Politieman Ad Smorenburg met Loes, het meisje dat bij hem onderdook.

Oorlogsverleden

De politie bestond in de oorlog niet alleen uit 'moffenknechten'.

Politieman Ad Smorenburg met Loes, het meisje dat bij hem onderdook. Beeld Privéarchief Loes van den Ancker-Susan

Veel Nederlandse politiecommissarissen werkten in de oorlog maar al te braaf mee met de bezetter. In een nieuw boek geeft historica Hinke Piersma ook de ‘goede’ politiemensen een gezicht.

Fanatieke nationaal-socialistische commissarissen die al voor de oorlog vluchtende Joden terugsturen naar Duitsland en later grootschalige razzia’s in de steden leiden. Agenten die met de premie van het kopgeld zo veel mogelijk Joden binnenbrachten die de Duitsers konden afvoeren naar de concentratiekampen. Dat is het beeld van de politie in de Tweede Wereldoorlog waaraan Hinke Piersma niets afdoet in haar boek ‘Op eigen gezag’, dat vandaag verschijnt. Het is allemaal gebeurd en de duizenden strafdossiers na 1945 getuigen van de wandaden.

Maar is het beeld compleet? De afgelopen halve eeuw is dan wel de nuance doorgedrongen in het debat over collaboratie, de politie heeft daarvan nog amper geprofiteerd. ‘Moffenknechten’ scandeerde een Amsterdamse menigte bij het eerste orde-optreden van agenten na de bevrijding. En ook later lijkt de politie de ‘functie van nationale zondebok’ te hebben vervuld, schrijft Piersma, waarop het onbehagen over het feit dat in Nederland relatief zo veel Joden konden worden weggevoerd, kon worden ‘afgewenteld’.

Dilemma’s en gewetensbezwaren

De onderzoekster van het Niod, het ­instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies, heeft dan ook gekozen voor de ondertitel ‘Politieverzet in oorlogstijd’. Ze combineert al bekende bronnen over heldhaftig optreden met een reeks eigen interviews en speurwerk in vele archieven. Ze beschrijft de dilemma’s van agenten. Je kunt heldhaftig weigeren om Joden op te halen. Bijvoorbeeld wanneer je er grote gewetensbezwaren aan overhoudt, zelfs als je tientallen Joden tijdig kon waarschuwen, maar er toch nog een handvol thuis aantreft, zoals een commissaris in Zutphen in 1941 overkwam. Maar een ander neemt je plaats over.

Extra aandacht heeft Piersma voor de nasleep van politieverzet: dat bleek vaak niet lonend na de oorlog. “De meeste agenten die held waren, zijn na 1945 kapot gegaan”, zegt de onderzoekster. Bij de politie werden ze met de nek aangekeken, omdat ze niet loyaal waren geweest en een baantje als conciërge op school was voor menig oorlogsheld al heel wat.

De nationale politie betaalde het ­onderzoek van Piersma. “Maar wij werken volgens wetenschappelijke regels, niemand heeft zich bemoeid met de ­inhoud.” De uitkomst van het boek is redelijk positief voor diezelfde politie. Piersma: “We moeten niet meer doen alsof slechts een enkeling in verzet kwam. Driehonderd politiemensen bleken na de oorlog op de lijst van dodelijke slachtoffers te staan. In het boek staan veel meer verhalen. Er zijn echt dappere politiemedewerkers geweest.”

Een goede en een foute broer

Jan en Ad Smorenburg. Jan was de ‘schrik van Utrecht’, Ad nam een Joods meisje in huis.

De Utrechtse broers Jan en Ad Smorenburg gingen allebei net als hun vader bij de politie. Jan staat model voor de overtuigde nationaal-socialist, die als de ‘schrik van Utrecht’ fanatiek een politieteam leidde dat Joden opspoorde. Zijn drijfveer was het ‘kopgeld’, de 7,5 gulden per aangegeven Jood. Na de oorlog werd hij tot een celstraf veroordeeld.

Ad Smorenburg. Beeld Privéarchief Loes van den Ancker-Susan

Minder bekend is dat zijn broer Ad juist een Joods meisje opving tijdens de oorlog. De zedenrechercheur nam haar begin 1943, toen ze amper een jaar oud was, bij zijn vrouw en hem in huis. Deze Loes zou na de oorlog contact houden met haar pleegouders, zo vertelde ze NIOD-­onderzoekster Hinke Piersma, die haar opzocht toen ze haar boek ging schrijven. Ad Smorenburg zou flink last houden van de besmetting van zijn achternaam door zijn foute broer Jan.

‘Meewerken’ met de bezetter

Arend Japin en Pieter Elias. Politiemannen die Joden hielpen ontkomen aan razzia’s.

De Amsterdamse politiemannen Arend Japin en Pieter Elias schrokken zich een hoedje toen ze zich realiseerden dat ze ­samen met SS’er Ferdinand Aus der Fünten aan de registratie moesten werken van Joden die opgehaald zouden moeten worden. Ze wilden het bijltje erbij neergooien totdat ze beseften dat ze hun werk ook omgekeerd konden gebruiken. En zo waarschuwden ze Joodse mensen als er een razzia zat aan te komen. 

Als Joden daaraan niet konden ontkomen, namen ze hun huisdeursleutels ‘in beslag’ om ze ­later terug te geven en de ­betrokken Joden het gevang uit te smokkelen en met een dienstauto in veiligheid te brengen. Elias werd uiteindelijk ­betrapt en in 1944 doodgeschoten door de Duitsers, Japin bleef na de oorlog bij de politie werken, al viel de zuivering hem ernstig tegen en moest hij zich nog verweren tegen een ­beschuldiging van collaboratie.

De tranen van een agent

Vogeltje Haringman. Had als een van de weinigen oog voor het medeleven van agenten.

In september 1942 werd de ­jonge Joodse vrouw Vogeltje ­Haringman gewaarschuwd dat de politie zich had gemeld bij haar ouders, die niet veel verderop in Amsterdam-Noord woonden. Ze trof haar ouders aan en drie agenten, van wie er een verslagen op een stoel voor zich uit staarde, zijn tranen nauwelijks bedwingend. Toen Vogeltje de agenten smeekte tenminste haar negenjarige zusje Rachel te laten gaan, antwoordden ze dat ze ook maar waren gestuurd. 

De ouders van Vogeltje en Rachel stierven in de gaskamer in Auschwitz. ­Hinke Piersma noemt het een zeldzaamheid dat Vogeltje in haar getuigenis direct na de oorlog ook aandacht had voor het verdriet van de agenten. Ze zag dit als een zeldzaamheid, het medeleven van agenten werd volgens haar na 1945 al snel niet meer dan een ‘voetnoot’ in de geschiedenis.

Lees ook:

Herdenken de Duitsers 75-jaar D-Day?

De hotelkamers in Normandië waren al maanden volgeboekt voor de herdenking. D-Day. De provincie hield rekening met veel geallieerden en toeristen die de voormalige vijanden uit de oorlog respect komen betuigen.Alleen de Duitsers bleven nagenoeg weg.

Moffenmeid?

Zijn moeder werd na de oorlog kaalgeschoren. Nu vraagt Martin zich af: was zij echt een moffenmeid? Een voorpublicatie uit het boek van Trouw-redacteur Rianne Oosterom.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden