Review

De ritmes van Rameau

Christophe Rousset werkt opnieuw samen met Pierre Audi, ditmaal voor Rameau’s ’Castor et Pollux’. ’Hoe verklaar je magie?’

Híj was het die op het idee kwam om een cd op te nemen met louter ouvertures van Jean-Philippe Rameau. Schitterende muziek, gedurfd voor zijn tijd, hier losgekoppeld van de opera’s die erop volgen. Een slim idee, want zoals de ouvertures van Rossini zich als autonome orkestexercities laten beluisteren, zo doen die dat van Rameau ook – alleen wíst niemand dat nog. Dirigent Christophe Rousset is nu te gast bij De Nederlandse Opera, waar hij samen met zijn orkest Les Talens Lyriques en met regisseur Pierre Audi Rameau’s ’Castor et Pollux’ op de planken brengt.

De samenwerking tussen Audi en Rousset is vruchtbaar en begon zo’n vijftien jaar geleden in het Amsterdamse Muziektheater met Monteverdi’s ’L’Incoronazione di Poppea’. Daarna kwamen ’Tamerlano’ en ’Alcina’ van Hündel en ’Zoroastre’ van Rameau, die alledrie in het Zweedse baroktheatertje van Drottningholm in première gingen en later in de Amsterdamse Stadsschouwburg te zien waren. Met ’Castor et Pollux’ zijn regisseur en dirigent terug in het grote Muziektheater.

Hoe verhoudt zich de fijnzinnige subtiliteit van een Franse barokopera met de maten van het Muziektheater?

Rousset: „Het is inderdaad hier in het Muziektheater zó anders dan in Drottningholm. Maar Pierre Audi weet heel goed hoe hij met ruimtes moet omgaan. Net zoals met onze ’Poppea’-enscenering hebben we het podium tot in het auditorium doorgetrokken zodat we dichter op de mensen spelen; de tragedie is vlakbij. De zangers spelen bovendien vóór een gordijn, dat alleen opengaat tijdens de grote effecten, als er gedanst en gevochten wordt.”

„Ik vind overigens dat Rameau in het Muziektheater fantastisch klinkt; in Drottningholm is de orkestbak te klein voor Rameau, en het is er lastig om een goede balans te vinden. We zetten het koor hier in de orkestbak en hebben figuratie op het toneel. De grote ensembles worden dus eigenlijk gespeeld als concertmuziek. Ondanks overeenkomsten ziet het geheel er nu totaal anders uit dan voor ’Alcina’ en ’Zoroastre’. Het is zelfs zo, dat als je de muziek niet zou kunnen horen en alleen de actie zou zien, dat het dan voelt alsof je naar een opera van Wagner zit te kijken. De gebaren zijn breed en wijds. Dat is nieuw voor mij, maar het werkt heel goed. De musici in mijn orkest zijn erg moeilijk en veeleisend als het op opera-regie aankomt; ze zijn zelden tevreden met wat ze op het toneel zien. Maar over deze ’Castor et Pollux’ van Audi waren ze uitermate opgetogen. Ze hielden er direct van. Een goed teken.”

Ondanks de prachtige melodieën, de opzwepende ritmiek en de zo herkenbare stijl, zijn de opera’s van Rameau lang niet zo populair als die van zijn tijdgenoot Hündel. Hoe komt dat toch?

„Rameau is te duur”, zegt Rousset prompt. „Door alle verschillende elementen die je nodig hebt om zijn opera’s goed op de planken te krijgen: zangers, koor, dansers. Als je er als operadirecteur het geld voor over hebt, dan krijg je er ongelofelijke muziek voor terug. Maar als directeuren al iets uit de barok willen doen, kiezen ze vaak toch eerder voor een Hündel. De stijl van de Franse opera spreekt ook niet zo direct aan als die van Hündel. Velen ervaren de stijl als onduidelijk: een combinatie van lichte aria’s, grote aria’s, declamatie met orkest, dansen, koren. Het moet in elkaar passen als een mozaïek.”

„Een Rameau-opera is lastiger te realiseren dan eentje van Hündel, die een aria in een bepaald tempo start en dat dan vasthoudt. In Franse muziek van Lully en Rameau is er veel meer variatie binnen de vorm, veel sfeerveranderingen. Dat was niet alleen tijdens de barok zo, maar componisten als Gluck en Berlioz passen ook in die traditie, voerden de erfenis van Lully en Rameau verder.”

Rameau’s opera uit 1737 beleeft vrijdag zijn Nederlandse première. Het verhaal gaat over de opofferende liefde van de tweelingbroers Castor en Pollux, zonen van Leda en de zwaan (Jupiter), de een sterfelijk de andere onsterfelijk. Aan het eind maakt Jupiter hen beiden ontsterfelijk door ze als hemellichamen aan het firmament te plaatsen; de twee helderste sterren van het sterrenbeeld Tweelingen. De opera wordt gepresenteerd in de versie van 1754. Dat heeft volgens Rousset duidelijke redenen.

„Rameau maakte er zeventien jaar later een betere opera van. De niet bij het drama behorende proloog is verdwenen, Castors dood maken we als toeschouwer nu mee tijdens het gevecht met de vijanden van Sparta, er is een fantastische nieuwe aria met trompet aan het einde van de tweede akte en over het algemeen is deze latere versie vloeiender en contrastrijker.”

Eén van de allermooiste scènes uit de opera, Telaïre’s rouwklacht ’Tristes apprêts’, hield Rameau intact. Een wonderbaarlijk fraaie aria, die door Rousset ook vaak tijdens concerten wordt uitgevoerd. Zelfs in de ’moderne’ soundtrack van Sofia Coppola’s film ’Marie Antoinette’ komt deze muziek voor. Wat maakt deze aria zo bijzonder?

Rousset valt stil, peinst, kijkt me hulpeloos aan, zoekt naar woorden. „Hoe verklaar je magie?”, vraagt hij uiteindelijk. „Die meanderende fagotten zijn natuurlijk zeer bijzonder en het orkestrale tapijt daaronder is een wonder. Het is de kracht van Rameau’s harmonie, die toch te boek staat als de vader van het moderne orkest. Zijn melodie komt voort uit de harmonie, al is dat natuurlijk een paradox. Al die arpeggio’s en die repeterende noten zijn zó karakteristiek voor hem, maar wat echt indrukwekkend is, is de kracht van Rameau’s ritmes. Dat komt misschien omdat hij een virtuoos klavecinist was. Het maakt zijn muziek nieuw, onverwacht. De Fransen, vertrouwd als ze waren met de muziek van Lully, moesten er echt aan wennen.”

„Toen zijn eerste opera ’Hippolyte et Aricie’ op de planken kwam, zei zijn collega Campra dat daar muziek in zat goed voor wel drie opera’s. Zó veel ideeën, zó veel harmonieën en zó veel vreemde toonsoorten. Toen ik bezig was met mijn boek over Rameau ging ik steeds beter begrijpen, waarom Rameau zo’n lastige man was. Men herkent talent niet, toen niet, en nu niet. Rameau wist, net als Bach, dat hij een genie was, een onbegrepen genie. Pas aan het eind van zijn leven werd hij geaccepteerd als een exceptioneel componist. Dat maakt mensen moeilijk.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden