De rechter wilde niet liegen

Premier Meles van Ethiopië was niet tevreden met de uitkomst van een onderzoek naar politiegeweld. Dat moest anders. Rechter Woldemichael wilde de waarheid niet verdraaien en vluchtte.

Sybilla Claus

Woldemichael Meshesha Damtto heeft in Ethiopië een hoge status als vice-president van het federale hof in Addis Abeba. In december 2005 ontvangt hij de mededeling dat het parlement hem benoemt als lid van een ’onderzoekscommissie’. Die moet uitzoeken of de politie te veel geweld heeft gebruikt na de gestolen verkiezingen van dat jaar.

„Dit is het eind van onze familie”, reageert zijn vrouw ’s avonds met voorspellende blik, als Woldemichael haar het nieuws vertelt. „Zij weet hoe de regering te werk gaat, en ze weet dat ik mezelf niet kan verloochenen”, blikt de grote rechter terug, bij vrienden in een flat in Amsterdam-West.

Ethiopië is een dictatuur waar de angst regeert. Woldemichael heeft zijn positie kunnen bereiken door zich nooit ergens mee te bemoeien. De meeste burgers durven er niet eens aan politiek te denken. Het goede resultaat voor de oppositie bij de verkiezingen in mei is dan ook als grote verrassing gekomen.

In de hoofdstad Addis Abeba weet oppositiepartij CUD van econoom Berehanu Nega zelfs te winnen. Berehanu zou burgemeester moeten worden, maar dictator Meles Zenawi staat dat niet toe. In diverse steden demonstreren kiezers die zich bestolen voelen. De politie grijpt zoals gewoonlijk hard in en schiet bijna 200 inwoners dood. De volgende harde klap komt als het regime in november meer dan honderd politieke tegenstanders arresteert om zo de oppositie vleugellam te maken. De beroemdste onder hen is Berehanu Nega, rechtmatig burgemeester van Addis Abeba en hoogleraar aan de universiteit. Zijn rechterhand – en beoogd vice-burgemeester – weet naar Zweden te ontkomen. Berehanu zit tot op de dag van vandaag gevangen op een gefabriceerde aanklacht voor hoogverraad en genocide.

Vanwege grote internationale druk moet het parlement vol Meles-aanhangers een onderzoekscommissie instellen die zal bekijken of de politie buitensporig geweld heeft gebruikt. „Toen we voor het eerst bijeenkwamen, hadden zich al vier mensen teruggetrokken. Na een maand stapte de vice-voorzitter op. Uit angst voor de regering.” Samen met de voorzitter, eveneens een rechter, weet Woldemichael te bereiken dat niemand zich van de eindstemming kan onthouden. „Want anders zal iedereen*”, en hij heft zijn armen. Drie maanden later krijgt de commissie vijf nieuwe leden toegewezen, van wie er direct weer één verdwijnt. Woldemichael wordt vice-voorzitter.

De onderzoeksperiode betreft 8 juni en 29 oktober tot 14 november 2005 toen in steden als Addis, Bahar Dar, Gondar, Dessi, Wellega, Awasa en Arba Minch wanhopige en woedende studenten, boeren, scholieren en anderen de straat opgingen. „Volgens het parlement zijn er in die dagen 56 doden gevallen, volgens het Franse persbureau AFP 88. Maar wij zouden er uiteindelijk 193 tellen”, zegt Woldemichael, die bedachtzaam zijn Engels formuleert.

„We begonnen ons onderzoek in de hoofdstad. We haalden in de wijken, de kebele, alle begrafenisondernemers bij elkaar om doden uit de bewuste periode te tellen.” Die reageerden achterdochtig. „Waarom verspilt u onze tijd? We krijgen toch nooit het resultaat te horen van dit soort onderzoeken”, luidde hun kritiek. „Wij beloofden hen te informeren, en wisten hun vertrouwen te winnen. Het bleek dat alleen al in Addis meer dan 100 mensen door veiligheidstroepen waren gedood.”

De commissie bezoekt ook de beruchte Kaliti-gevangenis om met gevangenen te spreken. „Ook daar moesten we eerst het wantrouwen tegen de overheid zien te overwinnen. Op 28 oktober is er in Kaliti een massamoord gepleegd. De regering had 7 doden gemeld, maar wij ontdekten dat er 17 doden en 65 gewonden waren geweest. De bewakers dachten dat iemand wilde ontsnappen en begonnen in het wilde weg te schieten. In één ijzeren deur telde ik 42 kogelgaten.” Bij de gemeentelijke begraafplaats voor daklozen waren 10 doden uit Kaliti gebracht, en nog meer via de ziekenhuizen gestuurd.

In april 2006 trekt de commissie in twee ploegen het land in. „Op de middelbare Fasilidesschool in Bahar Dar ontdekten we dat de politie op de campus waar scholieren protesteerden zes leerlingen had doodgeschoten. Een boerendochter van 16 jaar raakte verlamd doordat de politie een kogel door haar hoofd schoot. Waarom? Ze zetten ook boeren gevangen alsof het leden van de CUD zijn. Maar álle Ethiopiërs willen verandering. Op een andere school werden veel meisjes met knuppels geslagen en geschopt. Eén zwaargewond meisje werd door de politie naar een geheime plaats afgevoerd.”

Terug in zijn kantoor in de hoofdstad Addis blijft de telefoon van rechter Woldemichael rinkelen. „Iedereen belde. Het hoofd van de veiligheidsdienst, de hoofdcommissaris, mijn hoogste baas, de directeur van het gevangeniswezen. ’Wat doe je? Waarom roep je mensen op?’ Altijd oefenden ze druk uit, of dreigden ronduit: ’Pas op, anders loop je gevaar’. Echt, elke dag. En ze kwamen ook op kantoor langs.”

In juni verkast de commissie naar Awasa om daar, zonder ongewenst bezoek, haar rapport te schrijven. De angst knaagt aan Woldemichael. „Ik probeerde het te weerstaan, want we hadden de mensen beloofd eerlijk te zijn.” Veiligheidsagenten bedreigen nu ook telefonisch zijn vrouw en kinderen. „Ze waren doodsbang en vroegen me terug te treden.”

De commissie komt op 763 gewonden (de regering 120) en 193 doden. „Uit angst om ontvoerd te worden of erger, legden we onze beslissing op video vast.” Met acht tegen twee stemmen kan de commissie maar tot één besluit komen: er is buitensporig veel geweld gebruikt.

„De twee tegenstemmers lekten onze conclusie naar de regering. Daarop belde de parlementsvoorzitter, gevolgd door het kantoor van premier Meles. Drie vice-ministers zouden me die avond komen opzoeken.” Bij het gerechtshof wemelt het ineens van de veiligheidsagenten. „Het gewone personeel was verdwenen, op één man na, die me waarschuwde dat ik in gevaar was. Ook in ons pension liepen veel vreemde mannen. Ik belde mijn vrouw om haar te waarschuwen, voor het geval ik zou verdwijnen.”

Woldemichael krijgt te horen dat de commissie nog geen rapport mag schrijven en die week bij de premier in Addis moet verschijnen. In zijn werkkamer, om 10.00 uur ’s ochtends, vraagt dictator Meles Zenawi: „Hoe gaat jullie onderzoek?” De voorzitter wil antwoorden: „Wij hebben geconcludeerd*” „Stop!”, onderbreekt Meles hem. „Hebben jullie de context van de verkiezingen er wel bijgenomen?” Meles bedreigt de commissieleden indirect: „Als ik de voorzitter (die mager is) aanval met een mes, is dat buitensporig geweld. Maar als ik bij een gevecht met de professor (die dik is) een mes gebruik, is het dat niet.”

Woldemichael kan er nog steeds niet over uit dat Meles, een econoom, rechters de les leest over de definitie van geweld.

Meles stelt dat de beslissing van de commissie een gevaar is voor de regering, en ’Ethiopiërs doodt’. Ook vanwege de internationale opinie moet de commissie haar eindoordeel veranderen. „Ik zie jullie de volgende keer met het juiste besluit”, besluit Meles en vertrekt.

Woldemichael besluit ter plekke dat de maat vol is. Hij wil niet liegen, en moet daarom vluchten. De groepsleden kunnen de druk niet weerstaan; ze zeggen dat de rechters hen misleid hebben. Woldemichaels paspoort wordt ingenomen, net als een vliegticket voor een studiereis naar de VS. Hij hoort via via dat zijn naam op de zwarte lijst van Ethiopian Airways is geplaatst, zodat hij het land niet meer per vliegtuig kan verlaten.

Wat vindt zijn vrouw van de situatie? „Toen ik zei dat ik moest vluchten, huilde ze elke dag.” Begin september neemt Woldemichael (55) een taxi naar de grens met Kenia en koopt de grenswacht om. De vlucht van de rechter uit de belangrijke onderzoekscommissie is groot nieuws. De Ethiopische diaspora en Amnesty International steunen hem en zijn familie, moreel en financieel. „Ik had documenten en de video van het commissiebesluit meegenomen als bewijs.”

In oktober komt de vriendelijke rechter aan in Nederland. Binnen drie maanden krijgt hij een verblijfsvergunning voor vijf jaar. Hoe voelt hij zich nu? „Aan de ene kant blij, dat ik er zonder kleerscheuren vanaf ben gekomen. Misschien ben ik wel een voorbeeld voor anderen, in de strijd voor democratie. Maar aan de andere kant ben ik alles kwijt. Mijn status, inkomen, alle contacten. Bovendien heeft de regering mijn huis en bezittingen in beslag genomen.” Zijn vrouw en drie dochters zijn inmiddels naar Kenia gevlucht. Binnenkort mogen ze ook naar Nederland komen. Woldemichael bidt elke dag voor de hereniging met zijn gezin.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden