De presidentiële stijl van Tony Blair

De aankondiging van Tony Blairs aftreden als premier van Groot-Brittannië heeft heel wat commentaar uitgelokt. Drie thema’s domineren: zijn verdiensten als Brits politicus, zijn charismatische kwaliteiten als redenaar en zijn medeverantwoordelijkheid voor het Iraaks debacle.

Het eerste punt is zijn voornaam-ste prestatie. Zijn ’New Labour’ heeft een ’New England’ bewerkstelligd: niet liberaal maar geliberaliseerd, niet gelijkhebberig maar zelfbewust. Zijn pogingen om het Britse volk de weg naar Europa te wijzen hebben weinig succes geboekt maar zijn verdiensten zijn er niet minder om. Zeer te prijzen is hij om zijn inspanningen ten bate van verzoening in Noord-Ierland, gelukkig met succes bekroond.

Bij zijn redenaarskwaliteit zet ik een vraagteken. Natuurlijk valt her en der het versleten woord ’charisma’ maar mij lijkt de kwalificatie van Peter de Waard in de Volkskrant te prefereren: ’de grootste showman uit de moderne politieke geschiedenis’. Een aalgladde showman bovendien, die wist te overleven als alle feiten in zijn nadeel spraken. Het zal zijn aanhangers enthousiast hebben gemaakt maar voor de onbevooroordeelde toeschouwer is zo’n prestatie nogal dubieus.

Irak is de diepe schaduw die voorgoed over zijn premierschap zal blijven hangen. Hij heeft zonder aarzeling George W. Bush in zijn onzalig avontuur gesteund en hij is na Bush de voornaamste staatsman die zich medeplichtig mag voelen aan de grondeloze en uitzichtloze ellende die over het Iraakse volk is gebracht. Commentator Timothy Garton Ash noemde het ’de grootste ramp in de Britse buitenlandse politiek sinds de Suez-crisis van 1956’.

Uit de serie fantasievolle beweringen over de aanwezigheid van massavernietigingswapens in het Irak van Saddam Hoessein bracht Blair de meest bizarre op zijn naam, in september 2002: „De biologische en chemische wapens kunnen binnen 45 minuten worden geactiveerd.”

Terwijl medio 2003, enkele maanden na de Amerikaanse inval in Irak, het bestaan van deze wapens hoogst onwaarschijnlijk was geworden, hield Blair zijn gelijk staande. Zes keer in successie verklaarde hij dat die wapens weliswaar niet waren gevonden maar wel bestonden of hadden bestaan, om pas in juli 2004 zijn ongelijk toe te geven.

Hij kwam weg met een laffe uitvlucht: hij had zich in goed vertrouwen gebaseerd op de informatie van de inlichtingendiensten die hem echter ’onvolledig, veel te stellig en voor een deel onjuist’ hadden voorgelicht. Een commissie uit het Hogerhuis viel hem bij: Blair trof geen schuld. Bovendien hield hij vol dat ook na het wegvallen van de reden van de oorlog, die oorlog een goede zaak bleef.

Daarmee is nog lang niet alles over het fenomeen Tony Blair gezegd. Wat in de recente commentaren op zijn komende vertrek genadiglijk werd verzwegen is de waslijst van corruptiezaken die zijn bewind vergezelde. Al begin 2002 meende 60 procent van de Britten dat New Labour ’te koop’ was; bij Blairs aantreden in 1997 vond slechts 19 procent dat.

En hij vergat zichzelf niet. Direct na zijn herverkiezing in 2001 verhoogde hij zijn salaris met 170.000 gulden tot 600.000 gulden, tot woede van zowel de oppositie als zijn eigen achterban. Hij kon ook voor anderen gul zijn: niet zo lang geleden kwam aan het licht dat wie de kas van zijn partij spekte, op een adellijke titel kon rekenen. Noblesse oblige – maar nu in de omgekeerde zin van het woord.

Toch zijn dit schoonheidsfoutjes vergeleken bij de eigenaardige opvatting die Blair van democratie had. Al binnen een jaar na zijn ambtsaanvaarding in 1997 verbaasden waarnemers, ook in Nederland, zich over zijn manier van politiek bedrijven. Zijn ’New Labour’ was geen vernieuwingsbeweging van onderop maar een project van politieke marketing, gebaseerd op continu menings- en image-onderzoek. ’Labourbeleid’, schreef de Volkskrant in 1997, ’wordt uitgetest als waspoeder’.

Blairs gesprekspartners waren niet zijn ministers, maar spin doctors met wie hij van dag tot dag de politieke koers uitzette. Aan het wekelijks kabinetsberaad had hij geen boodschap: het nam doorgaans niet meer dan een uur in beslag. Het behoeft geen betoog dat zijn partij, laat staan het parlement, er al helemaal niet aan te pas kwamen.

Het valt ook anders te formuleren: Tony Blair was een klassiek voorbeeld van een presidentieel opererende premier. Zijn stijl leek op de Amerikaanse en Franse wijze van politiek bedrijven, méér dan op de parlementair-democratische die – ook in Groot-Brittannië – standaard is. In die zin was hij modern. Hij was een tijdgenoot van Silvio Berlusconi en Vladimir Poetin, die dezelfde ontdekking hadden gedaan: zorg dat je alle touwtjes in handen hebt zodat je je niets behoeft aan te trekken van bemoeizuchtige partijen en parlementen.

Maar laten we royaal zijn: wat BerIusconi dankzij zijn geld en wat Poetin door zijn manipulaties lukte, kreeg Tony Blair door louter verbluffende handigheid voor elkaar. Noem het charisma – dat klinkt sympathiek. Een gladjanus, zou ik eerder zeggen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden