'De radicalisering bevalt mij niet'

Na veertien jaar nam Herman Tjeenk Willink deze week afscheid als vicevoorzitter van de Raad van State. Anders dan zijn voorgangers gooide de gaande onderkoning graag stenen in de Hofvijver. Hij gaf de functie een nieuwe dimensie door zich op te werpen als waker over de democratische rechtsstaat.

INTERVIEW | HANS GOSLINGA EN CEES VAN DER LAAN

'De kennis van een gevolg hangt af van de kennis van de oorzaak en sluit die in', staat er op de achtergevel van het gerestaureerde gebouwencomplex van de Raad van State. De tekst, een van de grondstellingen van de filosoof Spinoza, kan doorgaan voor een bondige samenvatting van de wijze waarop Herman Tjeenk Willink vanaf 1997 zijn functie van vicepresident van het advies- en bestuursrechtscollege vervulde. Hoewel hij nog altijd vindt dat een adviseur 'niet in de media, maar in de schaduw thuishoort', timmerde hij doelbewust aan de weg met zijn kritische reflecties op de oorzaken en gevolgen van de dynamiek tussen de instituties van de staat, de politiek en de burgers.

Van zijn voorganger Willem Scholten hoorde het publiek bij wijze van spreken alleen bij zijn benoeming en zijn vertrek, en een van diens voorgangers, de sfinxachtige Louis Beel, kroop zelfs letterlijk door het struikgewas rondom paleis Soestdijk om de pers te ontlopen, maar de gaande onderkoning gooide graag stenen in de Hofvijver. Sterker nog, hij gaf de functie een nieuwe dimensie door zich op te werpen als waker over de democratische rechtsstaat.

In zijn ruime werkvertrek in het Witte Paleisje aan de Haagse Kneuterdijk, eens de slaapkamer van Anna Paulowna, geeft Tjeenk Willink er een eenvoudige verklaring voor. "De Raad van State hoort een stabiele factor te zijn in een omgeving die op de tijdgeest reageert, een constante in periodes van onrust en verandering. De behoefte aan stabiliteit wordt groter als er aandrang is tegen de instituties aan te schoppen. De tijden van Scholten en Beel waren andere en vroegen een ander optreden om de legitimiteit en de continuïteit van de staat te garanderen. Ik heb gaandeweg steeds meer behoefte gekregen de interne spelregels van het staatkundig leven uit te leggen. Vooral na 2002 kwam daar echt de vaart in."

De dynamiek die hij beschrijft, culmineerde bij de kabinetsformatie in 2010 in een harde botsing met de leiders van de formerende partijen VVD, CDA en PVV. Rutte, Verhagen en Wilders meenden zonder tussenkomst van het paleis de onderhandelingen te kunnen hervatten, nadat zij die eerder hadden gestaakt. Uit de hoek van de liberalen kwam zelfs openlijke kritiek op de interventie van de naaste adviseur van 'de majesteit', zoals de koningin in politiek Den Haag wordt genoemd. Een lid van Rutte's formatieteam twitterde: 'De ondemocratisch benoemde Tjeenk Willink trotseert de wens van de democratisch gekozen meerderheid van de Tweede Kamer'. Wilders beukte nog harder en omschreef hem in een van zijn beruchte tweets als 'een links eurofiel anti-PVV-mannetje'.

Tjeenk Willink: "Dat was een vervelende fase. Het ging mij om de zuiverheid en de transparantie van het proces. Op dat moment in de formatie was het nodig de stand van zaken te objectiveren, zodat ook achteraf duidelijk zou zijn waarom een bepaalde keuze werd gemaakt." Er was nog een tweede argument. "Je kunt niet halverwege de procedure zeggen: we gaan het anders doen. Het was wat anders geweest als de Tweede Kamer vanaf het begin had besloten de formatie in eigen hand te houden. Dat kan, maar die keuze is niet gemaakt. Het verwijt dat mij werd gemaakt, was onterecht."

Over de nogal op zijn persoon gerichte aanvallen, haalt hij zijn schouders op. "Ha ha, zoete broodjes worden hier niet gebakken. Het informateurschap is een heidense klus en dat weet je als je eraan begint. Er is vrijwel altijd kritiek. Daarom zijn zorgvuldige procedures zo belangrijk en allesbehalve een overbodige luxe."

Hij laat er geen twijfel over bestaan een kabinetsformatie via het staatshoofd verre te verkiezen boven een formatie vanuit de Kamer, hoewel staatsrechtelijk niets zich daartegen verzet. Die opvatting vloeit voort uit zijn visie op de democratie, die meer omvat dan de regel dat de meerderheid beslist. "Je moet altijd rekening houden met de gevoelens en opvattingen van minderheden. Nu is het zo dat de koningin na de verkiezingen elke partij hoort, ook als die maar één zetel heeft. Dat is wel zo democratisch. Ik vraag me af of die betekenis van het proces voldoende wordt beseft. Ik ben er niet tegen dat de Kamer zelf de informateur aanwijst, maar je moet je wel realiseren wat dat betekent. Wat gebeurt er bijvoorbeeld in de acht dagen tussen de verkiezingsdag en de eerste vergadering van de nieuwe Kamer?"

U bedoelt dat 'het geheim van Noordeinde' wordt vervangen door 'het geheim van het Binnenhof'?
"Het argument om de formatie in handen van de Kamer te geven, is altijd geweest dat het proces transparanter wordt. Zou dat zo zijn? De koningin neemt beslissingen op basis van alle adviezen, waarvan het merendeel direct openbaar wordt gemaakt. Dat is zeer transparant en controleerbaar. Natuurlijk beslist in een democratie uiteindelijk de meerderheid, maar je moet die regel niet verabsoluteren, dan wordt het onleefbaar. De politisering van de formatie staat haaks op deze notie. Dat proces is al veel langer gaande. Vroeger was er alleen een formateur. Toen dat politiek te gevoelig werd, kwam er in de jaren vijftig eerst een informateur. Nu is het al zo ver dat we eerst een verkenner inschakelen. Hoe lang moeten we nog wachten voor we de eerste voorverkenner krijgen? In deze situatie speelt het staatshoofd een nuttige rol. Politici zijn nu eenmaal geneigd hun kaarten zo lang mogelijk tegen de borst te houden."

Als voorstander van gematigde verhoudingen ziet hij meer tendensen van radicalisering die hem niet bevallen. "Ik heb me geërgerd aan de uitspraak van de Kamer dat het homohuwelijk moest worden ingevoerd op Bonaire, Sint Eustatius en Saba nu zij, sinds 2010, direct deel uitmaken van Nederland. Je kunt zoiets niet zo maar even overplanten in een andere cultuur op bijna 8000 kilometer afstand die daar nog niet aan toe is. Hoe lang hebben wij er zelf over gedaan voor homo's konden trouwen?

Wat mij ten diepste niet aan die Kameruitspraak bevalt, is dat zij van zo weinig interesse getuigt in een andere cultuur. De benadering is wettisch en bovendien contraproductief. Kijk eens hoe we in Nederland gevoelige kwesties als echtscheiding, abortus en euthanasie hebben geregeld: heel geleidelijk, tastend en aanvankelijk steeds via rechterlijke uitspraken. En dan wil je daar het homohuwelijk van de ene op de andere dag opleggen? Kom op, zeg!"

De Raad van State zelf speelde als bestuursrechter een belangrijke rol in de SGP-kwestie, een zaak waarin een kleine minderheid van orthodoxe gereformeerden tegenover een opvatting van een meerderheid stond. De uitspraak kwam erop neer dat de overheid de subsidie aan de partij niet mocht onthouden en dat SGP-vrouwen, indien zij zich tegen de visie van hun partij in verkiesbaar wilden stellen voor een publiek ambt, een eigen partij konden oprichten. "In die uitspraak hebben wij gepoogd zowel aan de rechtsstaat als aan de democratie recht te doen. Die twee zijn niet los verkrijgbaar. Rechtsstaat en democratie horen bij elkaar, maar de principes waarop zij rusten, zijn verschillend. Je moet zoeken naar de ruimte om die te combineren. Dat maakt de Raad van State tot zo'n bijzonder instituut, de combinatie van actie en reflectie. Daarom moet je de adviesfunctie en de bestuursrechtspraak niet uit elkaar halen."

Gaat achter die SGP-kwestie en andere zaken waarin minderheden onder druk komen te staan, niet de behoefte schuil van de seculiere meerderheid aan een nieuwe identiteit?
"Wat mij opvalt, is dat men niet meer kijkt wat mensen bindt, maar hoe voorstellen aangenomen kunnen worden. Ja, ik doel op de kwesties van de weigerambtenaren en het onbedwelmd rituele slachten. Maar pas op: ieder op zijn tijd wordt in een minderheidssituatie gedrukt. Daarom behoren in een democratie meerderheid en minderheid principieel inwisselbaar voor elkaar te zijn. In de tijd van de verzuiling bestond er een tolerantie die nodig was om vreedzaam met elkaar om te gaan. Die tolerantie moet je niet overdrijven, zij was in feite heel rationeel en een weerspiegeling van de koopman en dominee in ons. Het grote voordeel van de verzuiling, de kunst met verschillen om te gaan, is met de ontzuiling verdwenen, het grote nadeel is gebleven. Dat is de onmacht het politiek-inhoudelijk debat met elkaar aan te gaan. Dat is wat anders dan 'ik zeg wat ik denk' en het verwerpen van compromissen. Als dat soort radicaliteit dominant wordt, gaat het mis. De achterliggende oorzaak is dat na de ontzuiling nooit echt is nagedacht over een nieuwe verhouding tussen burgers, politiek en staat. Integendeel, de boel is verrommeld. De politiek is nooit over de ontzuiling heen gekomen en heeft zich laten wegdrukken door de markt, de bureaucratie en bestuurlijk denken."

Hoe verklaart u dat?
"Vanaf de tijd van Den Uyl ging het over bezuinigingen en de ideologie van de markt. PvdA en VVD hebben wel de individualisering omarmd, maar nooit nagedacht over wat actief burgerschap betekent. Het CDA heeft verzuimd de subsidiariteit en de principes van soevereiniteit in eigen kring nieuwe inhoud te geven. Daardoor is een vacuüm ontstaan. Dat begon al eerder dan in 2002, toen Fortuyn op het toneel verscheen. De onvrede was er al in 1994, toen het CDA twintig zetels verloor en de PvdA ondanks twaalf zetels verlies ging regeren. We zitten nu in een klimaat dat voornamelijk wil afrekenen. Dat is lastig, want er zijn geen gemakkelijke oplossingen."

Politiek kan volgens hem niet zonder burgerschap dat is gebaseerd op eigen verantwoordelijkheid. "Mijn boodschap is steeds geweest mensen op de vloer van de samenleving vertrouwen en ruimte te geven. De managementlaag tussen politici die worden geacht te bepalen wat het algemeen belang inhoudt en uitvoerders die het eigenlijke werk doen, is verstikkend. Haal die weg, dat is beter dan maar te blijven suggereren dat ons politieke bestel niet deugt. We zullen het ermee moeten doen, want een grondwetswijziging zit er niet in, of het nu gaat om referenda of veranderingen van het kiesstelsel. Laten we na veertig jaar discussie zeggen: dit is ons systeem en daar doen we het mee."

Geldt dat ook voor het koningshuis, dat de laatste tijd opnieuw onder politiek vuur ligt?
"Ja, hoewel de religie en levensbeschouwing in zekere zin zijn geprivatiseerd, is de behoefte aan nationale symbolen niet af-, maar toegenomen. Het koningschap kan in die behoefte voorzien, zij het wel met inachtneming van het woord van voormalig RVD-directeur Gijs van der Wiel: 'It's a royal family, not a holy family'. Over het algemeen geldt dat als er zwakheden zijn in de democratie de koning daar last van heeft. Je kunt wel ideeën uit buitenlandse stelsels introduceren, maar de vraag is of ze hier werken. Ik denk het niet, want dan waren ze wel eerder overgenomen. Bovendien, het koningschap is hier in ruim 150 jaar, vanaf de grondwet van Thorbecke, steeds beter in het bestel ingebed. Wat is eigenlijk het probleem? Als dat er al is, is het slecht gedefinieerd. Bovendien heb ik niet de indruk dat het politieke debat over de toekomst van het koninklijk huis een onderwerp is waar de mensen zich zoveel zorgen over maken."

Het probleem ligt wellicht, op gevoelsmatig niveau, dat voor het eerst na vier vrouwen weer een man de troon zal beklimmen.
"Ach, iedere koning of koningin is staatshoofd van zijn of haar tijd. Dat zal ook voor Willem-Alexander en Máxima gelden. Daar hoef je niet bang voor te zijn. Zij zullen hun eigen ruimte zoeken en hun eigen stijl ontwikkelen. Een andere tijd, een andere generatie. Rutte is ook een andere premier dan Biesheuvel."

Tjeenk Willink
Herman Tjeenk Willink (1942) was tot afgelopen woensdag veertien jaar lang 'onderkoning' van Nederland, zoals zijn functie als vicepresident van de Raad van State en één van de nauwste adviseurs van de koningin, in de volksmond wordt omschreven. Hij trad de afgelopen jaren diverse malen op als informateur; de laatste keer tijdens de formatieperiode van 2010.

Voordat hij vicepresident werd, was Tjeenk Willink zes jaar voorzitter van de Eerste Kamer en daarvoor senator namens de PvdA. Tot 1982 was de in Amsterdam geboren Herman Tjeenk Willink raadsadviseur op het ministerie van algemene zaken. Daarna bekleedde hij de post van regeringscommissaris voor de reorganisatie van de rijksdienst. In de jaren tachtig was hij een jaar of vijf buitengewoon hoogleraar bestuurswetenschappen aan de Tilburgse universiteit. Hij studeerde aan de universiteit van Leiden.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden