De prijs van kunst

Waarom moeten een paar streken verf op een flink doek honderden, duizenden, soms tienduizenden euro's kosten? Zo duur zijn verf en linnen toch niet? De 80 miljoen gulden die enkele jaren geleden werd neergeteld voor 'Victorie Boogie Woogie', was dat goed besteed geld of is er, namens het Nederlandse volk, veel te veel betaald voor het werk van Mondriaan?

De prijzen van kunstwerken zijn voor de leek nauwelijks te doorgronden. Hij kan zich echter troosten met de gedachte dat ook de econoom het er moeilijk mee heeft. Voor hem is een prijs de reflectie van het evenwicht tussen vraag en aanbod. Hij gaat ervan uit dat koper en verkoper handelen uit economische motieven, uit welbegrepen eigenbelang. En dat de kunstmarkt een markt is als alle andere. Daarmee heeft de econoom op zijn best een stukje van de werkelijkheid te pakken. Maar datzelfde geldt voor de kunstkenner, die alleen artistíeke waarde ziet, en gruwt van de gedachte dat die wordt uitgedrukt in geld. Die wíl het verderfelijke circuit van de kunsthandel niet eens doorgronden.

Olav Velthuis beweegt zich tussen beide uitersten. De economisch socioloog promoveert op 7 juni aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam op een onderzoek naar de kunstmarkt in Amsterdam en New York. Velthuis wilde vooral weten hoe in de kunstgaleries prijzen tot stand komen. En prijzen blijken meer dan een kwestie van vraag en aanbod. De prijzen van kunstwerken zijn niet alleen gebouwd op de ijzeren logica van de econoom, maar ook op culturele, sociale en emotionele gronden. De prijs vloeit niet voort uit de verhouding tussen die abstracte aanbieder en die abstracte koper, maar is het resultaat van een verhouding tussen ménsen, tussen scheppend kunstenaar en galeriehouder, tussen galeriehouder en verzamelaar.

In een serie van drie verhalen schetst Velthuis deze week het onderzoek naar die kunsthandel, en naar de betekenis van prijs. Deel 1: Riddertoernooi in een veilingzaal

In 1978 ontbood paus Paulus VI Daniel Wildenstein, telg uit een joodse familie die een van de meest prestigieuze kunsthandels ter wereld drijft. Het was onverteerbaar voor Paus Paulus VI dat wereldwijd mensen omkwamen van de honger, terwijl het Vaticaan zelf op een 'gouden troon' zat. Hij vroeg Wildenstein de waarde te schatten van een aantal topstukken in de collectie van het Vaticaan, en hem te begeleiden in de verkoop ervan.

Wildenstein, die afgelopen najaar overleed, begon maar eens met de tekeningen van de Italiaanse renaissancekunstenaar Raphael; ze zouden niet minder dan 10 miljoen dollar per stuk opbrengen, taxeerde hij. Dat bleek evenwel kinderspel voor de paus; die wilde weten hoeveel de Pietà van Michelangelo waard was. Het beeld toont Jezus na de kruisafname in de armen van de wenende Maria.

Michelangelo voltooide het vroege meesterwerk, dat dagelijks door duizenden bezoekers van de Sint Pieter in Rome wordt bewonderd, in het jaar 1500. Wat Wildenstein betrof was de Pietà het mooiste beeld ooit gemaakt. Vandaar dat hij niet aan de verkoop ervan wenste mee te werken -zelfs voor een handelaar hebben sommige kunstwerken geen prijs.

De geschiedenis werd pas begin dit jaar bekend, door publicaties in het Italiaanse weekblad Diario, en bracht Het Vaticaan in verlegenheid; het idee dat de Pietà koopwaar zou kunnen zijn stuitte niet alleen Wildenstein tegen de borst. Was de verkoop doorgegaan, dan had paus Paulus VI vele hongerige monden kunnen voeden. Sommige media wisten te melden dat het beeld tegenwoordig maar liefst 250 miljoen euro zou opbrengen. Dat bedrag is uit de lucht gegrepen, maar de Pietà was ongewtijfeld het duurste kunstwerk aller tijden geworden.

Op dit moment wordt de ranglijst aangevoerd door Vincent van Goghs 'Portret van dr. Gachet'. Het doek werd in 1990 bij veilinghuis Christie's voor 82,5 miljoen dollar verkocht aan de Japanse papierfabrikant Ryoei Saito. Twee dagen later kocht diezelfde Saito een doek van de Franse impressionist Renoir voor 78,1 miljoen dollar. Die Renoir werd daarmee nummer 2 op de ranglijst. Mondriaans Victory Boogie Woogie, dat de Stichting Nationaal Fonds Kunstbezit enkele jaren geleden met geld van De Nederlandsche Bank aankocht, haalt met zijn prijs van 80 miljoen gulden niet eens de top 10.

Zulke prijzen roepen soms heftige reacties op, maar ze zijn minder gek dan ze lijken. Om te beginnen is extreem hoog geprijsde kunst geen nieuw verschijnsel. In de zeventiende eeuw bracht het werk van renaissancekunstenaars bedragen op waarvan een doorsnee burger jaren had kunnen leven. In de negentiende eeuw, toen kunstenaars als Van Gogh of Cézanne hun werk voor een franc of honderd aan de man probeerden te brengen, werden schilderijen van zogeheten salonschilders als Meissonier of Bouguereau voor een duizendvoud daarvan verkocht. Die salonschilders zijn sindsdien in de vergetelheid geraakt, terwijl het werk van hun armzalige collega's tegenwoordig miljoenen opbrengt. Het kan verkeren op de kunstmarkt.

Wat opvalt in de hedendaagse ranglijst, is het ontbreken van oude meesters. De reden is dat hun werk reeds lang een onderkomen heeft gevonden in een of ander museum. Iconen uit de kunstgeschiedenis zoals de Pietà van Michelangelo, de Nachtwacht van Rembrandt, het melkmeisje van Vermeer of de Guernica van Picasso, zouden ongetwijfeld meer dan 80 miljoen dollar opbrengen, maar ze komen niet op de markt.

Een tweede reden voor het ontbreken van de oude meesters kan liggen in de smaak van de miljardairs die zulke bedragen kunnen neertellen voor een kunstwerk (het aankoopbudget van musea schiet voor dit soort bedragen tekort). Zij hebben vooral oog voor kleurige doeken van moderne meesters. Oude meesters moet je leren waarderen, en van een verfijnde smaak is bij deze categorie kunstkopers geen sprake. Vandaar dat het duurste werk van Rembrandt, 'Minerva', blijft steken op 40 miljoen dollar. Voor dat bedrag biedt de New Yorkse kunsthandelaar Otto Naumann het doek althans aan op dit moment.

Het is wat makkelijk om te zeggen dat rijke kunstkopers alleen maar op kleur letten en geen oog hebben voor kwaliteit. Van Gogh en Picasso staan niet voor niets zo hoog genoteerd. Zij gelden niet alleen onder kunsthistorici, maar ook in brede lagen van de Westerse bevolking, als de belangrijkste kunstenaars van de laatste twee eeuwen.

Dat geldt ook voor hedendaagse kunstenaars: een kunstenaar die de belangstelling wekt van vooraanstaande musea, invloedrijke tentoonstellingsmakers en de internationale kunstpers kan rekenen op hoge marktprijzen voor zijn werk. Dat blijkt in ieder geval uit gegevens van het Duitse zakentijdschrift Kapital, dat tot voor kort jaarlijks een ranglijst van de honderd bekendste, nog levende kunstenaars publiceerde. Hoewel kunsthistorici vaak het tegenovergestelde beweren, komt het oordeel van de markt dus wel degelijk overeen met hun eigen oordeel.

Omdat de exacte hoogte van de verkoopprijs zich niet laat voorspellen, geven economen er de voorkeur aan kunstprijzen te bepalen door middel van een veiling. Op zo'n veiling moeten kopers immers laten zien hoeveel zij een kunstwerk waard achten. De prijs voor het 'Portret van Dr. Gachet' kan dan ook niet helemaal uit de lucht gegrepen zijn: behalve de koper is er minimaal één andere potentiële klant nodig geweest om de prijs zo hoog op te drijven. De prijs van 'Victory Boogie Woogie' daarentegen, kwam tot stand in een onderhandse verkoop. Aan die prijs zullen daarom twijfels blijven kleven: was het wel nodig voor dat werk 80 miljoen gulden te betalen?

De enige manier om die vraag te beantwoorden, is te kijken naar prijzen voor vergelijkbare werken uit het verleden. Dan valt op dat abstracte schilderijen in het algemeen minder opbrengen, terwijl de hoogste veilingprijs voor een werk van Mondriaan tot dan toe 9,6 miljoen dollar bedroeg. Bedenkelijk is bovendien dat de stichting die de onderhandelingen voerde over de aankoopprijs, geen hulp inriep van taxateurs. De verkoper daarentegen, de mediamagnaat Si Newhouse, laat zich doorgaans bijstaan door Larry Gagosian, die bekend staat als een van de meest geslepen en agressieve kunsthandelaren van de wereld.

De hoogte van veilingprijzen hangt uiteindelijk simpelweg af van het aantal miljonairs dat een voorliefde heeft voor het meesterwerk dat op de markt komt. Bedenk daarbij dat 50 miljoen dollar een astronomisch bedrag is voor de doorsnee burger, maar niet meer dan een schijntje voor een ondernemer met een miljardenvermogen. In de ogen van een econoom doen de motieven om zulke bedragen te spenderen er niet toe. Het kan zijn dat een miljardair een kunstwerk koopt als belegging, omdat hij het echt prachtig vindt, of omdat hij met de aankoop wil pronken. De markt brengt al die motieven onder de gemeenschappelijke noemer van een prijs, aldus de econoom.

Sociologen werpen echter tegen dat die astronomische prijzen in feite weinig met het kunstwerk te maken hebben, en meer met de status van de koper. Zij zien kunstveilingen, waar de statushiërarchie van de happy few wordt bevochten, als een terugkeer van het Middeleeuwse riddertoernooi. Het toernooi voltrekt zich in de veilingzaal, voor een select publiek dat in avondkledij de verkoop aanschouwt. Het kunstwerk staat als een trofee, gedrapeerd in een fluwelen doek, op een altaar in de veilingzaal. Het publiek beloont de vestiging van een recordprijs met een staande ovatie. En wie het zich kan veroorloven om het grootste bedrag over de balk te gooien voor een object dat welbeschouwd geen direct nut heeft, mag zich de winnaar van het statustoernooi noemen.

Anders ligt het met hedendaagse kunst die voor het eerst op de markt komt, vers uit het atelier van de kunstenaar. De prijzen voor die werken zijn weliswaar een stuk lager, maar voor veel mensen zal het toch een raadsel zijn waarom een nieuw, abstract doek of een kunstfoto vele duizenden euro's kost. Gegeven de onzekere waarde van nieuwe kunst, zou je ook hier veilingen verwachten. Maar die zijn er niet. Nieuwe kunst wordt exclusief door kunstgaleries verkocht.

En op het moment dat je een hedendaags kunstwerk hebt aangekocht is het in de meeste gevallen al in waarde gedaald. Wat dat betreft is nieuwe kunst niet anders dan auto's of andere consumptiegoederen. Wél anders is de manier waarop kunst wordt verkocht. Als winkel zijn galeries verre van uitnodigend. Je moet ze weten te liggen, en sta je eenmaal voor de deur, dan blijkt de drempel hoog.

Het is zeer ongebruikelijk om een galerie binnen te lopen, een mooi werk uit te zoeken, te vragen naar de prijslijst, contant te betalen en met de aanwinst onder de arm het pand te verlaten. Galeries kopen niet van iedere kunstenaar en verkopen niet aan iedere willekeurige klant. Is dat puur snobisme, niet anders dan in een duur modehuis of een juwelierszaak, of schuilt er een logica in de omfloerste zakenetiquette van de kunstmarkt?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden