DE RECHTE LIJN HEEFT AFGEDAAN IN VIETNAM

Vietnam is niet zomaar een straatarm land dat voorbij het communisme probeert te komen. Voor de buitenwereld is Vietnam vooral een emotie. En daar valt geld mee te verdienen, ontdekte de yup die in Saigon de bar Apocalypse Now exploiteert. Alleen, in het noorden waar de politieke macht zetelt, hebben ze dat nog niet in de gaten. Op reportage in een land waar het zuiden niet weet wat het noorden denkt, en het noorden niet wil weten wat het zuiden doet.

Op de brede dijk door de rijstvelden, even ten noorden van de hoofdstad Hanoi, dromt een honderdtal voorbijgangers samen. De vrouwen met een rieten punthoed op, de mannen met de legergroene tropenhelm in de ene en een oude fiets in de andere hand. Zwijgend staren ze naar het mengsel van verwrongen staal, modder en bloed. Eenmaal tussen de wielen geraakt had de bestuurder van de bromfiets geen schijn van kans. Iemand heeft een rieten matje gelegd over zijn levenloze lichaam, bij het plukje zwarte haar dat er bovenuit steekt branden wierrookstokjes.

De schuldvraag staat niet ter discussie, de vrachtwagen is groot en sterk en staat dus in zijn recht. Als die in de malende stroom van fietsers en bromfietsers een zwenking naar rechts maakt, dan moet het lichtere spul maar wijken. "De mensen mopperen op de nieuwe bromfietsen" , rapporteert Le Vien Tho, die even poolshoogte is gaan nemen. "Die rijden te hard, zeggen ze. Er schijnen hier de laatste tijd voortdurend van dit soort ongelukken te gebeuren. Ze kunnen hier gewoon niet met die bromfietsen omgaan."

En 'hier' is in de ogen van Le Vien Tho het domme noorden van Vietnam, waar alles traag verloopt langs duidelijke, door de partij bepaalde lijnen. "Van wendbaarheid worden ze hier heel nerveus, ze willen alles kunnen voorspellen." De hele weg van het vliegveld naar de hoofdstad Hanoi heeft de jonge rechtskundig adviseur af zitten geven op zijn landgenoten in deze streek. Ze zijn lui, ze zijn niet creatief, hebben geen eigen wil meer. De meeste overheidsdienaren weten niet eens wat een rechtskundig adviseur is, kan het nog achterlijker?

Tho is het toonbeeld van een opgewonden standje uit Zuid-Vietnam. Nauwelijks dertig en een heel leven achter de rug. Kinderjaren in de oorlog, acht jaar studie in het buitenland en nu juridisch adviseur van een groep particuliere bedrijven in oprichting in Saigon. Ho Chi Minh-stad moet je hier zeggen. Anders denken ze hier dat je een contrarevolutionair bent, adviseert hij.

Het gaat uitstekend met 'zijn' bedrijven, pocht hij. Helemaal gelogen zal dat niet zijn, de enige westerse auto die op de vrijwel lege parkeerplaats van het vliegveld stond te wachten was voor hem. Hij haat deze opdrachten, bekend hij. De laatste tijd vliegt hij vrijwel elke veertien dagen naar de hoofdstad, om voor zijn opdrachtgevers uren lang rond te hangen in de gangen van overheidsgebouwen. Zijn opdracht is uit te zoeken wat de nieuwe regels zijn, welke wetten er worden voorbereid en welke richtlijnen er naar de lokale overheden uitgaan.

En dat allemaal omdat de opbloeiende particuliere bedrijven in het zuiden zo langzamerhand wat vaste juridische grond onder hun voeten willen hebben. "Een hopeloze taak" , ratelt Tho. "Er zijn hier helemaal geen regels, althans geen openbare regels. Dat doet de regering met opzet, zodat ze je altijd kunnen pakken als de wind weer eens uit een andere hoek waait. Dit land is in feite een wetteloos land. Ze snappen niet eens dat wij om duidelijke spelregels komen vragen. 'Je merkt vanzelf wel als het niet mag', zeggen ze dan. Moeten wij dan maar blind een opslagplaats van 50 000 dollar gaan bouwen, met het risico dat een of andere partijfunctionaris achteraf zegt dat we niet aan een zelf bedacht voorschrift hebben voldaan? Zodat hij het zelf kan inpikken?"

In al zijn primitiefheid is Saigon inderdaad een vrolijke, zinderend dynamische stad. Zwoel van temperatuur en atmosfeer. De sombere legergroene arbeiderspakken zijn hier al lang vervangen door frivole, luchtige kledij en moderne zonnebrillen. Het trefwoord is 'handel'. Als mieren bij de bouw van hun hoop beweegt over de brede boulevards een krioelende stroom van luidruchtige brommers, fietstaxi's en dragers te voet, beladen met handelswaar. In de ijskoude bar van het Caravelle-hotel wordt gedempt gesproken over de verkoop van een container vol Tigerbier uit Singapore. In de hitte op straat halen bedelende oorlogsinvaliden een hoog rendement uit hun verminkingen en proberen schoolmeisjes tegen grof geld buitenlandse kranten te verkopen die ze uit vliegtuigen hebben ontvreemd. Na het vallen van de duisternis verhandelen hun oudere zussen andere charmes op de stoep voor de cafes in het centrum.

Op de stoep voor zijn opvallende uitspanning in het centrum drinkt eigenaar Zip Tone zwarte koffie. Eigenlijk heet de eigenaar van de Apocalypse Now-bar Ton That Diep. Maar dat klinkt niet in het Engels, vooral als je almaar moet uitleggen dat de voornaam, uitgesproken als 'zzjep' in het Vietnamees altijd achteraan staat. Vandaar dat er Zip Tone op zijn visitekaartje staat. De eerste yup van Vietnam moet hij zijn. Toen hij vorig jaar de bar opende, was hij 25 jaar. Nu praat hij al met de arrogantie van een geslaagd zakenman en naar Vietnamese begrippen is hij rijk te noemen. Zelf zal hij pas tevreden zijn, zegt hij, als hij ook in Amerikaanse dollars gerekend miljonair is.

Aan zijn daadkrachtige aanpak en soepele omgang met de communistische autoriteiten te zien, zit dat er wel in. Zijn achtergrond is klassiek. Met zijn familie trok hij na de communistische overwinning vanuit Hue, in het midden van het land, naar het zuiden in de hoop daar een bootje naar het buitenland te kunnen vinden. In Saigon bleven ze steken. Daar ging hij naar de middelbare school en vervolgens als dienstplichtige naar Cambodja. "Toen ik in '88 hier terugkwam, rook je dat er iets aan het veranderen was. Er heerste een zenuwachtige atmosfeer, het bevrijdende gevoel van een juk dat langzaam van je schouders glijdt en tegelijkertijd een paniekgevoel omdat je niet weet welke kant je uit moet rennen om te voorkomen dat ze je weer te pakken krijgen met dat juk."

Ton That Diep koos een handige middenweg, hij ging werken voor het staatsbedrijf dat het voorzichtig op gang komende toeristenstroompje moest opvangen en begeleiden. De buitenlanders, altijd klagend over de saaie avonden in de stad, brachten hem op het idee van een bar. Het zou de eerste particuliere schenkgelegenheid zijn en de weg door de ambtelijke molens was taai. De naam 'Apocalypse Now' was gesuggereerd door een Australische toerist, met het voor 'Zip' belangrijke argument dat hij onmiddellijk opvalt tussen alle brave Vietnamese Vredeshotellen een Eenheidscafes.

Dat deed het, ook voor de politie. Die nam de jonge ondernemer mee naar het bureau. Of hij niet wist wat Apocalypse Now betekende. Nee, Zip had daar nooit over nagedacht. De totale ondergang betekent het, hadden ze hem boos in het gezicht geroepen, je drijft de spot met de bevrijdingsstrijd. Maar hij hield vol dat er van spot geen sprake was en de agenten, die de Amerikaanse oorlogsfilm ook nooit zelf gezien konden hebben, althans niet legaal, lieten hem uiteindelijk gaan.

Spijt heeft Zip Tone niet van die naam. Elke buitenlander die de stad aandoet bezoekt zijn bar, waar animeermeisjes en muziek van Rolling Stones en Creedence Clearwater Revival de sfeer van de jaren zestig en zeventig weer helemaal terugbrengen. Binnenkort opent hij een nieuwe zusteronderneming, Apocalypse Now Tours. Daarvoor heeft hij twee oude legerjeeps gekocht en laten renoveren, om groepjes toeristen mee te nemen op 'nostalgische toers' door de Mekong-delta.

Daarin ligt een grote toekomst, zegt hij. En hij bedoelt: het oorlogstoerisme. Hij weet hoe hij de wereldwijde naamsbekendheid van zijn land te gelde kan maken. Voor een groot deel van de wereld is Vietnam niet een arm onderontwikkeld land, dat zich aan de dogma's van het communisme en een knellend Amerikaans handelsembargo probeert te ontworstelen. Zip Tone weet dat Vietnam in het buitenland vooral een emotie is, een herinnering aan een oorlog die de wereld en zelfs de betrokken partijen verdeelde in voor- en tegenstanders.

Onlangs versoepelden de Amerikanen het handelsembargo door het verbod op georganiseerde reizen naar Vietnam op te heffen. Dat levert een nog kleine groep van 'oorlogstoeristen' op. Amerikanen die destijds direct betrokken waren bij de oorlog en nog zichtbaar geleid worden door frustraties over de in 1975 verloren zaak, vermengd met herosche herinneringen aan de tijd dat die zaak nog niet verloren leek. Sommigen komen om op dramatische wijze spijt over hun optreden in het verleden te betuigen, anderen willen eigenlijk niets liever doen dan die oorlog nog eens naspelen. Tot die laatste categorie hoort ook een nieuwe generatie toeristen, die tijdens de gevechten nog in de luiers lagen maar die het land kennen uit de vele bioscoopfilms en tv-series over het gevecht tussen communisme en kapitalisme, noord tegen zuid, kwaad tegen goed of andersom.

Ho Chi Minh-stad zou Saigon niet zijn als het daar niet soepel op inspeelde. Sinds twee maanden is het mogelijk om je in een echte Amerikaanse legerjeep door de steegjes in de Chinezenwijk uit de film 'The Deer Hunter' te laten rijden, zwaaiend naar de meisjes langs de kant van de weg. Op de markt liggen vitrines vol met souvenirs uit de oorlog: Amerikaanse legerkompassen met op de achterkant de waarschuwing dat er radio-actief materiaal in zit, metalen identiteitsplaatjes 'van gesneuvelde soldaten' en aanstekers met inscriptie. En naast de Apocalypse Now-bar heb je de Cyclo-bar en het Hard Rock Cafe, waar louter muziek wordt gedraaid uit de oorlogsjaren.

Het Museum van de Amerikaanse Wreedheden, ooit een belangrijk element in de opvoeding van de Nieuwe Jeugd, bestaat nog wel, maar heeft nog maar weinig aanloop. De zaal met foto's van napalmbombardementen, moordpartijen in dorpen en andere gruwelijkheden uit de oorlog, is uitgestorven. Een verplichte excursie voor de lagere schoolklassen is dit museum niet meer en van een openbare aanklacht tegen de Amerikanen is het een soort rariteitenkabinet geworden, bezocht door toeristen uit Taiwan en Korea, wier ongezonde belangstelling zich concentreert op het in de tuin tentoongestelde wapentuig.

Blijkbaar hebben al die jaren heropvoedingskamp, al die vreugde over de 'hereniging van het ene, ondeelbare Vietnam' weinig geholpen. Het zuiden heult openlijk met de vijand van weleer. Oude bestuurders van cyclo's (fietstaxi's) bekennen onbekommerd dat ze vroeger voor de vijand hebben gewerkt, wat ze staven met een forse kennis van het straatAmerikaans. Twee jaar geleden kon je voor zo'n onthulling alsnog de bak in draaien, meldt cyclo-bestuurder Te. "Nu interesseert het niemand meer. Het wordt binnenkort misschien nog wel een voordeel dat je voor de Amerikanen hebt gewerkt. Een bedrijf weet dan tenminste dat je niet zo'n communistische draaikont bent."

Maar het land s toch nog communistisch? "Dt land niet. In het noorden, daar zijn ze communistisch. En om zichzelf gerust te stellen zeggen ze dat het zuiden ook communistisch is. Maar wij zijn gewoon een vrij land aan het worden" , aldus Te, die tijdens de lange fietsritten door de uitgestrekte stad graag mag filosoferen over de verlokkingen uit het Westen die binnenkort ook binnen zijn bereik zullen liggen. Zelfs de oude schrijver/dissident Doan Quoc Sy, die het grootste deel van de jaren sinds '75 in de gevangenis heeft doorgebracht, zegt op het moment geen aanleiding te zien om dissident te zijn. Althans, in het zuiden.

Vergeleken met Saigon is Hanoi inderdaad een groot - en mooi - dorp. In de Binh Tay-markt van Saigon instrueren meisjes in modern winkeluniform de bezoekers voor het gebruik van 's lands eerste roltrap. In Hanoi staan politie-agenten onder de eerste stoplichten om de fietsers uit te leggen dat rood licht ook echt 'stoppen' betekent. Hoewel er ook hier met tv's gesjouwd wordt, gonst het niet bepaald van de activiteit.

Bij aankomst blijkt in het eerste hotel de reservering niet verwerkt, het tweede kan het gastenboek niet vinden en verklaart zich dan ook maar vol en uiteindelijk is er alleen nog plaats in het op een na duurste hotel van de stad. Maar dan krijg je in zo'n Oosteuropese kolos ook extra veel comfort dat niet werkt, zoals een lamme ventilator, op vijf verschillende plaatsen losse elektriciteitsdraden uit de muur in plaats van de gebruikelijke twee plekken, en extra veel lampjes zonder peertjes.

Toch heeft de bediening wel iets meegekregen van de frisse wind in het zuiden: veel vriendelijk geknik en beleefd de hand ophouden voor een fooi. Om de gasten overdag niet te hinderen is de kleine verbouwing van de lobby uitgesteld tot na bedtijd, zodat tegen middernacht het geluid van de zaagmachine, die zich gillend een weg snijdt door de marmeren tegels, door de hoge gangen echoot. En ach, de werklieden vinden het ook wel gezellig als tegen een uur of twee de meeste gasten - Japanners, Chinezen, Fransen - het niet meer uithouden en zwijgend op de trap de handarbeid gadeslaan. De meesten zijn ervaren bezoekers van het land en weten dat boos worden in Hanoi geen zin heeft. Glimlachen en theedrinken is het devies, ook in het holst van de nacht, wil je op langere tijden nog iets gedaan krijgen.

Het toppunt van vermaak is in Hanoi een wandeling langs het Hoan Nuommeer of een dag naar het mausoleum van Ho Chi Minh. 's Avonds is er enig vertier in de Pianobar, waar zich de buitenlanders verzamelen voor wie de International Club wat al te diplomatiek en gesoleerd is. Een wonderlijke plaats, achter een simpel uithangbord ligt een al even simpele forse huiskamer verborgen. Er is amper plaats voor zes tafels en een piano. Het eten is er uitstekend, de frivole sfeer heeft iets illegaals. De gastvrouw, gekleed in de traditionele ao dai, een dunne strakke jurk met een lange broek eronder, trippelt koket rond en strijkt gasten over de bol. Piano en viool spelen Brahms, Tsjaikowski en vrolijker. Serieuze ontwikkelingswerkers ruzien er met ideologische collaborateurs, jonge Franse neo-kolonialisten en een enkele partijfunctionaris. Er is geroezemoes, gerinkel van bestek en Heineken bier in blik. 'Bleu, bleu, l'amour est bleu', treurt de viool.

De snel weer breder wordende kloof tussen het noorden en het zuiden van Vietnam is regelmatig onderwerp van gesprek. Een zekere splitsing is er inderdaad, maar dat het land weer in twee stukken uiteen zal vallen betwijfelt men. In het zuiden bestaat een verkeerd beeld van Hanoi, het zijn daar niet allemaal dorre partijfunctionarissen en wrede onderdrukkers. "In het zuiden denken ze dat zj degenen zijn die het meeste hebben geleden onder het communisme, onder de heerschappij van het noorden" , zegt een ontwikkelingswerker die hier al vijf jaar rondloopt. "Maar vergeet niet dat Hanoi voor 1954 ook een bloeiende stad was met veel economische activiteiten. Er zijn hier veel families, van wie alles is afgepakt en die minstens zo hard hebben geleden als de mensen in het zuiden. Alleen twintig jaar langer."

Hij wijst er op dat vrijwel alle ministers en hoge partijfunctionarissen afkomstig zijn uit het midden van het land, uit de strook waar de strijd tussen het noorden en het zuiden het hardst is geweest. De bewoners van Hanoi zijn juist bitter dat ze in het zuiden volop gebruik maken van de vrijheid, die aan hun voorbij dreigt te gaan. Want het zure is dat het juist Hanoi was dat in 1987 het teken tot economische liberalisatie gaf, waarvan Saigon nu zo profiteert.

De oppositie die er in Vietnam is, komt tegenwoordig ook niet meer uit het zuiden. Daar praten ze niet meer over de gewenste ideologie, daar doen ze gewoon. De kritiek komt tegenwoordig van binnenuit, van teleurgestelde kaderleden die steeds openlijker de ontwikkelingen aan de kaak stellen. Anderhalve maand gelden werd Le Than Hai, hoofd van het huisvestingsprogramma van de staat, na publieke protesten ontslagen wegen corruptie. Hij had veel van de Franse villa's, die na de overwinning in 1954 waren genationaliseerd, voor een spotprijsje doorverkocht aan familieleden en bevriende partijfunctionarissen. Er kwam zelfs een openbaar debat over deze zaak in het parlement.

De ideologische strijd achter de schermen van Hanoi wordt hoofdzakelijk gevoerd tussen de stalinistische theoretici en het liberalere leger, dat tamelijk populair is bij de bevolking. Maar ook binnen het kader kraakt het. Nguyen Khac Vien, een belangrijk marxistisch historicus van de partij en bekend auteur van boekjes die de loop der gebeurtenissen in de juiste doctrinaire plaats trachtten te persen, hield vorig jaar in Hanoi een opzienbarende toespraak, waarin hij het staatsapparaat omschreef als volledig incompetent, niet meer in staat leiding te geven aan een steeds chaotischer samenleving. "Onze leiders zijn omringd door pluimstrijkers, die niets presteren en alleen uit zijn op gunsten. De lagere leiders en het volk hebben het geloof in de hogere echelons verloren."

Eerder al had kolonel Bui Tin, een veteraan die in '54 had meegeholpen de Fransen uit Dien Bien Phu te verjagen en die in '75 de overgaven van Saigon door het zuidelijke leger accepteerde, de partijleiding openlijk voorgehouden 'dat ons huis in brand staat'. In plaats van een zelfonderzoek in te stellen, degradeerde de partij de oorlogsheld tot revisionistisch dissident.

"Daar zal de eenheid van Vietnam van afhangen, van de uitkomst van die interne strijd" , zegt een lagere Franse diplomaat, die al een paar jaar probeert vanuit het slaperige Hanoi te worden overgeplaatst naar het consulaat in Saigon. "Als de harde lijn hier wint, dan valt dit land onherroepelijk in twee delen uiteen. Want alleen in het noorden kunnen de communisten dan nog greep op de ontwikkelingen krijgen. In het zuiden is de geest al zover uit de fles, dat die er alleen nog met oorlogsgeweld weer in te krijgen zou zijn."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden