De poezelige lijntjes van een treuzelende Rembrandt

Twee conservatoren bestudeerden jarenlang de etsen van Rembrandt. Hij werkte, zo blijkt, anders dan gedacht.

Zo'n 18.000 etsafdrukken van Rembrandt onderzochten de conservatoren Erik Hinterding en Jaco Rutgers van het Rijksmuseum. Ongeveer de helft ervan is niet van zijn hand en dateert van na zijn dood, concluderen zij.

De onderzoekers besteedden acht jaar studie - verdeeld over twee man - aan de etsen van de Nederlandse meester. Ze reisden de hele wereld over om in alle openbare collecties te speuren naar afdrukken van de 315 etsen die Rembrandt tussen 1625 en 1655 heeft gemaakt. Dat leidde tot nieuwe inzichten over zijn werkwijze.

Zo blijkt dat Rembrandt in veel kleinere stapjes tot het eindproduct kwam dan gedacht. Dat is te zien aan de vele 'staten' - afdrukken van tussenstadia. Hinterding: "Hij begon aan een voorstelling en ging dan treuzelen. Hier een lijntje versterken, daar een lijntje poezeliger maken." Dat proces van zoeken en proberen is te zien door de verschillende staten met elkaar te vergelijken.

Maar liefst vijftien staten ontdekten Hinterding en Rutgers van zijn 'Zelfportret met hoed met slappe rand en bewerkte mantel' uit 1631. Sommige met alleen het hoofd, andere met het lijf erbij, de laatsten aangevuld met de achtergrond.

Al in de zeventiende eeuw hadden verzamelaars belangstelling voor de verschillende staten. Het was vaak hun streven alle staten van een ets te hebben. Rembrandt maakte er gebruik van door de verschillende staten zonodig een beetje op te knappen voor ze de verkoop in gingen.

Rembrandt was ook in technisch opzicht een vernieuwer. Hij begon in de jaren veertig met de droge naald te werken - direct met de naald in het koper graveren in plaats van het tijdrovende procedé van de plaat insmeren met was, daarin tekenen en de lijnen uitbijten met een zuur. De lijntjes worden bij een droge naald wat fluweliger. Later gebruikt hij ook plaattoon, dat een donkere gloed over de voorstelling legt, en bijzondere soorten papier.

Maar hij gebruikte niet het wiegijzer, waarmee mezzo-tinten kunnen worden bereikt. Die techniek bestond in zijn tijd nog niet. Dat zijn dus latere afdrukken uit de achttiende eeuw, concluderen Hinterding en Rutgers. Ook het watermerk in het papier kan verraden dat de afdruk van later datum is. In hun publicatie hebben de onderzoekers per afdruk beschreven of het een Rembrandt-afdruk of een latere versie betreft.

Toch kun je in die laatste gevallen niet ronduit spreken van vervalsingen. De afdrukken zijn immers wel afkomstig van door Rembrandt bewerkte koperplaten. 81 ervan bestaan tot op de dag van vandaag. Maar Hinterding is er wel van overtuigd dat de kunsthandel rekening zal moeten houden met de uitkomsten van dit onderzoek. De afdrukken van Rembrandt zelf zullen het kostbaarst worden.

Het onderzoek verschijnt in januari in de prestigieuze Hollstein-serie, waaraan sinds 1949 wordt gewerkt en waarin alle prenten van Nederlandse kunstenaars tussen 1450 en 1700 worden behandeld.

Het Rijksmuseum illustreert het onderzoek in 36 prenten op de tentoonsteling 'Rembrandt ontrafeld'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden