De Polen passen zich mopperend aan

De uitslag van de Poolse presidentsverkiezingen toont nogmaals aan dat de overgang naar democratie en vrije markt in Centraal-Europa onomkeerbaar is. Het laat echter ook zien dat veel Polen, elf jaar na de val van het communisme, de buik vol hebben van veranderingen.

Een paar weken voor de presidentsverkiezingen verzamelt een groepje grijsharigen zich voor de ministerraad aan de Ujazdowskie-laan. Ze eisen versnelde inflatiecorrectie voor hun karige pensioenen en uitkeringen. ,,Toen ik in 1988 met pensioen ging, kreeg ik driehonderd procent van het gemiddelde loon. Nu krijgt ik minder dan het gemiddelde inkomen en dan heb ik nog een pensioen dat hoog heet te zijn'', klaagt Pan Stanislaw.

Hij is gepensioneerd econoom en werkte onder het communisme in de buitenlandse handel. Stanislaw is er niet van overtuigd dat Polen sinds het vertrek van de communisten in 1989 beter af is. ,,Voor een groot deel van de samenleving is het nu financieel veel slechter dan toen. Dertig procent van de mensen leeft in armoede. Twintig procent van de mensen heeft het beter.'' Dat de Pool nu vrij is, is volgens hem van ondergeschikt belang. ,,Wie interesseert het nu dat hij een paspoort thuis mag hebben? Dat is maar voor een paar duizend mensen van belang. Niet voor miljoenen. De meeste mensen gingen sowieso nooit naar het buitenland. Hen kan het niets schelen of er censuur is of niet. Mensen kijken wat ze in hun portemonnee hebben.''

Pan Stanislaw heeft op president Aleksander Kwasniewski gestemd, en hij kan tevreden zijn. Afgelopen zondag wist de voormalige communist Kwasniewski zijn herverkiezing veilig te stellen, door in de eerste ronde van de verkiezingen ruim vijftig procent van de stemmen te behalen. De uitslag was geen verrassing. Kwasniewski heeft de afgelopen vijf jaar een zorgvuldige mediapolitiek gevoerd en ging politieke confrontaties uit de weg, hetgeen hem een groot overwicht op de concurrentie opleverde.

Dit in tegenstelling tot oud-president Lech Walesa. De legendarisch leider van Solidariteit verloor vijf jaar geleden met een mininiem verschil in stemmen zijn presidentszetel aan Kwasniewski. Walesa weigert nog altijd Kwasniewski een hand te geven en heeft de afgelopen vijf jaar vanuit een steeds marginalere positie zijn opvolger verbaal bestookt. ,,U kunt mijn voet krijgen'', liet Walesa zijn tegenstander vijf jaar geleden weten. De Polen maakten afgelopen zondag duidelijk geen president te willen die zijn gesprekspartner een voet geeft in plaats van een hand. Walesa bleef steken op een vernederende 0,9 procent van de stemmen.

De overwinning van Kwasniewski mag dan geen verrassing zijn in het licht van de opiniepeilingen, vanuit een breder perspectief is het dat wel. Waarom stemmen ontevreden Polen als Stanislaw ondanks al hun twijfels over de Poolse transformatie op een president die mede-auteur en voorvechter van die transformatie is? Onlangs liet de Poolse regering onder de naam 'Maatschappelijke diagnose 2000' een uitgebreid onderzoek doen naar het welbevinden van de Polen. Iets meer dan de helft van de bevolking vond het leven onder het communisme gemakkelijker. Slechts acht procent van de Polen noemt de transformatie sinds 1989 geslaagd. De helft van de bevolking vindt het tegendeel en dat is een toename van twintig procent in drie jaar tijd. In diezelfde periode is het aantal Polen dat de invloed van de hervormingen op het eigen leven als negatief ervaart gestegen van 52 procent tot 65 procent. Het aantal positieve oordelen in deze kwestie daalde licht van 27 procent naar 23 procent.

Het opmerkelijke is dat geen van de kandidaten deze ontevredenheid heeft kunnen omzetten in politieke steun. Slechts drie van de dertien presidentskandidaten sprak zich zonder voorbehoud uit voor het voortzetten van de gevolgde koers: Kwasniewski, Walesa en de partijloze liberaal Andrzej Olechowski. Deze laatste bleek zonder politieke achterban in staat te zijn een opmerkelijke tweede plaats te veroveren. De grote verliezer was Marian Krzaklewski, de kandidaat van de regerende Verkiezingsactie Solidariteit (AWS).

Enerzijds verdedigde Krzaklewski de transformatie als degene die verantwoordelijk is voor vergaande hervormingen die de AWS-regering de afgelopen vijf jaar heeft doorgevoerd. Anderzijds probeerde hij te scoren met de angst voor Duits revanchisme. De overige kandidaten trokken de hele transformatie van de afgelopen tien jaar in twijfel, door in te spelen op de angst voor buitenlands kapitaal, privatisering en de geplande Poolse toetreding tot de Europese Unie. Ze bleken zelfs de minieme aanhang die de peilingen hun voorspelden niet te kunnen waarmaken. Dit fenomeen -een wijdverspreid gevoel van teleurstelling dat zich niet vertaalt in politieke verandering- is niet typisch Pools. De meerderheid van de Hongaren is vol lof over Janos Kadar, de auteur van het goulasj-communisme. In Polen is deze rol weggelegd voor partijleider Edward Gierek, die in de jaren zeventig het land diep in de schulden stak in een mislukte poging het Westen voorbij te streven. In zowel Polen als Hongarije hebben de voormalige communisten een opmerkelijke comeback gemaakt. In Tsjechië is de onhervormde communistische partij bijna de grootste van het land. En toch vreest geen van deze landen voor een terugkeer naar het communisme.

De onvrede zet wel vraagtekens bij de vaak geclaimde 'overwinning van het kapitalisme', zoals die begin jaren negentig door velen werd verkondigd met een beroep op de Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama. Volgens Fukuyama is de combinatie liberale democratie en vrije markt de meest rationele maatschappelijke orde, omdat ze de optimale bevrediging van consumptie- en erkenningsbehoeften garandeert. In Fukuyama's Hegeliaanse redenering is de wereldgeschiedenis daarmee geëindigd, aangezien de institutionele orde van het liberalisme geen interne spanningen meer bevat die een nieuwe stap in de dialectische voortgang van de geschiedenis noodzakelijk maakt.

De voormalige Oostbloklanden zijn als voormalige 'tegenstanders' een geliefde illustratie bij deze redenering, vooral Polen, dat van alle voormalige oostbloklanden de spectaculairste welvaartsgroei heeft doorgemaakt. Dankzij de zogeheten shocktherapie van minister van financien Leszek Balcerowicz, veranderde het uitgemergelde land in een van de meestbelovende 'emerging markets' in de regio. De economie is onafgebroken gegroeid met zo'n vijf procent per jaar. Ruim zeventig procent van de productie komt voor rekening van de privé-sector, dankzij de ruim 2,5 miljoen kleine bedrijfjes die als paddestoelen uit de grond zijn geschoten. Vandaar ook dat Polen nu als voorbeeld dient voor landen in de voormalige Sovjet-Unie, die het aanzienlijk minder goed hebben gedaan.

Meer welvaart blijkt echter niet hetzelfde als meer welzijn. Het aantal huishoudens dat niet in zijn dagelijkse onderhoud kan voorzien is de laatste drie jaar gedaald van 66 procent naar 45 procent. En toch hebben de Polen zich sinds 1994 nog niet zo arm gevoeld. De openingszin van 'Maatschappelijke diagnose 2000' spreekt boekdelen: ''De objectieve verbetering van de materiele levenssituatie gaat gepaard met een steeds negatiever subjectief oordeel.'' Dit bleek ook tijdens het jubileum van twintig jaar Solidariteit. In de uitgebreide interviews met de degenen die destijds actief bijdroegen aan de val van het communisme overheerste het gevoel van teleurstelling.

De klachten zijn in alle voormalige Oostbloklanden identiek: Het najagen van maatschappelijke status en materieel succes gaat ten koste van familie en vrienden. Reclames praten je allerlei dingen aan die je eigenlijk niet nodig hebt. Vroeger hoefde je minder hard te werken en was je tenminste zeker van je baan. Tegenwoordig draait alles om geld, waarvoor je weliswaar alles kunt kopen, maar waarvan je nooit genoeg hebt. Vroeger was de welvaart voor het grootste deel van de bevolking eerlijker verdeeld.

Een intellectuele vertolking van deze gevoelens komt van Vaclav Havel, voormalig dissident en president van Tsjechië. Hij wijst het Westen regelmatig op de noodzaak van 'morele zelfreflectie'. ,,Ik heb vaak de indruk dat we bezig zijn het Westen in te halen op die punten waar we het Westen zouden moeten waarschuwen'', aldus Havel in een toespraak die hij vorig jaar in Warschau hield. Enkele van de punten waarop hij doelde: ,,De dictatuur van het geld, de winst en de constante economische groei. Het groeiende egoïsme, de wil om persoonlijke verantwoordelijkheid te ontlopen door zich te verschuilen in de kuddegeest''. Tijdens de 'wereldtop van het kapitalisme' die het IMF en de Wereldbank afgelopen maand in Praag hielden, herhaalde Havel zijn twijfels: ,,De mensheid aanvaart een cultus van materieel gewin als het hoogste goed, waar al het andere voor moet wijken''.

Dergelijke overpeinzingen zijn niet besteed aan Havels Poolse collega. Aleksander Kwasniewski hoedt zich voor uitgesproken meningen. Zijn politieke tegenstanders verwijten hem dat hij zich nooit eenduidig van zijn communistische verleden heeft gedistantieerd en dat hij als beroepspoliticus politieke stellingname uit de weg gaat. Maar sociologen wijzen op iets anders: Kwasniewski heeft zijn populariteit juist aan deze eigenschappen te danken. De Pool is bang voor het verleden, bang voor de toekomst en voegt zich mopperend naar de veranderende omstandigheden. Daarbij valt zijn keuze op de meest 'post-moderne' kandidaat. Iemand die zijn ideologische kleren gemakkelijk wisselt, geen beroep doet op grootse ideeen of ideologieën, maar die pragmatisch reageert op de problemen die hij tegenkomt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden