn we in ons land getuige van een snel escalerend conflict dat bijna geheel volgens het boekje verloopt. Alles komt langs: het uitvergroten van incidenten, het zoeken naar zondebokken, suggestief woordgebruik, en regelrechte verdachtmaking, met als eindresultaat dat een duidelijke herkenbare minderheid, eerst genegeerd, nu meer en meer wordt gestigmatiseerd. Ik bedoel natuurlijk de Nederlandse moslims.''

Onder door hemzelf aangeleverde koppen als ’We are the champions’, ’Hoe bespeel je de angst’, ’Hoe wek je de woede’ en ’Contouren van de Nederlandse islamofobie’ keerde hij zich tegen de wat hij noemde ’zelfgebakken islamkenners’, waaronder hij de mensen schaarde die na Fortuyn en Van Gogh het debatklimaat bepaalden: Hirsi Ali, Wilders, Leon de Winter, Ephimenco, Pastors, Paul Frentrop, Paul Cliteur en het hele Trouw-katern Letter & Geest.

Als socioloog, de maatschappij analyserend vanuit groepen, verwachtte Van Doorn geen enkel heil van het continue belichten van de duistere kanten van de islam. Hoewel zelf niet uitgerust met een ’religieus instinct’, zag hij religie zoals bijvoorbeeld door zijn Limburgse dorpsgenoten beleefd, als een bindmiddel, wezenlijk voor de gemeenschapszin. Hij waarschuwde voor de gevaren van het stigmatiseren en beledigen van bevolkingsgroepen. Moslims zouden zich, vreesde hij, eerder van de samenleving afkeren dan integreren door zo'n benadering. En niemand zou ervan moeten opkijken dat deze ’geregisseerde hetze’ zou uitmonden in een populistische roep om een echte Leider en een nieuwe Nationale Beweging. „Ik denk niet dat die er komt, maar als ze komt moeten we niet verbaasd zijn. Er is hard aan gewerkt.”

Ironisch genoeg nam hij 25 jaar jaar eerder precies de omgekeerde positie in de maatschappelijke discussie in. Verwoordde hij de laatste jaren opvattingen die het linkse kamp met hem deelde, destijds domineerde de linkse kerk en hing Van Doorn juist aan de rechterkant. Hij zag zichzelf als de ’Robin Hood van het vrije woord’. Vrij Nederland vroeg zich in 1990 af of hij ’conservatief is, misschien zelfs reactionair’. Het antwoord was ’ja’, meende het weekblad. ’Maar is hij ook een seksist, racist, een antisemiet?’ Dat was nog even de vraag – maar niet voor de NRC. Na een column getiteld ’Israelisch zelfbedrog’, waarin Van Doorn joodse journalisten beschuldigde van zelfcensuur ten behoeve van de joodse zaak, schreef de hoofdredactie van de liberale avondkrant na klachten van lezers en van redacteuren, dat hij weliswaar geen antisemiet was, maar wel de grenzen van het betamelijke had overschreden. Van Doorn zette er per onmiddellijk een punt achter.

De breuk met de NRC was een kras op Van Doorns ziel. Hoewel hij terecht kon bij andere media, bij het elitaire NRC-milieu wilde hij het liefste horen. Groot moet zijn vreugde zijn geweest toen de relatie met de NRC een paar jaar geleden werd hersteld, nadat de huidige hoofdredactie had gezegd de gang van zaken destijds ’ernstig te betreuren’.

Af en toe vroeg Van Doorn ’iets meer ruimte’. Bijvoorbeeld over de aanvaring tussen Wiegel en Hirsi Ali. Van Doorn, nooit politiek gebonden maar wel lid van het curatorium van de Teldersstichting, raadde de VVD aan te breken met Hirsi Ali. Want zij was een activiste die de VVD slechts als platform gebruikte, aldus Van Doorn. Met dit soort stukken creëerde hij veel vijanden, ook op de redactie van Trouw. Weerstand en weerzin beperkten zich niet tot het groepje geestverwanten van Hirsi Ali. In zijn analyses, niet alleen die over Hirsi Ali, ontbrak elk medeleven met het bedreigde Kamerlid. Daardoor hadden ze de neiging kil en koel te zijn en dat stuitte ook mensen tegen de borst die het misschien wel met hem eens waren.

„Ik sar”, verklaarde Van Doorn bij zijn begin als columnist bij Trouw. Met die vaststelling gaf hij vermoedelijk een betere omschrijving van zichzelf dan zijn fans deden. Zij noemen hem vaak nuchter, analytisch en prettig afstandelijk. Natuurlijk, hij beschouwde de wereld als socioloog, dus per definitie op afstand en als buitenstaander. Maar onder zijn nuchtere observaties en opsomming van feiten hebben Trouw-lezers vooral ook zijn gedrevenheid leren kennen. Zonder die emotionele drijfveer moet het ook voor hem onmogelijk zijn geweest letterlijk tot zijn dood zijn opvattingen over de samenleving week in week aan het lezerspubliek toe te vertrouwen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden