De riskante mythe van onze ouderen

Alleen een botte cynicus zou niet tekenen voor het miljard en de vele extra handen in de ouderenzorg, schrijft Frits de Lange. Toch zijn de plannen van de nieuwe regering niet louter winst. „Er gaat een moreel funeste suggestie uit van de gedachte dat ouderen goede zorg verdienen omdat ze ’ons land hebben opgebouwd’.”

Een miljard meer en twaalfduizend nieuwe banen naar de ouderenzorg. Wat willen ouderen in Nederland nog meer? Ze moeten het regeerakkoord wel als een warm bad ervaren, na jarenlang verschralende zorg. Dat de PVV er achter zit, moet dan maar als een blessing in disguise op de koop worden toegenomen.

„Geef onze ouderen in het verpleeghuis, de mensen die nog bloembollen hebben moeten eten in de oorlog meer rechten Geef de ouderen het recht dat ze elke dag onder de douche mogen en elke dag naar buiten”, sprak PVV-kamerlid Fleur Agema een jaar geleden tijdens de begrotingsbehandeling 2010.

Ze wordt op haar wenken bediend. De PVV regeert niet, zij gedoogt. Maar toch: bijna letterlijk vinden we haar tekst terug in het regeerakkoord, al zijn nu de scherpe kantjes eraf. De bloembollen zijn vervangen door „de ouderen die ons land hebben opgebouwd”.

Wie is tegen een „kwalitatief goede en toegankelijke zorg”? Wie is er niet „voor een sterke vermindering van uitdroging, doorligwonden en ondervoeding en voor een einde aan 24-uursluiers”? Alleen een botte cynicus zou niet willen tekenen voor de ouderenparagraaf in het akkoord en het miljard en de vierentwintigduizend extra handen aan het bed weigeren.

Maar het verdient een kritische kanttekening. We zijn verplicht zorg te dragen ’voor een goede oude dag’, stelt het akkoord terecht. Maar doet het dat ook werkelijk? De ouderenparagraaf lijkt, net als de andere onderdelen van het regeerakkoord, gespeend van een innovatieve toekomstvisie en te kiezen voor een pas op de plaats. De terechte financiële impuls voor het verpleeg- en het verzorgingshuis zou onderdeel moeten uitmaken van een integrale visie op de vergrijzing die bijdraagt aan een waardige oude dag. We zoeken er vergeefs naar. Het beeld dat het aantredende kabinet neerzet van ’onze’ ouderen is vooral dat van afhankelijke ontvangers van zorg, en niet van participerende burgers.

Een waardige oude dag in de komende eeuw moet op zijn minst aan drie voorwaarden voldoen.

Allereerst verdienen mensen respect voor hun burgerschap, ongeacht hun leeftijd (en herkomst of godsdienstige overtuiging, zet ik er voor de gedoger veiligheidshalve maar bij). Ouderen behoren niet als willoos voorwerp van compassie te worden bejegend, maar als mondige burgers.

Vervolgens verdienen ze maatschappelijke status en waardering om hun verdiensten. Die kunnen in het verleden liggen (de ’naoorlogse wederopbouw’), maar veel belangrijker is het heden: wat dragen zij vandaag bij aan de samenleving?

En in de derde plaats: een waardige oude dag is er alleen voor mensen die tot hun laatste snik in hun innerlijke vrijheid worden gerespecteerd. Autonomie is een groot goed. Maar over de discussie over een vrijwillig levenseinde voor levensmoede ouderen zwijgt het akkoord in alle talen.

Ouderen behoren als gelijkwaardige burgers voor de wet te worden beschouwd. Een menswaardige ouderdom kan niet zonder. Het ouderenbeleid van de overheid gaat gelukkig al jaren in die richting. Tot ver na de jaren vijftig gold de oudere als een Arme Patiënt waarvoor in het armen- of bejaardenhuis gezorgd moest worden, nu is hij Cliënt, Bewoner en Burger die voorzien moet worden van een zorg- en voorzieningenpakket. Slechts zeven procent van alle ouderen woont in het verpleeg- of verzorgingshuis, de rest woont zelfstandig. Hulp bestaat primair uit preventie en ondersteuning bij zelfzorg en het organiseren van informele zorg of vrijwilligershulp, zodat ouderen zolang mogelijk zelfstandig kunnen wonen.

En dan, dan pas is er de Zorg Thuis. De oudere wordt nu als ’soevereine burger’ aangesproken. Bang voor het verpleeghuis? De overheid doet er dus alles aan om u eruit te houden!

Gemeenten nemen ondertussen afscheid van een categoriaal ouderenbeleid. Zorg is nu eenmaal zorg, en aan het WMO-loket doet het er niet toe of iemand achttien of tachtig is, na de oorlog hard gewerkt heeft of pas later als immigrant naar Nederland kwam, christen is of moslim. Juist dat ’zonder aanziens des persoons’ garandeert de menswaardigheid voor ouderen en is een krachtig medicijn tegen ouderdomsdiscriminatie.

Het ouderenbeleid verdient daarom een sterke burgerschapsmoraal als fundament. Niet het warme sentiment van dankbaarheid voor in het verleden bewezen diensten van ’onze ouderen’ behoort de primaire morele impuls te zijn voor de ouderenzorg, maar het koele, gelijkwaardige recht van burgers – toevallig op leeftijd. Het waas van moreel chauvinisme dat de PVV over het regeerakkoord heeft gelegd (ja tegen onze ouderen en dieren, neen tegen Europa, immigranten, ontwikkelingssamenwerking) dreigt ook het ouderenbeleid te gaan kleuren. Maar ouderen hebben nu eenmaal recht op gelijkwaardige zorg, niet omdat ze ’van ons’ zijn, maar omdat ze burger zijn. Ook de snel stijgende groep niet-westerse allochtone ouderen – in 2020 zo’n 300.000, vaak met een onvolledige AOW, en straks ook nog gekort op hun zorgtoeslag – zijn dus van ons, al hebben ze geen aandeel in de naoorlogse wederopbouw gehad.

Een goede oude dag betekent – in de tweede plaats – erkenning van status en waardering van verdiensten. Daar zet dit regeerakkoord voluit op in: er moet voor ’de ouderen die ons land hebben opgebouwd’ goed gezorgd worden. Ze verdienen het.

Het akkoord raakt daarmee terecht een gevoelig punt. De verdiensten van ouderen worden snel vergeten, in ons type samenleving al helemaal. Reputaties zijn even vluchtig als de roem van popsterren, voetballers, bestsellerschrijvers en succesvolle ondernemers. Het gevoel van eigenwaarde houdt moeilijk stand als het moet opboksen tegen de ervaring er niet meer toe te doen. Hebben ouderen niet hun maatschappelijk nut verloren als onrendabele ’niet-actieven’ in een prestatiemaatschappij? De hoogmoderne samenleving ont-traditionaliseert en verhoogt de omloopsnelheid van menselijk kapitaal. Van de weeromstuit vluchten ouderen zelf ook gemakkelijk in het verleden. Waarna ze te horen krijgen dat „opa eens moet eens ophouden het altijd over vroeger te hebben”.

Maar het regeerakkoord wil ’vroeger’ rehabiliteren, als bron van verdienste, als morele grond voor goede zorg. Hoe terecht ook de aandacht voor een verdienstelijk verleden van veel ouderen, feitelijk wordt daarmee het paard achter de wagen gespannen. Moreel gezien wordt bovendien gesuggereerd dat ouderenzorg een wederdienst is. Die kant moeten we niet op.

Wat dat feitelijke betreft: in onze geheugenloze samenleving verhogen vroegere prestaties nauwelijks de status van ouderen, hun huidige verdiensten (en die hebben ze!) des te meer. Het heeft weinig zin rondom de ’naoorlogse wederopbouw’ een mythe te creëren voor een jonge generatie die zich moeizaam staande weet te houden in de globalisering en zelf hoogst onzeker is over haar eigen pensioen. Maar ook helpt het ouderen zelf niet verder als de waarde van hun oude dag (gemiddeld nu een derde van de levensloop) blijven koppelen aan hun arbeidsverleden. Het is dodelijk voor hun status hen als gepensioneerden weg te zetten, uitrustend van een werkzaam leven. De ouderdom verdient een positieve omschrijving. Een zeventiger moet je niet vragen: wat deed je vroeger? maar ’wat zijn je plannen voor de volgende tien jaar?’

In de prestatiemaatschappij zijn ook ouderen aangewezen op arbeid als meest cruciale erkenningspraktijk. Juist op dit punt blijft het regeerakkoord in gebreke. „De vergrijzing vraagt om investeringen in mensen en innovatie gericht op een hogere arbeidsproductiviteit”, schreven de topeconomen Arnoud Boot, Sweder van Wijnbergen, Lans Bovenberg en Bas Jacobs in hun commentaar op het akkoord in NRC. „Het akkoord doet niets aan de arbeidsmarkt voor ouderen. Juist daar bijt de verstarrende werking van hoge ontslagkosten en is de arbeidsmarktparticipatie veel te laag.”

De AOW-leeftijd wordt bovendien pas in 2020 naar slechts 66 jaar verhoogd. Dat is niet alleen te weinig om financieel zoden aan de dijk te zetten, maar het helpt ook niet om ouderen een volwaardige rol in het arbeidsbestel toe te delen. Zowel bij de werkgevers als werknemers kan nu de gedachte blijven heersen dat ouderen minder productief zijn en dat ze na een willekeurige leeftijdsgrens niets meer hebben bij te dragen. Ouderen, dat zijn AOW-trekkers en zorgontvangers die hun hand ophouden.

Er gaat bovendien een moreel funeste suggestie uit van de gedachte dat deze ouderen goede zorg verdienen omdat ze ’ons land hebben opgebouwd’. Er klinkt een ondertoon in van wat ik al eerder noemde moreel chauvinisme (het appèl aan een gedeelde nationale identiteit). Wat erger is: ook de gedachte dat goede zorg niet op behoefte berust, maar op verdienste. De idee dat zorg een voor-wat-hoort-wat-karakter zou hebben, staat haaks op wat solidariteit tussen de generaties behelst, maar ook op wat zorg ten diepste is.

Solidariteit tussen generaties berust niet op directe wederkerigheid volgens het principe do ut des (ik geef-opdat-jij-geeft). Kinderen zorgen niet voor hun ouders omdat deze in hun jeugd goed voor hen gezorgd hebben. Ze doen dat omdat ze met hen zijn verbonden in een hechte familierelatie en daarom niet onder hun eenzijdige appèl op zorg uit kunnen. Tussen hele generaties ligt het nog complexer. Robert Putnam spreekt van gegeneraliseerde wederkerigheid: mensen doen iets voor jou, zonder dat ze onmiddellijk iets terug verwachten. Ook al denken ze er op den duur beter van te worden. De kortste en leukste definitie van dit soort wederkerigheid is: ’Als jij niet naar hun begrafenis gaat, komen zij niet op de jouwe.’

Op dat soort solidariteit berusten duurzame, hechte sociale netwerken. Ik zorg nu als jongere voor ouderen omdat ik verwacht dat ik later als oudere door de jongeren van straks verzorgd zal worden. Je hoeft niet per se op hun begrafenis geweest te zijn om hen toch op jouw begrafenis te zien.

„De wederkerigheid tussen leeftijdsgroepen is vooral een kettingreactie van doorgeefsolidariteit”, stelde het rapport ’Generatiebewust Beleid’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid uit 1999 terecht.

De zorgplicht tegenover vorige generaties kan alleen worden gefundeerd in het onweerstaanbare appèl dat kwetsbare ouderen op de goedheid van anderen doen. De sociale cohesie in ons land, nodig voor een waardige ouderenzorg, staat of valt niet met een gedeelde historisch-nationale identiteit, maar met duurzaam vertrouwen op elementaire menslievendheid.

De zorgpraktijk is in onze cultuur van oudsher sterk gestempeld door het verhaal van de Barmhartige Samaritaan. Het verhaal zou ook leidend moeten zijn in de nieuwere ouderenzorg. Het is een joods-christelijk verhaal, maar omdat het elk spreken over een ’joods-christelijke cultuur’ van binnenuit opblaast, is het een universele eye opener die duidelijk maakt wat zorg ten diepste is: een relatie waarin kwetsbare mensen elkaars waardigheid erkennen en bevestigen, ongeacht hun status of verdienste. Een man ligt halfdood aan de kant van de weg, overvallen door rovers. Zijn volksgenoten, een priester en een Leviet gaan aan de overzijde voorbij. Een Samaritaan, gewantrouwd vreemdeling, biedt hulp. Waarom deed hij het? Omdat hij niet kon weigeren. Zorg is geen krachtsinspanning voor morele helden. Het is het onvermogen je af te sluiten.

De Samaritaan komt letterlijk van buiten. Er zal in de sector Zorg en Welzijn van het mbo flink geworven moeten worden om die twaalfduizend nieuwe banen in de zorg te kunnen realiseren. Jonge mensen (waarvan vele met hoofddoekjes; ruim zestien procent van de mbo’ers die een zorgopleiding doen, heeft een niet-westerse allochtone achtergrond) zullen hopelijk de ouderenzorg ingaan. De ouderenzorg zal daardoor ongemerkt flink ’islamiseren’.

Maar wie maalt erom, met zo’n stevig oerverhaal van de zorg in het achterhoofd? En welke ouderen er dan verzorgd moeten worden? Dat zullen niet alleen degenen zijn die Nederland hebben doen herrijzen, maar ook hen die in de jaren zestig in gammele barakken en ver van hun familie het werk hebben opgeknapt dat ’onze’ ouderen niet konden of wilden doen.

Er dan is er ten slotte nog die derde voorwaarde voor een waardige oude dag: de erkenning van de autonomie van ouderen. Het regeerakkoord schetst vooral het beeld van de oudere als lijdend voorwerp. Is zijn of haar autonomie geborgd met een afdwingbaar recht „om elke dag te douchen en dagelijks desgewenst enige tijd in de buitenlucht door te brengen”? Zitten er aan de handen aan het bed straks ook nog een mond en twee oren vast, die in gesprek kunnen gaan en willen luisteren? Is waardigheid geen praktijk van wederzijdse erkenning? Moet ook de waardigheid van zorgverleners niet worden erkend en gehonoreerd? Zij lijken in het akkoord alleen maar gewantrouwd te worden door de inspectie, die straks met mystery guests de werkvloer opgaat om hen te controleren.

Dat dit regeerakkoord bij een waardige ouderdom niet meteen doorschiet naar een ’waardig levenseinde’, is alleen maar winst te noemen. Een waardige ouderdom omvat meer dan een zachte, zelfbeschikte dood. Maar waarom de zorg wel willen rekken tot het bittere einde, en tegelijk over die bitterheid te zwijgen? De oudere lijkt weer in het zwijgen teruggedrongen, als de arme patiënt uit de jaren vijftig. De soevereine burger is even de mond gesnoerd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden