De provincies verdienen een stem op 7 maart

De provincies zijn weinig sexy, en de verkiezingen voor de Staten weinig spannend. Maar belangrijk zijn ze wel: voor het intomen van macht.

De landelijke politiek is in tijden van onzekerheid geneigd issues kleiner te maken dan ze zijn. Lokale overheden hebben juist de neiging zichzelf op te blazen. Ziedaar de noodzaak en het nut van provincies.

De opkomst bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten zal wel weer om te huilen zijn. Logisch, niemand heeft een helder idee waar hij of zij voor kiest. Toegegeven: de Provinciale Staten kiezen de Eerste Kamer, maar deze chambre de réflection ligt zelf ook al geruime tijd onder vuur. Kiezers snappen niet meer waarom stemmen straks nuttig kan zijn en dat is onterecht. De provincie kan een belangrijke rol spelen in het krachtenveld tussen overheid en gemeenten.

In tijden van onzekerheid, schrijven PvdA, CDA en ChristenUnie in het regeerakkoord, is een betrouwbare overheid van essentieel belang. Die overheid kan het niet allemaal alleen. Eigen verantwoordelijkheid, burgerschap en individuele ondernemingszin zijn de pijlers van een gezonde samenleving. Problemen in de multiculturele samenleving, criminaliteit en onveiligheid, verloedering en achterstanden zijn issues waarbij de rol van de overheid kleiner moet om zo hooggespannen verwachtingen te voorkomen.

De nationale overheid kan alleen maatwerk leveren als ze haar rol in het publieke domein kleiner maakt dan tot nu toe is geweest, stelt het regeerakkoord. Daarom krijgen gemeenten steeds meer (sociaal) beleid op hun bordje en wordt hen verzocht om meer bewindstaken uit te voeren.

De Wet maatschappelijke ontwikkeling (WMO) is daarvan een voorbeeld: taken worden van landelijk niveau naar lokaal niveau overgeheveld. Gemeenten krijgen een instrument voor maatwerk in handen. Tegelijkertijd dreigt de rechtsongelijkheid tussen inwoners van verschillende gemeenten. Wat gemeente A doet, mag gemeente B laten, met de burger als kind van de rekening. Wat hij of zij krijgt is dan afhankelijk van waar men woont. Dat kan tot pijnlijke verschillen in ondersteuning leiden.

Op dat lokale niveau zien plaatselijke bestuurders zich geconfronteerd met toenemende verantwoordelijkheden. Verantwoordelijkheden waar ze weinig tijd of ervaring mee hebben. Logischerwijs zoeken zij steeds vaker steun bij elkaar. Het aantal intergemeentelijke bestuursvormen zijn de laatste jaren als paddenstoelen uit de grond gesproten. Elke regio heeft wel een intergemeentelijke werkgroep waarin ambtenaren en wethouders besluiten nemen die door geen andere macht wordt gecounterd. Sterker: moeizaam bevochten compromissen tussen gemeenten worden gemeenteraden door de strot geduwd omdat betreffende bestuurders met goed fatsoen niet terug aan de onderhande-lingstafel kunnen gaan zitten. Wat hen rest is achteraf legitimeren wat al lang beklonken is.

De overheid kan het niet alleen en maakt steeds meer partijen (mede-) verantwoordelijk voor beleid. De omvang van de landelijke overheid moet afnemen en daarom krijgen gemeenten steeds meer taken toebedeeld. Zij blazen zich op door steun bij elkaar te zoeken en steeds verder over gemeentegrenzen heen te kijken. De provincie zit tussen beide bewegingen in – als een haast natuurlijke partner tussen overheid en gemeenten.

Toegegeven: het is geen sexy rol en het communiceert lastig richting kiezers. Maar het zich opblazende lokale bestuur en de landelijke verantwoordelijkheidsinflatie moet nieuwe kansen voor het geplaagde middenbestuur kunnen bieden. Zoals bij het toedelen van sociale woningbouw, waarmee spreiding van achterstanden op regionaal niveau mogelijk is. Of als bewaker van de rechtsgelijkheid ten aanzien van de uitvoering van WMO-beleid. Of als scheidsrechter tussen gemeenten die hun besluitvormingsproces steeds vaker afstemmen in ongelimiteerde samenwerkingsverbanden. Of gewoon, als behartiger van burgerbelangen die er met de gemeente niet uitkomen en bij de overheid bot vangen.

Doen provincies dit al niet? Soms. En dat wordt hen al niet in dank afgenomen. Met name gemeenten zien grote bezwaren tegen een actieve provincie. Zo pleitte de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) vorig jaar nog voor het afschaffen van de open huishouding van provincies.

Die open huishouding maakt het mogelijk om provinciaal beleid te entameren. In een manifest van gemeenten stelde de VNG hier van af te willen. Het Interprovinciaal Overleg, de provinciale tegenhanger van de VNG, schortte als reactie de dialoog met gemeenten vervolgens op.

Die reactie tekent de houding van provincies die bij tegenwind onnodig in het defensief schieten. De meerwaarde van de provincie is om in tijden van onzekerheid en dynamiek, zoals de coalities van PvdA, Christen Unie en het CDA in het regeerakkoord optekenden, een anker te zijn. Een anker in tijden van schuivende verantwoordelijkheden, ingrijpende decentralisatie van grote beleidsissues en als tegenmacht het belang van burger, inmiddels klem tussen overheid en gemeenten, te behartigen. Daarover zouden op 7 maart de verkiezingen moeten gaan: over macht en hoe we die beperkt houden en verdelen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden