De psycholoog die zijn vak en het onderwijs veranderde

Een ècht goede schaker zou hij nooit geworden zijn. Een echt goede wiskundige evenmin. Daarom stapte A.D. de Groot over van wiskunde op psychologie. Het zou van grote invloed blijken; zowel voor de Nederlandse psychologie als voor het onderwijs.

Adriaan Dingeman de Groot, afgelopen zondag thuis op Schiermonnikoog overleden, werd in 1914 geboren als de jongste van vijf kinderen. Zijn vader was huisarts. Adriaan scheelde zes jaar met de eerstvolgende en twaalf met de oudste. Die positie in het gezin, zei hij in interviews, verklaarde nogal wat van de rol die hij later in het publieke leven zou kiezen. ’Wacht maar, later ben ik óók groot’, had hij in zijn jeugd vaak gedacht.

Als student begon hij met wiskunde en was (en bleef) een verwoed schaker. Maar in geen van beide, zag hij eind jaren dertig in – hij hoorde toen overigens wel tot de beste tien van Nederland – zou hij ooit werkelijk goed worden. Daarom stapte hij over op psychologie – al promoveerde hij, in 1946, toch weer op een schaakonderwerp: op de studie ’Het denken van den schaker’. Vier jaar later werd hij in Amsterdam hoogleraar.

In de Nederlandse psychologie belichaamt De Groot de overstap van de ene op de andere soort zielkunde. Vóór De Groot was psychologie – aanvankelijk een afstudeerrichting binnen de wijsbegeerte – een vak vol filosofische speculaties. Vanaf De Groot werd het een vak waarin geteld en gemeten, geturfd en gewogen moest voor er iets beweerd mocht worden: een empirische wetenschap. In 1961 verscheen zijn boek ’Methodologie. Grondslagen van onderzoek en denken in de gedragswetenschappen’, dat hij voor een groot deel schreef tijdens een jaar, in 1959/60, als fellow aan het Institute for Advanced Study in the Behavioral Sciences van Stanford, in Californië. Generaties psychologiestudenten werden door dat boek uit de droom geholpen dat het vak alleen maar beschouwend (of gemakkelijk) zou zijn.

Maar vanaf halverwege de jaren zestig verlegde De Groot zijn werkterrein, al bleef hij hoogleraar methodologie van het psychologisch onderzoek aan de Universiteit van Amsterdam. In 1967 had De Groot voor het eerst iets over het onderwijs op te merken. Zoals hij eerder had gesteld dat de psychologie objectiever, ’harder’, metender moest worden, zo zei hij dat nu over het onderwijs. In zijn boek ’Vijven en zessen’ (1966) deed De Groot verslag van een onrustbarend onderzoek naar het nattevingerwerk dat leraren blijken te leveren wanneer zij cijfers uitdelen – met voor leerlingen vaak ingrijpende gevolgen. Of een klas ’goed’ is of ’slecht’, een leraar deelt 25 procent onvoldoendes uit, 50 procent middenmoot-cijfers en 25 procent hoge cijfers, stelde De Groot in de praktijk vast.

Hij stond dan ook aan de wieg van het Cito, het Arnhemse instituut voor toetsontwikkeling, dat de resultaten van leerlingen meet met stabielere en objectievere tests. Hij was ook mede-oprichter van de stichting voor onderzoek van het onderwijs, SVO.

Zwaar omstreden raakte De Groot vroeg in de jaren zeventig, toen hij de DS’70-minister De Brauw adviseerde over de manier waarop een universiteit studenten zou moeten selecteren – een kwestie die om de paar jaar opnieuw speelt. In een bijlage tot dat rapport beweerde De Groot, dat Nederland de pogingen wel kon staken om meer jongeren naar de universiteit te krijgen. Intelligentie was immers toch voor 80 procent erfelijk, en slechts voor 20 procent een kwestie van milieu. Er was dus in ’lagere’ bevolkingslagen geen reserve aan intelligente jongeren, betoogde De Groot. In een kastemaatschappij misschien wel, maar niet in Nederland.

Maar die opvatting over intelligentie lag in het Nederland van de jaren zeventig, met zijn geloof in de maakbaarheid van de samenleving, niet best. Een storm van protest was het gevolg. Het intelligentie-onderzoek (van de Amerikaan Jensen) waarop De Groot zich baseerde zou dubieus zijn. De Groot vond dat felle protest vreselijk, vooral omdat hij door tegenstanders werd afgeschilderd als een conservatief die de samenleving liefst hield zoals die was. Maar hij bleef wel altijd bij zijn mening.

De mogelijkheden om on-intellectuele milieus aan het leren te krijgen leken hem beperkt: „Dat je met compensatieprogramma’s een intellectuele reserve zou aanboren – zeg nu maar: steeds meer mensen die een ouderwets middelbaar onderwijsprogramma aankunnen, met wiskunde en beheersing van drie vreemde talen – dat kun je wel vergeten. Je moet veel reëlere doelstellingen nastreven, bijvoorbeeld dat kinderen niet blijven zitten op de lagere school, of niet naar het blo hoeven doordat er niet genoeg aandacht aan ze wordt besteed”, zei hij in 1975 nog maar eens.

De Groot had weinig gevoel voor, weinig op met, politici – en een groot geloof in deskundigheid van wetenschappers. De vermenging van politieke doelen met wetenschappelijk onderzoek vond hij een groot kwaad. Wat wetenschappelijk waar is hoort niet ter beoordeling te staan van politieke gekleurde ambities, vond hij – dat moesten wetenschappers onderling bepalen. Dat onderzoek, ook het ’zuiverste’, altijd politiek gekleurd is, wilde er bij hem niet in. De Groot heeft zijn geloof in het concept van deskundigheid altijd behouden. Drie jaar geleden, in 2003, borduurde hij er in een nieuwe publicatie (’Het forumwaarmerk van wetenschap’) nog op voort.

In de jaren zeventig leverde die opstelling hem rake, maar pijnlijke kritiek op. „De Groot gedraagt zich in zijn betoogtrant als de ouderwetse gezaghebbende professor. Hij spreekt met gemak over zwakten en denkfouten in de stukken van Van Kemenade. Het was natuurlijk ook nog mogelijk geweest te zeggen, ik professor De Groot, ben een goeie methodoloog, van politiek heb ik helaas geen lor verstand, maar persoonlijk heb ik zo de intuïtieve indruk dat het allemaal beter zou gaan als er meer naar mij werd geluisterd”, schreef een drietal hooggeleerde critici dat PvdA-minister Van Kemenade te hulp schoot, toen De Groot in 1977 op hem de aanval opende: Van Kemenade moest maar opstappen.

Anno 2006 valt De Groots invloed in de psychologie nauwelijks te overschatten: de wetenschapsbeoefening in dat vak is er zeer kwantitatief geworden – kwantitatiever misschien wel dan De Groot bedoelde toen hij zijn Methodologie schreef. Want de strenge methodoloog had (anders dan menige meet- en regelpsycholoog van nu) bepaald geen hekel aan het werk van aartsvaders als Freud en Jung. Zo schreef hij in 1949 een boek over de erotische betekenis van Sint Nicolaas – waarin hij het kinderfeest freudiaans duidde en er vele vruchtbaarheidssymbolen in signaleerde.

De Groots invloed in het onderwijs is eveneens groot. Jaarlijks maken ruim 160.000 groep 8-leerlingen de Cito-toets – alleen sommige montessori- en vrije scholen doen er niet aan. Ook het gematigde, naar conservatisme overhellende gedachtegoed van De Groot heeft terrein gewonnen. De aanvankelijke, grote ambities van veel onderwijsvernieuwingen zijn in elk geval kleiner, milder, bescheidener geworden. Maar mogelijk is dat meer een kwestie van tijdgeest dan van de overtuiging dat De Groot gelijk had.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden