De politieke zonde van de hoogmoed

De zeven hoofdzonden tieren welig in de politiek. De Vlaamse politicus Steven Vanackere schreef er een boek over. Hij begint bij hoogmoed. Denk aan politici die geloven in de maakbare samenleving.

Steven Vanackere (1964), christen-democraat. Hij bekleedde regeringsposten op federaal en Vlaams niveau. In maart stapte hij op als België's minister van financiën.

Superbia (hoogmoed, ijdelheid, roemzucht) is niet voor niets de eerste van de hoofdzonden. De kerkvaders beschouwden hoogmoed als de bron van alle andere zonden. Daarom bestempelden ze deze overdreven eigenliefde als de zwaarste hoofdzonde. Dat iemand zich verheven acht boven andere mensen, vinden we sociaal onverdraaglijk. Of hij nu hovaardig is en anderen nauwelijks ziet staan, of erg ijdel is en hunkert naar andermans bewondering en bevestiging, telkens doorbreekt hij het ideaal van een fundamentele menselijke broederlijkheid. Zijn egocentrisme en laatdunkendheid tegenover anderen vergiftigt het samenleven. De Franse existentialist van Joods-Litouwse afkomst Emmanuel Levinas benadrukte dat elke mens een beroep doet op onze menselijke solidariteit. Dat inzicht is aan de hoogmoedige niet besteed. Wie zelfgenoegzaam is, heeft letterlijk genoeg aan zichzelf.

Nu is het politiek bedrijf door zijn aard zelf al een heel vruchtbare voedingsbodem voor hoogmoed. Als politiek dan toch de biotoop is waar beslissingen worden genomen over het reilen en zeilen van de ganse samenleving, wie wil dan dat daar middelmatigheid zou heersen?

Het idee dat de besten de leiding in handen moeten nemen, komt al in de vroegste politieke geschriften aan bod. De Griekse wijsgeer Plato meende dat mensen die zich te slim achten om aan politiek te doen, gestraft worden doordat ze geregeerd worden door leiders die dommer zijn dan zijzelf. Ook wie na Plato over de politieke inrichting schreef, kleefde de stelling aan dat er naar een elite moet worden gezocht om de staatszaak te behartigen.

Tegenwoordig is men het er wel over eens dat de verkiezing van politieke leiders best gebeurt op basis van verdienste (meritocratie). Niet op basis van een vermeende goddelijke opdracht (theocratie), afkomst (aristocratie), geld (plutocratie) of andere minder democratische factoren. Men haast zich wel om te benadrukken dat de democratische legitimatie de doorslag geeft. De kiezer heeft altijd gelijk, is dan het weliswaar zelden hartgrondig gemeende cliché, bij gebrek aan een beter systeem. Maar toch hoopt niemand echt dat een regering consequent bevolkt zou worden door mannen en vrouwen van louter gemiddeld kaliber.

Zelfs wie moppert dat de politiek mensen aantrekt met weinig talent, wil eigenlijk benadrukken dat de samenleving veel beter verdient. Dan is het toch niet verwonderlijk dat heel wat politici, alle vertoon van politiek correcte bescheidenheid ten spijt, een behoorlijk hoge dunk van zichzelf hebben? In de afvalrace naar de politieke top hebben ze met succes de aandacht van de media getrokken, verkiezingen gewonnen, partijgenoten van hun kunnen overtuigd. Mag je dan wel verwachten dat ze zichzelf maar gewoontjes vinden? Dat het electorale spel zo sterk gehoorzaamt aan de logica van de wedstrijd - niet zozeer of je het goed doet is van belang, wel of je het beter doet dan een ander - versterkt de verleiding voor wie het heeft gehaald, om zich beter te achten dan de minder fortuinlijke pretendenten naar de positie die men zelf heeft bemachtigd.

En dan? Zullen we eerst eens erkennen dat wie talentloos is, overtuigingskracht mist en gespeend is van werklust, zelden ook de politieke top haalt? Zeker, ook talentvolle mensen begaan fouten, en menselijke zwakheid maakt dat je in de politiek ook de grootst denkbare flaters ziet begaan. We worden er trouwens meestal, dankzij de aandacht die de media terecht aan de res publica wijden, tot in groot detail over geïnformeerd.

Maar er is wat meer intellectueel verzet nodig tegen het populaire idee dat de meeste politici omhooggevallen klunzen zijn. Is het geen vorm van omgekeerde hoogmoed om politieke verantwoordelijken als vanzelfsprekend te minachten?

Laat ons een lans breken voor wat minder valse bescheidenheid. Marcus Aurelius, de laatste van de vijf goede keizers van het Romeinse rijk en een belangrijk filosoof van de Stoa, vond niets zo onuitstaanbaar als hoogmoed die prat gaat op haar bescheidenheid. De meeste verantwoordelijken in de politiek zijn niet zonder talent, en ze werken hard. Ze hoeven dat niet onder de korenmaat te schuiven. Waar het op aankomt, is dat ze daar de juiste conclusies uit trekken. Hun positie verlangt grotere verantwoordelijkheidszin, en geen aanstellerij in de trant van 'Weet u wel met wie u te maken heeft?' Ze mogen stellig overtuigd zijn van hun gelijk en hun kunnen, maar ze moeten zo bescheiden zijn dat ze beseffen dat het in een participatieve democratie ook nodig is om diegenen te overtuigen die ze willen leiden.

Politici moeten dienaars zijn. Dat is trouwens de eerste betekenis van het woord minister. Het vergt volgehouden mentale discipline om dat tot een doorleefde realiteit te maken.

Cynisme is het verwende kleinkind van de hoogmoed. Wie hoogmoedig is, raakt ofwel dronken van zichzelf en ziet niet dat anderen hem helemaal niet zo hoog aanslaan als hijzelf doet, ofwel hij wordt cynisch over de mening van andere mensen. Een cynicus acht anderen niet hoog genoeg om op hen te rekenen. En hij acht ze zeker niet hoog genoeg om met hen rekening te houden.

Ik vroeg eens aan een collega in de regering hoe hij erin slaagde kritiek van zich te laten afglijden als water van de veren van een eend. De man antwoordde me dat dat erg eenvoudig was. Je moest er gewoon voor zorgen dat je enkel gekwetst kunt worden door kritiek van mensen die je zelf ook respecteert. Het ergste was de vette knipoog na zijn uitspraak. Die beduidde eigenlijk dat hij nauwelijks andere mensen respecteerde, en dus maar door weinig volk gekwetst kon worden. Ik bleef sprakeloos bij deze uitspraak, en bedacht dat dit dan toch wel pech betekende voor wie opgevoed werd met de regel dat je iedereen dient te respecteren, onafhankelijk van status of talenten.

Voor een cynicus is alles om het even, behalve de macht. Bij hem is realiteitszin verworden tot ongeloof in om het even welke droom. Een cynicus kent van alles de prijs, maar van niets de waarde, merkte de geniale Ierse schrijver Oscar Wilde op. Gevoelens van mensen ziet de cynicus louter als middelen of als hinderpalen bij het bereiken van een politiek doel. Hij beweert dat het leven hem zo gemaakt heeft, maar het is verstandig om dat niet te geloven. Heel veel mensen zullen nooit cynisch worden. En heel wat mensen zullen het nooit afleren.

Cynisme is allesbehalve creatief. Het weet heel vaak waarom iets niet gaat lukken, maar schiet meestal tekort bij de vraag wat men dan wel moet ondernemen om een probleem duurzaam op te lossen.

Cynische mensen zijn meesters in de tactiek, maar povere strategen. Hun politiek instrumentarium is vaak gebaseerd op uitstel en op het kiezen van een mening in functie van het moment en de omstandigheden. Ze bewaren hun principes voor de grote gelegenheden, maar soms breken die grote momenten in hun loopbaan nooit aan. Eén ding moet je ze wel nageven: ze houden het lang vol.

Het tegengif tegen cynisme is een edelmoedig idee waar je in gelooft. En alhoewel argwaan gepast is tegenover politici die alleen maar over grootse visies spreken - zonder concrete maatregelen schiet je met zulke visies vaak niet veel op - toch weet ik dat deze idealisten geen cynici zijn, als ze het menen.

De zonde van de hoogmoed treft de politiek ook collectief. De zonde die de Grieken hybris noemden, manifesteert zich bij uitstek onder de vorm van de mythe van de maakbare samenleving, of in het slechtste geval de maakbare mens. Dat idee is echt een worm in de appel: heel wat politici gedragen zich alsof de wereld perfect overeenkomstig hun beslissingen zou kunnen worden geboetseerd. Niets is natuurlijk minder waar.

Aanhangers van bescheiden politiek kunnen ook barsten van ambitie om de wereld te verbeteren. Zij voelen zich niet noodzakelijk alleen maar geroepen om als politicus een beetje op de winkel te passen. Ze willen ook meer. Maar ze voelen wel sterk aan dat ze het nooit alleen kunnen. Dat ze slechts resultaat kunnen boeken als ze oordeelkundig het onderscheid maken tussen wat de politiek vermag en wat niet.

Vooral partijen die zich progressief noemen, bezondigen zich weleens aan de hoogmoed te denken dat de overheid in staat is - en de plicht heeft - om eigenhandig het geluk van mensen te bewerkstelligen. Er is wel iets aantrekkelijks aan dit discours. Dankzij het verhaal van de maakbare samenleving komt de politicus alvast niet over als iemand die bij de pakken neerzit, ambitie mist, of erger: niet betrok- ken genoeg is om iets te doen aan wantoestanden.

Het voornaamste probleem met deze visie is natuurlijk dat het niet waar is. Wie er zich aan overgeeft, bedriegt zichzelf én anderen. De grote humanist Erasmus wist al dat onwetendheid de moeder van de hoogmoed is. Op zeker moment haalt de waarheid de hoogmoed in. Dat vertaalt zich in een grotere ontgoocheling dan wanneer men van meet af genoeg luciditeit aan de dag had gelegd, door niet blind te zijn voor de grenzen van wat een overheid realiseren kan. Maar wie jarenlang beweert in te staan voor het goede weer, oogst natuurlijk alleen maar publiek misprijzen wanneer het dan eens pijpestelen regent.

Het is van kapitaal belang om het waanidee van de maakbare samenleving goed af te zetten tegenover een ander, zo mogelijk nog rampzaliger vergissing: het beeld van een laissez faire-overheid, die het aan elke mens zou overlaten om in een survival of the fittest zelf zijn welvaart dan maar zo goed als mogelijk na te streven. Dat degradeert de overheid tot een nutteloze figurant.

Terwijl er juist heel belangrijke taken zijn weggelegd voor een overheid, zoals duurzame aanpassingen in het consumptiegedrag bevorderen. En de zwakste bevolkingsgroepen beschermen tegen koopkrachtverlies, door extra solidariteit te vragen aan wie sterkere schouders bezit. Die herverdeling van welvaart vergt dat men de moed heeft om de zogenaamde gewone inkomens niet voor te spiegelen dat men ook hun koopkrachtverlies integraal kan compenseren. Vele gezinnen menen ten onrechte dat ze niet hoeven aangesproken te worden als het gaat over sterke schouders, omdat ze weet hebben van een buurman met nog sterkere schouders.

De overheid noch het individu alleen zitten aan de bron van een gelukkige samenleving. Voor christen-democraten ligt het antwoord uitdrukkelijk niet in een soort gemiddelde van bovenstaande twee visies. Het ligt er recht tegenover. In het woord samenleving ligt het concept al vervat: het gaat over verbondenheid.

De cynische visie dat een mens alleen is wanneer hij geboren wordt, en even alleen wanneer hij sterft, beantwoordt niet aan de werkelijkheid. Vanaf het eerste moment zijn er ouders. Familie. Vrienden. Een samenleving met mensen die kiezen om dienstbaar te zijn, als verzorgende, als leraar, als vrijwilliger, als politieman of als wat dan ook, tot en met iemand die gewoonweg goedemorgen zegt. Een netwerk van verbanden, die zich een leven lang aan elkaar smeden. Zonder die verbanden kan een mens geen persoon zijn.

De christen-democratische kijk heeft veel oog voor de kracht van mensen die zich in solidaire netwerken organiseren. Bij een bezoek aan een ouderenvoorziening merkte een man tegenover mij nogal gechargeerd op: "Mijn ouders hebben elf kinderen een toekomst gegeven, met een inkomen van een vader die tot zijn veertiende naar school was geweest. En wij zouden nu met zijn tweeëntwintigen niet in staat zijn te zorgen voor deze oude mensen, zonder de hulp van de minister?"

Waar de man gelijk in had, is dat overheden liefst niet te snel taken uit handen nemen. Zelfredzaamheid ondersteunen is een bron van morele kracht. Het garandeert ook dat we overheidsgeld inzetten voor wie het - door een verzwakt netwerk - het hardst nodig heeft. Er zijn grenzen aan mantelzorg, en familieleden hoeven niet met een schuldcomplex opgezadeld te worden wanneer de zorg hun krachten of expertise te boven gaat. Dan komt het erop aan om professionele hulp in te schakelen en de beschikbare energie van de naasten aan te boren zonder ze uit te putten.

Nog een laatste bedenking over hoogmoed in de politiek. Hoogmoedige politici verdragen geen pottekijkers, weten alles beter, en vertikken het om op een ernstige manier verantwoording af te leggen.

Het is compleet fout te denken dat democratie kan volstaan met vrije verkiezingen. Democratie vergt ook reële politieke participatie. Burgerparticipatie kan niet zonder sterke middenveldorganisaties. Verenigingen zijn onmisbaar om het maatschappelijke debat niet te laten verschralen tot de obsessie van de krantekop, of tot wat een spraakmakende elite als correct naar voren schuift. Alleen zo krijgen we een democratie die tegengas geeft aan zondebokverhalen en aan gemakkelijke oplossingen, die de desillusies van morgen voeden.

'Cynische mensen zijn meesters in de tactiek, maar povere strategen'

Steven Vanackere: De eerste steen. Zeven hoofdzonden in de politiek. Vrijdag, Antwerpen; 224 blz. euro 19,95

De zeven hoofdzonden
Zoals Arjan Visser voor deze krant de Tien Geboden losjes gebruikt als leidraad voor diepgravende interviews, gebruikt Steven Vanackere de zeven hoofdzonden als vertrekpunt van overwegingen over goed en kwaad in het politieke bedrijf.

"Waarom de zeven hoofdzonden als lens om naar politiek en samenleving te kijken?", schrijft hij in het voorwoord van zijn deze week verschenen essaybundel 'De eerste steen'. "Mogelijks lukt het me om aan te tonen dat dit denkkader veel tijdlozer is dan men wel denkt. Misschien kan ik er een paar zinvolle en creatieve overwegingen uit puren. In elk geval ben ik niet zo beschaamd over mijn katholieke opvoeding en achtergrond, dat ik het niet zou durven te proberen."

De zeven hoofdzonden - zonden die volgens de kerkvaders gelden als de basis van alle andere zonden - zijn in de zesde eeuw als lijst gecanoniseerd door paus Gregorius. Het zijn achtereenvolgens:

Superbia - hoogmoed, ijdelheid

Avaritia - hebzucht, gierigheid

Luxuria - wellust, onkuisheid

Invidia - jaloezie

Gula - onmatigheid, gulzigheid

Ira - woede, wraakzucht

Acedia - luiheid, gemakzucht

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden