De profeet dronk thee noch Fanta

Beeld Thinkstock

Harry Stroomer, hoogleraar Afro-Aziatische talen in Leiden, kiest geen partij in het debat tussen 'revisionistische' islamologen en hun behoudende collega's. Hij zal geen twijfel uiten over de historiciteit van Mohammed, diens auteurschap van de Koran of Mekka als de plaats waar het allemaal gebeurd zou zijn. Bij al die 'waarheden' van de islamitische orthodoxie plaatsen 'revisionistische' islamologen vraagtekens. Stroomer doet dat niet.

Stroomer is ook geen islamoloog, maar taalkundige. Wel heeft hij, vanuit een indrukwekkende taalkundige vakkennis, behartenswaardige adviezen voor alle partijen: ga uit van de juiste context. De regio waar de voorgeschiedenis van de islam zich moet hebben afgespeeld, was cultureel en taalkundig zeer gevarieerd, net als de huidige 'Arabische wereld', die minder Arabisch en ook minder eentalig en eenvormig is dan doorgaans wordt voorgesteld. Tweede advies: pas op voor de valkuilen van de historische duiding van woorden, vooral als er invloeden van uitheemse, naburige of minderheidstalen meespelen.

Ter illustratie haalt Stroomer een Marokkaans boek van de plank, over de herkomst van het Marokkaanse woord voor thee, ataay. In andere Arabische landen zeggen ze sjaaj. De auteur legt uit dat beide woorden een verbastering zijn van het Chinese woord tsjaaj. Het Arabisch kent de klank tsj niet, de Marokkanen maakten er een t van, de overige Arabieren een sj. Die theorie klinkt aannemelijk maar klopt niet. In werkelijkheid maakte Marokko via handelaren van de Nederlandse VOC kennis met thee. Zij haalden het genotmiddel uit het zuiden van China, waar de uitspraak taaj was in plaats van tsjaaj. De Marokkanen plakten er het Berberse lidwoord a voor, met als resultaat: ataaj.

De Midden-Oosterse Arabieren kregen hun thee aangeleverd over land, via de zijderoute, uit het noorden van China waar ze tsjaaj zeiden, in Arabische monden verbasterd tot sjaaj. Stroomer liet de verkeerde afleiding als waarschuwend voorbeeld zien aan zijn studenten. Een student met een islamitische achtergrond concludeerde licht ontsteld: "Dus de profeet dronk geen thee." "En ook geen Fanta", zei Stroomer bijna, maar hij hield zich in. Het Midden-Oosten wordt al eeuwen zo automatisch met thee vereenzelvigd, dat je je nauwelijks kan voorstellen dat de profeet het zonder moest stellen. Ook dit soort moderne associaties kunnen het zicht belemmeren op de oudste geschiedenis van de islam.

Talen en culturen
Stroomer heeft een formidabele kennis van de talen en culturen van zowel het huidige als het oude Midden-Oosten. Hij beperkte zich niet tot Arabisch. Zo geeft hij een wetenschappelijke boekenserie uit over de diverse varianten van de Berbertaal, de oude taal van Noord-Afrika, nog steeds gesproken door tientallen miljoenen mensen. Ook maakte hij zich vertrouwd met de oude, goeddeels verdwenen talen van het zuiden van het Arabische schiereiland en een aantal Ethiopische talen.

Het Arabisch onderging de invloeden van al die contact-talen. Zijn inaugurele rede gaf hij als titel 'In de schaduw van het Arabisch'. In die 'schaduw' verkeren behalve de 'contact-talen' ook de Arabische spreektalen. Ze zijn wetenschappelijk onderbelicht, terwijl volgens Stroomer gesproken taal de basis van alle taal en dus van alle taalwetenschap vormt.

Arabisten denken, misschien onwillekeurig, al gauw aan een eentalige omgeving waarin de islam zou zijn ontstaan. Stroomer, sinds november met emeritaat, probeerde dat beeld bij zijn studenten te corrigeren: "In mijn colleges vroeg ik welke taal Mohammed sprak. Klassiek Arabisch, dachten de meesten. Ik legde dan uit dat je je taal leert van je omgeving. Hij sprak dus het dialect van Mekka. Je merkte vaak dat studenten, onder wie ook moslima's met hoofddoekjes, dat schokkend vonden." Volgens een overlevering zou Mohammed trouwens ook Ethiopisch hebben gesproken.

Stroomer wijst op kennisbronnen die islamologen veronachtzamen. Vele duizenden oeroude inscripties op stenen monumenten in het zuiden van het Arabische schiereiland bevatten belangrijke informatie, waarvan islamgeleerden zelden notitie nemen. "Christelijke theologen kwamen via Hebreeuws in contact met Arabisch en Assyrisch. Ze zochten via die talen naar een dieper begrip van de bijbeltekst. Via die inscripties kun je een beeld krijgen van de oude cultuur van het Arabische schiereiland. Maar Arabieren bestuderen ze niet, en arabisten en islamologen evenmin." Arabisten hebben vaak de houding van de Arabieren overgenomen, die Stroomer kernachtig samenvat: "In 571 werd er een profeet geboren, toen ging het licht aan. Wat daarvoor gebeurde is djahiliyya (tijd en cultuur van heidense onwetendheid), en dus onbelangrijk."

Maar de archeologie bewijst dat allerlei elementen van de latere islam al vele eeuwen zo niet millennia eerder bestonden. De Zuid-Arabische inscripties dateren van 800 voor Chr. tot de komst van de islam, zo'n vijftienhonderd jaar later. Ze zijn aangebracht in een schrift dat later in onbruik is geraakt. Er staan eetvoorschriften in die lijken op de latere spijswetten van de islam. De teksten bevatten een lettergroep ALH, die je als ilaah- godheid - kunt lezen. Het Arabische Allah zou een samentrekking zijn van al-ilaah 'de godheid'.

Stroomer trekt vanwege die enorme aantallen inscripties de theorie in twijfel als zou Mohammed analfabeet zijn geweest: "Het schrift van de pre-islamitische inscripties is zo massaal gevonden op het Arabische schiereiland, dat het vreemd zou zijn als hij het, met zijn achtergrond als koopman, niet gekend zou hebben."

De term Zuid-Arabisch is verwarrend, want de talen van de inscripties zijn niet Arabisch, ze zijn nauwer verwant met oud-Ethiopisch. Sinds de jaren zeventig is er een nieuwe kennisbron, teksten op ribben van palmbladen, gevonden in Jemen. Leiden heeft een verzameling van 500 stuks. "De teksten op steen zijn vormelijk, de palmribben zijn meer briefjes." Ontcijfering is moeilijk, maar ook op de palmribben zijn 'ALH' en spijswetten gevonden, en hadj, in de betekenis van pelgrimage.

Dialecten
Stroomer begon zijn studie Arabisch in 1966. Met zijn belangstelling voor Arabische dialecten en minderheidstalen behoorde hij tot een minderheid. Arabisten waren vooral geïnteresseerd in geschreven Arabisch, de oude, klassieke vorm of het modern standaard-Arabisch, gebruikt in nieuwsuitzendingen, overheidsdocumenten, kranten en boeken. Die laatste taal ziet er overal ongeveer gelijk uit. Wie zich uitsluitend daarmee bezighoudt zal geneigd zijn 'de Arabische wereld' als iets eenvormigs te zien, cultureel en taalkundig. De werkelijkheid is weerbarstiger, maar dat ontdek je pas bij cultureel-antropologisch onderzoek of als je je verdiept in de erg van elkaar verschillende spreektalen, die veel sterker afwijken van 'standaard-Arabisch' dan Nederlandse dialecten van het ABN.

Zoals modern standaard-Arabisch, door niemand van huis uit gesproken, een te eenvormige hedendaagse Arabische wereld suggereert, zo wekt klassiek Arabisch dezelfde, even onjuiste indruk over de oude Arabische wereld. In tv-series over de oude islam spreken acteurs op gedragen toon klassiek Arabisch, maar volgens Stroomer is ook die taal nooit gesproken: "Klassiek Arabisch is een kunsttaal, die zich heeft ontwikkeld tot een cultuurtaal." Die kunsttaal is volgens Stroomer pas drie eeuwen na de Koran ontworpen door grammatici. Dat betekent dat de Arabische veroveraars die in de zevende en achtste eeuw een wereldrijk stichtten, geen klassiek Arabisch spraken, maar voorlopers van de hedendaagse spreektalen.

Uit historisch vergelijkend onderzoek trok de Amerikaanse arabist Jonathan Owens dezelfde conclusie. Ook het Arabisch op papyri uit de zevende eeuw, ouder dan de oudste koranhandschriften, lijkt op spreektaal. Koran-Arabisch is een geval apart, het is een soort dichterlijk Arabisch. Met deze visies gaat Stroomer dwars in tegen een notie, die bewust of onbewust leeft bij zowel Arabieren als veel arabisten: dat de spreektalen zouden zijn ontstaan door geleidelijke verbastering van klassiek Arabisch. Dat kan niet omdat de spreektalen, ondanks hun onderlinge verschillen, belangrijke gemeenschappelijke kenmerken hebben, die afwijken van klassiek Arabisch.

Stroomer benadrukt ook het belang van Ethiopië als kennisbron voor islamologen. Mohammed zou zijn geboren in 571, het 'jaar van de olifant', waarin de Ethiopiërs een veldtocht zouden hebben uitgevoerd in het Arabische schiereiland. Volgens de biografieën van Mohammed stuurde hij een groep gelovigen vanuit Mekka naar Ethiopië. Ethiopië was in de begintijd van de islam een christelijke regionale grote mogendheid, een machtsfactor van belang.

Ook heeft de klassieke Ethiopische taal sporen nagelaten in het vocabulaire van de Koran, zij het minder dan bijvoorbeeld Aramees. Maar uit het Ethiopisch stammen wel essenti-ele islamitische religieuze termen, die overigens niet allemaal in de Koran voorkomen. Minbar, een preekstoel in de moskee, is Ethiopisch, en ook mushaf, een koranhandschrift. Hetzelfde geldt voor de mi'raadj, de reis van Mohammed naar de hemel.

De 'revisionistische' islamologen zijn het oneens over het oorsprongsgebied van de islam. Sommigen denken, met interessante argumenten, eerder aan Iran dan aan, zoals de orthodoxie doet, het Arabische schiereiland. Voor dat laatste zouden de invloeden van het naburige Ethiopië kunnen pleiten. Maar dat is niet het terrein van Stroomer - hij beperkt zich tot het toepassen van historisch-taalkundige methoden die hun betrouwbaarheid in andere taal - en cultuurgebieden hebben bewezen.

Westerse islamologen voeren een fel debat over de oorsprong van de islam. Trouw behandelt in een korte serie nieuwe gezichtspunten.
Volgende aflevering: Komt de Koran echt uit Mekka?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden