DE REDE VAN DELFZIJL

'Ik zal u iets van Delfzijl vertellen, want het is goed om een plek te leren kennen. 'Bij gelegenheid van de Abel Herzberg-lezing van de schrijfster Andreas Burnier over 'het jodendom als religie tussen de wereldreligies' (Trouw, 19 september), hield Jaffe Vink een co-referaat over de Delf, de Appe en de Fivel, over de goden, de rivieren en de onwetendheid. Volgende week antwoordt Andreas Burnier.

'I love Adolf Hitler', op het pad naar de moskee was van stoeptegels een hakenkruis gemaakt, in de gebedsruimte waren vernielingen aangericht, de Koran was kapotgescheurd, en daarna was de moskee met de brandspuit onder water gezet.

Na 'de Eeuwige, de Altijdzijnde, die alle menselijke voorstellingsvermogen en menselijk begrip te boven gaat', maar nog vóórdat wij zelf zijn 'gebundeld in de bundel van het Eeuwige leven' - in de woorden van Andreas Burnier - wilde ik uw aandacht vragen voor het tijdelijke en het lokale, in dit geval voor Delfzijl, een maand geleden. Daarbij gaat het om de Zeitgeist, de geest van de tijd, en de genius loci, de geest van de plaats. Dat zijn twee geesten, of goden zo u wilt, die ook vaak moeilijk te vatten zijn.

Aan het eind van het verhaal, na God en goden en geesten, komen de dieren, want die horen er ook bij.

Het was maar een klein berichtje in de krant, ergens op een binnenlandpagina, maar het bevat wel enkele gelaatstrekken van de Zeitgeist. Zonder dat hun naam is genoemd, zijn zij al aanwezig: de joden. Een hakenkruis, dat staat sinds de Umwertung aller Werte, voor het jodendom; een moskee staat voor de islam, daar heeft de Umwertung zich niet voltrokken, en Delfzijl is een christelijk havenstadje aan de rand van het Groninger Fivelingo. Zo hebben we alvast drie wereldgodsdiensten op één plek, dat past bij deze middag.

Het wonderlijke van dit berichtje is dat het ons er op drukt dat we zo weinig weten. Laten we beginnen met Delfzijl. Het merendeel van u zal wel niet uit Delfzijl afkomstig zijn, en ik denk dat de namen Hunsingo en Fivelingo niet in uw top-tien van te bezoeken landstreken voorkomen. En dat lijkt me het eerste pijnlijke punt: we maken ons zorgen om de kosmos, we kennen de details van de ozonlaag, we reizen naar New York of Torremolinos of we maken een boottochtje over de Rijn, maar vrijwel niemand kent Delfzijl. Met onze satellieten verkennen we het buitenwereldlijke, met onze echoscopen verkennen we het voorwereldlijke - dat zijn de beelden van de kinderen die nog ter wereld moeten komen - maar Delfzijl is voor ons terra incognita.

Ik zal u iets van Delfzijl vertellen, want het is goed om een plek te leren kennen. Een delf is een sloot, een zijl is een sluis. De sloot, die nu het Damsterdiep heet, heette vroeger de Delf. De kroniekschrijvers Emo en Menko, abten van de abdij Bloemhof bij Wittewierum, schijven dat de binnendijk langs de gracht, die Delf heet, op 20 november 1248 door een woedende storm is doorbroken. (juxta fossatum effluxionis aquarum quod dictur Delf.) Het delven van de Delf was begonnen om de afwatering van enkele riviertjes te verbeteren, zoals van de aloude rivier de Fivel, die zijn oorsprong vond in de Slochter- en Scharmer Ae, en die stroomde langs de Woudbloem, Schaaphok, Luddeweer en De Hammen naar Woltersum. Hierin voegde zich vanuit Harkstede de Kleisloot. Langs Wittewierum vervolgde de Fivel haar weg naar Ten Post en Winneweer, waar de Katerhals werd opgenomen, die langs Garrelsweer uit het zuiden van Woltersum kwam. Vanaf Winneweer vervolgde de Fivel haar weg met grote kronkels naar Westeremden, waar de Waddenzee werd bereikt. Toen deze monding dichtslibde, werd de Delf gegraven; en zo ontstond Delfzijl, als een zijl in de Delf, zoals Appingedam ontstond als een dam in de Appe.

Het is misschien ook niet zo dramatisch dat u Delfzijl niet kent, maar het duidt er op dat wij zo weinig weten. We kennen de plaats waar we zijn opgegroeid, we kennen de plaats waar we wonen, maar veel verder komt het niet, ondanks Torremolinos en de televisie.

Ik zal u een ander voorbeeld geven. Toen de Maas de afgelopen winter overstroomde, merkte de landschapshistoricus Auke van der Woud op dat ons mondiale bewustzijn al bij België in moeilijkheden komt; we hebben een besef van de loop van de Maas, door Limburg en dan richting Rotterdam, maar de oorsprong en de bovenloop kennen we niet. Onze elite die zijn kerstvakantie in een hutje in de Ardennen doorbrengt, vangt wel eens een glimp op van die bovenloop. Van der Woud heeft dat genoemd: onze psyche is lokaal.

Ik zal nog een voorbeeld geven: het Roergebied, al een eeuw lang een van de belangrijkste gebieden van Europa, eerst het middelpunt van de gemeenschap van kolen en staal, daarna nog groter geworden door zijn vele chemiereuzen, zoals ze steevast worden genoemd - om de grote boze wereld te begrijpen moeten we af en toe kindertaal gebruiken: chemiereuzen - het Roergebied - dat zijn naam heeft gekregen van het riviertje de Roer -: ik ben nog nooit iemand tegengekomen die me zei: ik ga volgende zomer met vakantie naar het Roergebied. Ik ken één mooie film over het Roergebied, het is een vroege film van Wim Wenders: Alice in den Stüdten, een variatie op Alice in Wonderland, maar het wonderland is in dit geval het Roergebied. Terra incognita.

'I do not know much about gods; but I think that the river is a strong brown god', schreef T. S. Eliot. Ik weet niet veel van goden, maar ik denk dat de rivier een sterke bruine god is. Het is nog erger dan Eliot schreef, want hij kende nog de rivier; wij niet meer. Wij kennen de Maas niet, wij kennen de Roer niet, en de Rijn - de Rijn is nog maar enkele kilometers in Nederland of hij vertakt zich in de Waal en het Pannerdens kanaal en de naam van de Rijn verdwijnt; ergens verderop is nog een armetierig zijstroompje dat Oude Rijn wordt genoemd. Een majestueuze rivier stroomt door Europa, hij wordt bezongen en gevreesd, maar hij is nog maar net de Nederlandse grens gepasseerd of hij is zijn naam kwijt.

Andreas, u zult zich wel afvragen: wat heeft dit met het jodendom van doen? Ik wilde alleen maar zeggen: als wij niet veel van goden weten, als wij ook onze rivieren niet kennen, dan is uw inleidende rede - als ik het op zijn kruideniers mag zeggen - geen weggegooid geld.

Maar eerst nog even terug naar Delfzijl. Het tweede punt van onze onwetendheid. Ik zou u kunnen vragen of u het werk van Yunus Emre kent, de naamgever van de moskee in Delfzijl. Of, als ik het wat algemener vraag: heeft iemand nog de Koran meegenomen op vakantie naar Toscane of De Harz?

De arabist J. Brugman zei het al: “De multiculturele samenleving is een begrip waarmee eigenlijk alleen iemand kan werken die het voordeel heeft van andere culturen niets te weten.”

Dit is misschien ook een mooi moment om het begrip 'de multiculturele samenleving' af te schaffen, evenals het begrip de postmoderne cultuur. Dat zijn twee ondeugdelijke begrippen om de Zeitgeist te begrijpen. Ik citeer de joods-Amerikaanse schrijver Chaim Potok: “De postmoderne cultuur is een cultuur die zo geestloos en zo mager is, dat zij niet eens een eigen naam heeft.”

Maar we hadden het over Yunus Emre. Het is Yunus Emre geweest die in het verre Klein-Azië, in de dertiende eeuw - ten tijde van het ontstaan van Delfzijl - voor het eerst de islamitische mystiek, en met name de Perzische mystiek van Djalal al-Din Muhammad Roemi - kortweg Roemi genoemd, en ook wel Mevlana, hetgeen betekent 'onze Meester' - in de Turkse volkstaal heeft vertolkt.

U hebt dan wel de werken van Yunus Emre niet gelezen - en dan kom ik bij het derde punt - het is omgekeerd ook de vraag of de achthonderd Turkse inwoners van Delfzijl, die de Yunus Emre-moskee bezoeken, enig idee hebben van het werk van Hadewych of Vondel of van onze katholieke volksschrijver Gerard Reve of, om hier dichtbij te blijven, van Abel Herzberg. Het antwoord moet u zelf maar verzinnen. Ik ben in elk geval niet vergeten dat ik een keer met een vijftienjarig Turks meisje sprak dat de naam Adolf Hitler niet kende.

Ondanks de schijn van het tegendeel, ziet het er naar uit dat we weinig weten en dat we niet altijd de weg kennen. Daarom is het ook niet zo verwonderlijk dat Andreas Burnier bij het begin begint: een inleiding in het jodendom, compleet met Schepping, Openbaring, Verlossing en lieveheersbeestjes.

Toch heb ik nog wel enkele vragen. U zegt, Andreas, dat “de fundamentele verschillen tussen jodendom en christendom zo groot zijn, dat je er altijd zeker van kunt zijn dat als mensen spreken over 'de joods-christelijke traditie' zij in elk geval geen (geïnformeerde) Joden zijn. Deze nogal simplistische poging tot combinatie van christendom met jodendom lijkt enigszins op een huwelijk, waarin een van de partners steeds zegt uiterst gelukkig te zijn, terwijl de andere zegt absoluut niet begrepen te worden.”

Maar in Kafka's hond, een prachtige rede die u drie jaar geleden hebt gehouden, spreekt u van een nieuwe spirituele werkelijkheidservaring en dan zegt u: “Bekende sleutelwoorden voor de inhoud van zo'n werkelijkheidservaring zijn, in onze westerse, joods-christelijke mystieke traditie: licht, liefde en stilte.” In die rede hebt u het een paar keer unverfroren over 'de joods-christelijke traditie'. Wat is er in die drie jaar gebeurd, vraag ik u, en waarom is uw visie op dat huwelijk zo hartgrondig veranderd? Waarom bent u zonder iets te zeggen weggelopen?

Tweede vraag. U beschrijft een viertal metamorfoses, die het jodendom heeft doorgemaakt, herinterpretaties van de traditie, die noodzakelijk waren vanwege verandering van de omstandigheden en van het menselijk bewustzijn. En u vermoedt dat het religieuze jodendom zich nu opnieuw in een overgangsfase bevindt, maar - zegt u dan - “hoe het religieuze jodendom van de toekomst er zal gaan uitzien, waag ik niet te voorspellen”. Dat is een magere zinsnede. Mag ik u vragen, Andreas, uw profetische talenten iets sterker aan te spreken? Waar gaat dat heen - zoals Mieke Telkamp dat zo mooi kan zingen, 'waarheen?' Maar als Telkamp begint, zijn we al te laat, want dan is de begrafenis begonnen.

Ik vind dat u iets meer over de toekomst moet zeggen en daar is ook alle reden toe. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk heeft onze tijd, de Zeitgeist, op apocalyptische wijze omschreven: “Het is niet onze eigen verdienste, als we onszelf morgen bij het ontwaken nog aantreffen.” Volgens Sloterdijk gaat de vraag naar de Laatste Dingen opnieuw gepaard met die naar de stand der voorlaatste. Vroeger waren er tussenpersonen nodig in de gedaante van engelen met een bazuin, of van zwarte, rode of grijze ruiters om het laatste aan te kondigen. Tegenwoordig is dat overbodig. “De plaatselijke catastrofes die een wereldomvatende catastrofe doen vermoeden, zijn alomtegenwoordig; hun ritme zit ons al in de botten, en welke beweging we tegenwoordig ook maken, het zouden figuren uit een dodendans kunnen zijn.”

Sloterdijk roept vervolgens de hulp in van de theologen, want zij zijn al heel lang geoefend in het denken over de apocalyps. “Wat er voor anderen uitziet als een gapende postmoderne afgrond, betekent voor hen niets anders dan een nieuwe fase in de onberekenbaarheid van God.”

Als we het collectieve einde nog even kunnen uitstellen, dan komt toch onvermijdelijk het individuele einde. Ik vraag u, Andreas, en dat is mijn laatste vraag: hoe moeten wij onze doden begraven?

In Delfzijl - als ik nog even mag terugkeren naar het begin - in Delfzijl hebben ze zo hun eigen methodes om met de doden om te gaan. Nadat het havenstadje zich had ontwikkeld tot een Roergebied in een notedop, had het tegelijk enkele omliggende dorpjes opgeslokt. De mensen waren verjaagd, de huizen, de boerderijen en de kerk omvergewalst. Maar toen lagen de doden er nog. Daar hadden ze een leuke oplossing voor bedacht: die konden mooi op de dijk liggen, met uitzicht op zee en schaapjes er omheen, dan kon eindelijk ook de begraafplaats met zand opgespoten worden voor de grote industrie. Helaas verzetten enkele families zich tegen deze verhuizing en toen de Japanse multinational doorkreeg dat zijn ultramoderne fabriek op een rustplaats zou worden gebouwd, is hij niet meer gezien. De Japanners hadden de geest van de plaats beter begrepen dan de plaatselijke autoriteiten.

Ik eindig met een gedicht, want hoe kun je de vader beter eren dan door zijn dochter te citeren. Het is het gedicht Zoals van Judith Herzberg:

Zoals je soms een kamer ingaat, niet weet waarvoor, en dan terug moet langs het spoor van je bedoeling, zoals je zonder tasten snel iets uit de kast pakt en pas als je het hebt, weet wat het was,# zoals je soms een pakje ergens heen brengt en, bij het weggaan, steeds weer denkt, schrikt,# dat je te licht bent, zoals je je, wachtend, minutenlang hevig verliefd in elk nieuw mens maar toch het meeste wachtend bent,# zoals je weet: ik ken het hier, maar niet waar het om ging en je een geur te binnen schiet bij wijze van herinnering, zoals je weet bij wie je op alert# en bij wie niet, bij wie je kan gaan liggen, zo, denk ik, denken dieren, kennen dieren de weg.#

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden