De PvdA-fractie moet een echte dualist als voorzitter kiezen

Hans Goslinga

Ruim veertig jaar nadat D66 het tot ontploffing wilde brengen, staat ons staatkundig bestel nog altijd overeind. Het overleefde de culturele omwenteling van de jaren zestig, omdat de traditionele partijen als dragers veel taaier bleken dan Hans van Mierlo veronderstelde.

De ontzuilde, onafhankelijke burgers, die hij in D66 een nieuwe politieke existentie wilde geven, waren te gering in getal en ook te elitair om een andere ordening der dingen in politiek-sociaal Nederland af te dwingen. Maar hoe is de stand van zaken nu? Is het bestel nog altijd bestendig genoeg om zonder grote veranderingen mee te kunnen?

Gek genoeg is het politieke debat over die vraag de laatste jaren niet of nauwelijks gevoerd. Zelfs de revolte van burgers in 2002 was geen aanleiding de instituties eens grondig tegen het licht te houden. Sterker nog, de gevestigde partijen doen, zoals de Vlamingen zeggen, gewoon voort alsof er niet is gebeurd en niets is veranderd. Ze kunnen er echter niet op vertrouwen dat het, net als in de afgelopen veertig jaar, zo’n vaart niet zal lopen.

De vice-president van de Raad van State, Herman Tjeenk Willink, en de Nationale ombudsman, Alex Brenninkmeijer, hebben de afgelopen weken de leidende politici opgeroepen hun indolente houding te doorbreken.

Hun kritische woorden verschilden van elkaar, maar de gemeenschappelijke noemer is de waarschuwing om de burgers eindelijk eens serieus te nemen en weer tot bondgenoot maken, zoals in de tijd van vòòr de ontzuiling.

In die tijd was niet alleen de inzet van de partijen de burgers mondig en zelfstandig te maken, het was ook hun reden van bestaan. De partijen waren vanaf het eind van de negentiende eeuw de voertuigen van de emancipatie van bevolkingsgroepen, maar toen die emancipatie eenmaal was voltooid, ontstonden er in de relatie problemen. D66 achtte daarom in 1966 de tijd rijp het oude bestel op te blazen. De bevrijde burger vroeg volgens de partij om een rationele, pragmatische politiek en een rechtstreekse invloed op zijn bestuurders. Dat was echter te vroeg gejuicht.

Pas na de ineenstorting van het communisme in 1989, waarmee een grote ideologische tegenstelling in het politieke debat wegviel, leek het erop dat voor Van Mierlo en zijn club gouden tijden zouden aanbreken. Dit is het begin, riep hij in die dagen over de electorale opmars van D66, maar dat was opnieuw een vergissing. De burgers bleken, hoe zelfstandig en onafhankelijk ook, behoefte te houden aan een bezielend verband, zoals sinds 2002 de comeback van het CDA en de opkomst van partijen als de SP, de ChristenUnie en de PVV lieten zien. Zelfs een surrogaat als nationalisme voldoet, zoals Verdonk toont.

Deze paradoxale beweging kan misschien worden verklaard als de ontzuiling van de burger wordt opgevat als een bevrijding in de zin van dekolonisatie.

De liberale journalist Henk Hofland gebruikte in de jaren zeventig dat beeld om aan te geven dat de moderne burger zich had ‘vrijgevochten van God, de kerk, de vorst en de staat’. Hij bedoelde dat positief om de verworven mondigheid van de burger te onderstrepen, maar de geschiedenis van gedekoloniseerde landen, waaronder de voormalige Nederlandse koloniën Indonesië en Suriname, laat zien dat omgaan met vrijheid een proces van vallen en opstaan is.

In dat licht hoeft het niet zoveel verbazing te wekken dat pas nu, veertig jaar na de culturele revolutie, voor het eerst een wezenlijk debat is ontstaan over de grenzen van de vrijheid. Daarbij is het ook niet vreemd dat die discussie de grootste turbulentie, en zelfs de uittocht van twee prominente leden, heeft veroorzaakt in de partij die de vrijheid van het individu centraal stelt, de VVD. De breuk met Verdonk en Wilders heeft alles te maken met de vraag hoe radicaal je dit uitgangspunt uitlegt.

De vrijheid van de ontzuilde burgers was nog in een andere zin relatief. De christen-democraat Donner heeft er enkele jaren terug op gewezen dat de burgers hun nieuwe vrijheid vierden in de zekerheid dat op de achtergrond altijd vadertje Staat met een uitkering klaarstond.

Het was een ironische variant op de constatering dat de verzorgingsstaat afhankelijkheid schept in plaats van vrijheid en eigen verantwoordelijkheid. De enorme winst van de SP heeft laten zien hoe groot de weerstanden nog altijd zijn tegen het doorbreken van de ongelukkige symbiose.

Hiermee is wel duidelijk dat het politieke antwoord op de complexe ontwikkeling van het overwegend ontzuilde en seculiere Nederland niet gemakkelijk is. Misschien valt er daarom wel iets te zeggen voor de opvatting van Donner dat je het bestel niet moet hervormen als er zoveel beweegt. Maar net doen alsof er niets aan de hand is, is riskant. De naar binnen gerichte houding van het tweede kabinet-Kok leverde in 2002 een harde reactie van de burgers op. Zoiets kan zich herhalen, als het zittende kabinet te veel naar binnen keert, zoals al meteen in het eerste jaar gebeurde in de loopgravenoorlog over het ontslagrecht.

Tjeenk Willink pleit daarom op goede gronden voor afstand tussen kabinet en parlement, zodat het politieke debat kan floreren en tegenstellingen in de samenleving een uitlaatklep vinden. Het vermijden en depolitiseren van lastige kwesties, zoals Kok II deed, is fnuikend gebleken. Daarom doet de PvdA-fractie er verstandig aan komende dinsdag uit haar midden een voorzitter te kiezen, die zich als een onversneden dualist durft te gedragen, ook tegenover Bos. Dat zal de oude Adam van het monisme die in elke PvdA’er huist, enige moeite kosten, maar het zou van een volwassen houding tegenover de burgers getuigen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden