De psychoanalyse heeft altijd gelijk

Ervaringsdeskundige Karin Melis werpt de vraag op „of de psychoanalyse niet het mensbeeld bevestigt dat tot de crisis leidde waarin we ons bevinden: geld en geloof.”

’U moet zich openstellen”, zei de psychiater. Ik keek door het zolderraam en dacht aan de huizen met schoorstenen aan de overkant van de straat, aan de ongeschonden gezinnen die ik daar bedacht had. De geborgenheid. Ik keek naar de wegtikkende wijzers van de eeuwige klok, de punten van mijn afgetrapte gympen. Ik moest nodig nieuwe halen.

Openstellen. Maar hoe? Thuis met het hoofd schuin voor de boekenkast ’Kritik der reinen Vernunft’, ’Sein und Zeit’, ’Nichomachean Ethics’. Ik vreesde dat mijn filosofische leermeesters mij hierin niet verder zouden helpen. Wat had je eigenlijk aan die lui als het erop aankwam? Het enige wat ze me te bieden hadden was het rijk van de geest. Ik school erin as if there were no tomorrow.

Volgens Plato zijn er twee impulsen die leiden naar de transcenderende begeerte tot wijsheid. De gruwel dat we aan louter willekeur zijn overgeleverd spoort ons aan de zaak te ordenen. Of, de verwondering die maakt dat we dieper tot het mysterie dat er iets is en niet niets, willen doordringen. Mij was het om het even. Zolang ik maar kastelen in de lucht kon bouwen die het ondermaanse in harmonie zouden brengen. En daar ook ongestoord alleen kon wonen.

Het verwijsbriefje voor de psychiater leek me toen, ik was 27, een uitkomst. Na mijn studie filosofie zou ook, zo gokte ik, deze behandeling ten einde zijn en kon mijn leven opnieuw beginnen. ’Openstellen’ was dus urgent, maar ik wist niet hoe ik dat moest praktiseren. Ook P.C. Kuipers ’Hoofdsom der psychiatrie’ – aangeschaft om goed beslagen ten ijs te kunnen komen – bracht geen uitkomst. Sterker, volgens mij komt dat hele woord ’openstellen’ er niet in voor.

Braaf ging ik twee keer in de week naar de psychiater. Het vervelende was dat ik niets te melden had. Niets interessants, waarvan je dacht: goh, wat een verhaal. Ja, de dokter moedigde me aan toe te geven dat ik gevoelens voor hem had. Ik vond het een gotspe om voor iemand die mij gaat genezen gevoelens te hebben. Je moet de zaak helder houden. Ieder zijn vak. Geen vage grenzen, daar had ik er al teveel van. Dat er ook zoiets als tegenoverdracht bestond vond ik prettig, een genoegdoening: was ik niet als enige opgescheept met gevoelens van weerloosheid en machteloosheid.

Al snel vernam ik dat het wel de bedoeling was dat cliënt en psychiater een relatie aangingen. Zo konden alle mechanische patronen geboren uit vroege kinderjaren in de beslotenheid van vier klinische muren aan het licht komen en aangepakt. Dat voelde gekunsteld, maar dat kon je dan weer gemakkelijk ’afweer’ of voor mijn part ’verdringing’ noemen. De psychoanalytische theorie heeft in die zin altijd gelijk en dat maakt niet haar kracht maar zwakte uit: Elke wetenschapper weet dat als de ’waarheid’ onweerlegbaar is, de ontdekkingstocht ten einde is.

Van psychotherapeut en ex-priester Eugen Drewermann leerde ik dat mensen de patronen die onvermijdelijk in hun verbintenis opdoemen, gezamenlijk moeten oplossen. Doen ze dat niet, dan scheiden hun wegen en dient een nieuwe partner zich aan waardoor opnieuw de vraagstukken op tafel liggen, enzovoorts, enzovoorts. Wederkerigheid en affectie lijken mij hier sleutelwoorden, zelfs als de hulpe tegenover een ander vergezicht over mijn schouder ziet en zijn heil elders gaat zoeken. Maar een relatie met een betaalde medicus die je tot in lengte van dagen afstandelijk bejegent met ’U’, dat schept wat mij betreft niet meteen een band. Mij dwong het nog dieper in mijn hoofd.

Bovendien schijnt de specialist mij beter te kennen dan ik mezelf. Zo’n asymmetrische verhouding werkt genegenheid niet in de hand. En openheid mijnerzijds al helemaal niet. Destijds besloot ik mezelf juist tot de tanden toe te wapenen en psychopathologie als bijvak te nemen. Ik overwoog zelfs een opleiding psychoanalyse, maar dat een medicijnenstudie daartoe een vereiste was, leek me overdreven. Denken kan iedereen. En praten al helemaal. Alle geleerde inzichten omtrent de dansen van de menselijke psyche verorberde ik als ware ik uitgehongerd. Geschaterd heb ik om Sigmund Freud, die mijns inziens zijn hele leven gebukt ging onder een minderwaardigheidscomplex, omdat hij niet door de natuurwetenschappen werd ingelijfd.

Dat vond ik trouwens evenzeer van de filosofie: waar maak je je druk om? Welke gek wil op gelijke voet met de fysici staan? Psychiatrie en psychologie gaan over de menselijke roerselen en de filosofie over het leven. Precies daar zijn oorzakelijke, verifieerbare verbanden niet van toepassing.

Toch zat het me dwars dat een van mijn filosofische leermeesters, Theo de Boer, over de kritische grondslagen van de psychologie schreef dat het een teken van gezondheid was als je met dezelfde ogen naar de wereld keek als naar jezelf. Toen was dat een brug te ver. Stel je voor dat iedereen zo uit de pas liep als ik dat binnenin mezelf deed.

Ik moest alle zeilen bijzetten om mezelf in de behandelkamer van de psychiater te handhaven. Achteraf gezien – wijsheid komt als het leed geleden is – selecteerde ik onbewust de gespreksonderwerpen die naar mijn idee door de beugel konden. De rest liet ik onbesproken want deed niet ter zake en ging hem niets aan. Grote opluchting bood de roman van psychiater Irvin D. Yalom, ’De Therapeut’. Er komt geen psychoanalyticus in voor die niet door zijn patiënt misleid wordt. Volgens Yalom bestaat er geen goedgeloviger volk dan FBI-agenten en psychiaters. Toch ook een teleurstelling, want er huist een verlangen in mij dat snakt naar ontmaskering. Liever gekend en verguisd dan een meesteres van misleidende verschijningen. Misschien is elke leugenaar een beetje teleurgesteld dat hij niet doorzien wordt. Ook ik werd niet betrapt.

Aan het einde van de vierenhalf jaar lange behandeling prees de dokter me, omdat ik niet, zoals vele anderen, woedend naar hem had uitgehaald in de overdracht. Toen hij dat zei, trokken er opeens ongekende vergezichten aan mijn geestesoog voorbij: had dat dan gezegd, dat ik hier onder het zolderraam ongestraft door het lint mocht gaan. Maar ik was ook uitzinnig van vreugde: Ik had de test als goede dochter glansrijk doorstaan. De achterkant van mijn symptomen waren ondergronds gebleven en daarin werd ik ook nog eens gehonoreerd. Hoe wilde ik het hebben?

Als geen ander kende ik mijn eigen problematiek. Daar had ik niets aan. Dat weet elke filosoof. Het is schoon, het is mooi en verlichtend, maar zodra je je naar je naaste wendt, blijkt je luchtkasteel onbewoonbaar voor twee. Het gaat namelijk altijd ook over de relatie tot de ander, dude. Vandaar dat dichter en psychiater Rutger Kopland ooit zei dat het altijd daarover gaat in de psychoanalyse. Over hoe je dat doet, het zeggen van ’ik’ . En ’ik’ zeggen doe je zelden tegen jezelf. Doe je dat wel frequent, dan mag je aan de verwijsbrief.

Het moet twee jaar voor het beëindigen van mijn studie en behandeling geweest zijn dat ik getroffen werd door de befaamde dichterlijke regels van diezelfde Kopland: ’Ga maar liggen, liefste/ de lege plekken in het hoge gras/ ik heb altijd gewild dat ik dat was/ een lege plek, om te blijven’.

In het colloquium kon Theo de Boer precies uitleggen waarom die regels fascineerden. Ze maakten twee tegengestelde interpretaties mogelijk. Als ik een lege plek voor een ander wil zijn dan verdwijn ik opdat die ander alle ruimte heeft. Dat is ook de waanzin van almacht: ik moet alles voor jou zijn, anders ben ik er zelf niet. Dat laatste houd je zorgvuldig verborgen. De interpretatie die er haaks op staat, zegt dat ik mag rusten in een lege plek. In het vertrouwen dat jij er nog steeds bent. Dat is wat je noemt een volgroeide omgang. Te mogen rusten in de plek die ikzelf ben. Anders gezegd, de eerste lezing verhaalt over de symbiotische omgang in de periode dat we rusten in de armen van de moeder en die nooit meer terug komt. De tweede verwijst naar het volwassen mensenkind dat op eigen benen durft te staan – en dat ’ik’ zegt in het vertrouwen dat hij er mag zijn. Niet geïsoleerd, anders zou er geen sprake van de liefste zijn, de aangesprokene die de dichterlijke overweging mag aanhoren. Die dichtregels sloot ik in mijn hart.

Geef me een roman en ik analyseer hem psychologisch tot op het bot. In mijn geest een feest, maar in de spreekkamer verzweeg ik mijn schatten. Daar bleef ik stug in mijn hoofd wonen, opende andere lades met pasklare anekdotes die de psychiater moest onderhouden. Ik begreep wel dat vrijelijk associëren mijn onbewuste opent en dat mijn weerstand gebroken moest worden, maar het bleef op afstand. Al had ik mijn ogen uit mijn hoofd gehuild, mijn plaats, daar waar de Eeuwige mij gezet heeft, krijg ik er niet mee.

Nu zijn de wortels van de psychoanalyse atheïstisch. Daarover heeft Freud nooit een misverstand laten bestaan. De psychoanalyse gelooft in het opheffen van weerstand zodat de mens eigenmachtig weer voluit kan spreken en zijn verleden op zich kan nemen. Dat vind ik nastrevenswaardig. Alleen in het dragen van de eigen verantwoordelijkheid beoefenen wij mensen onze vrijheid. Maar dat neemt niet weg dat ik de spreekkamer van de psychiater maar een eenzame bedoening vind. Ieder welvoelend mens weet dat er niets zo krachtig is als de psyche van de mens. Daar in die spreekkamer krijgt de cliënt de ruimte om in het reine te komen met schaamte, schuld en de daarmee samenhangende onmacht. Gevoelens die wij allen delen. Maar die er kennelijk niet mogen zijn. Die negaties zijn evengoed wel de onderliggende normen van de psychoanalyse: hef die gevoelens op en je zult vrijuit de wereld in trekken. Nog afgezien van het feit dat deze gevoelens als pek en veren aan ons kleven, rijst hier de vraag of de psychoanalyse nu niet onbedoeld het mensbeeld bevestigt dat heeft geleid tot de crisis waarin we onszelf nu op alle fronten terugvinden: geld en geloof. De waanzin van de eigenmachtigheid van de mens verheven tot gezondheidsideaal.

Mij zul je niet horen beweren dat psychoanalyse niet werkt. Wetenschappelijk is er geen bewijs. Maar wat ik inmiddels wel weet is dat elke therapeutische behandeling die veronachtzaamt dat er somewhere, somehow een liefste is die de cliënt van levensbelang acht, indruist tegen de kracht van het leven: je sterft als er niemand van je houdt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden