De regisseur was acteur en bleef dat ook

Filmregisseur Fons Rademakers is gisterochtend in een ziekenhuis in Genève op 86-jarige leeftijd aan longemfyseem overleden. In 1986 kreeg hij een Oscar voor De Aanslag, in 1998 de Bert Haanstra Oeuvreprijs. Rademakers geldt als een van de pioniers van de Nederlandse speelfilm.

Toen het Nederlands Filmfestival afgelopen zomer bij wijze van stunt politici hun favoriete Nederlandse film liet noemen, volgden veelzeggende keuzes. PvdA-roerganger Wouter Bos ging voor het huiveringwekkende, recente ’Paradise Now’, waarin de Nederlands-Palestijnse filmer Hany Abu-Assad twee zelfmoordterroristen toont. André Rouvoet koos de verfilming van ’Karakter’ door Mike van Diem. CDA-roerganger Balkenende koos echter ’De Aanslag¿ van Fons Rademakers. „Ik ben gecharmeerd van de zuiverheid waarmee in ’De Aanslag’ de meest ingrijpende periode uit de Nederlandse geschiedenis is verbeeld”, zei hij, en noemde het „een Nederlands cultuurproduct van topklasse, dat terecht veel internationale aandacht en erkenning heeft gekregen.”

Dat laatste was natuurlijk onmiskenbaar waar. Fons Rademakers’ verfilming van de gelijknamige bestseller van Harry Mulisch is een van de weinige Nederlandse films die het in de VS tot een Academy Award (’Oscar’) brachten. Dat was Bert Haanstra, als eerste, in 1958 gelukt met de documentaire ’Glas’. Een jaar later was Rademakers zelf wel genomineerd met ¿Dorp aan de Rivier’, maar daar bleef het toen bij. Pas een kleine dertig jaar later, in 1986, viel een Nederlandse film opnieuw in de prijzen: Rademakers kreeg voor ’De Aanslag’ een Oscar voor de beste niet-Engelstalige film. Dolgelukkig sprak hij een dankwoord uit. Zijn goede vriend Hugo Claus (wiens ’De dans van de reiger’ Rademakers in 1966 had verfilmd), zou dat moment later verwerken in een lofdicht op Rademakers: „O, hoe stond hij te glimmen en te floreren.”

Alphonse Marie Rademakers werd op 5 september 1920 in Roosendaal geboren als zoon van de gemeentesecretaris. „Vader maakte zich nooit erg druk. Ik heb een leuke jeugd gehad. Jong zijn in Roosendaal, als zoon van een notabele, als iedereen je kent – dat is leuk als je een jongetje bent”, zou Fons Rademakers decennia later zeggen. Hij werd op de Amsterdamse toneelschool opgeleid tot acteur en studeerde in 1941 af. Maar in de jaren vijftig verlegde hij zijn terrein naar regisseren, en van het toneel naar de film.Hij ging in 1955 bij buitenlandse grootheden als Vittorio de Sica, Jean Renoir en Charles Crichton kijken hoe zij het aanpakten. Hij moest wel, want een echte speelfilmtraditie had Nederland nog niet en een filmacademie zou pas in 1958 ontstaan. Film bestond op zich natuurlijk wel, maar had in Nederland meestal de vorm van documentaires: er was Joris Ivens en er was natuurlijk Bert Haanstra – die in hetzelfde jaar van ’Glas’ met de komedie ’Fanfare’ zijn speelfilmdebuut maakte. Maar het idee dat je een verhaal, drama, in film kon vatten had in Nederland nog niet echt wortel geschoten. Wilde je zien hoe routiniers het aanpakten, dan moest je wel naar het buitenland. Bij Jean Renoir sloeg Rademakers gade hoe hij zijn acteurs inpakte: deed iemand iets totaal anders dan wat de regisseur bedoelde, dan prees Renoir de acteur eerst uitvoerig (C’est formidable !). Pas daarna zei hij: ’Maar, zou je misschien’ Net zo lang tot de acteur deed wat Renoir wilde.

Zelf ging Rademakers zo niet te werk, daar had hij het geduld niet voor, zei hij. Aan de ene kant was hij zelf acteur en bleef dat ook: tussen de regie van eigen films door speelde hij in menig speelfilm een kleine rol. Daardoor wist hij veel uit zijn acteurs naar boven te halen. Anderzijds liet hij ze weinig vrijheid, juist omdát hij zelf acteur was. Tot op de melodie, de intonatie, waarmee een zin gezegd moest worden, schreef hij acteurs voor wat ze moesten doen. Alleen zelfverzekerde spelers durfden ook wel eens een lange neus naar Rademakers’ directieven te maken. Die knellende greep van Rademakers op zijn acteurs maakt dat zijn films vaak een over-geregisseerde indruk achterlaten.

De Oscarnominatie van 1958 lijkt Rademakers meer gebracht te hebben dan de echte Oscar uit 1986. Daarna maakte hij nog maar één film: The Rosegarden, met Liv Ullmann. Na de nominatie daarentegen kreeg Rademakers enige tijd buitenlandse aanbiedingen – al sloeg hij die af. Want, zoals hij in een interview in 2003 zei: „Hoe moet ik Marlon Brando uitleggen hoe hij een Amerikaan moet spelen?” Ook al woonde Rademakers in Italië – zijn echtgenote Lily Veenman, steevast zijn regie-assistente, erfde in Rome van een tante een appartement recht tegenover het Panthéon – en zag hij zichzelf als een Bourgondiër, hij maakte hoogst Nederlandse films.

Het is hem meermalen zo niet ingewreven, dan toch kritisch onder de neus gehouden dat hij vaak andermans boeken verfilmde, en veel minder vaak (slechts tweemaal) ’een eigen verhaal vertelde’. Alsof dat niet ook voor veel andere regisseurs geldt. Na zijn eerste film, Dorp aan de rivier (naar de roman uit 1934 van Antoon Coolen) volgde Als twee druppels water (1963, naar W.F. Hermans’ De donkere kamer van Damocles, uit 1958). Vijf jaar later verfilmde hij onder de titel Mira het boek ’De teleurgang van de Waterhoek’, dat Stijn Streuvels in 1927 schreef. Nog tweemaal greep Rademakers naar beroemde boeken: naar de Max Havelaar in 1976, en tien jaar later naar De Aanslag, dat als boek toen vier jaar oud was.

Harry Mulisch maakte die observatie over eigen en andermans verhalen ook. Filmmakers die hun eigen verhaal bedenken zijn de grootsten, vond Mulisch. Maar ’net zo eerbiedwaardig’ vond hij het type waartoe Rademakers behoort: filmmakers die het verhaal van een ander als het ware illustreren. Hij vergeleek Rademakers’ films met de gravures van Gustave Doré: je herinnert je de boeken die Doré illustreerde eerder vanwege de gravures dan vanwege de tekst. Zo ook zou Rademakers ’de Gustave Doré van de Nederlandse film’ zijn.

Rademakers leek zijn betekenis zelf ook te kennen. „Ik ben artisan”, zei hij – een handwerksman. Hij noemde zichzelf dus geen artiest. Hij vond het plezierig om een verhaal te vertellen, maar was geen Ingmar Bergman of een Luis Buñuel – „helaas”, zei hij er achteraan. Misschien was Rademakers, die je met zijn acteurs-dictie en die stem die klonk als een klok geen overmaat aan bescheidenheid zou toeschrijven, daarin toch iets te bescheiden.

Rademakers’ films zijn niet alleen prachtig gefotografeerd, er zitten ook klassiek geworden momenten in: de suggestie van blote zigeunerinneborsten in ’Dorp aan de rivier’, de maar liefst 24 seconden dat Willeke van Ammelrooy in ’Mira’ bloot te zien was.

Het is inmiddels moeilijk voorstelbaar, maar destijds sprak heel Nederland daar over.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden