De poes is een mens van hogere orde

Willem Frederik Hermans met poes Sebastiaan. (Trouw)

Van Frans Pointl tot W.F. Hermans: Nederlandse schrijvers hebben duidelijk een voorkeur voor de poes. Want katten zijn huismussen, net als schrijvers. En ze zijn aaibaar, maar toch raadselachtig. „De kat is een een levende elektriseermachine.”

Geen enkel dier loopt, springt, miauwt, spint en slaat zoveel zijn nagels uit in de vaderlandse letteren als de kat, de felis domesticus. Hoe komt dat? De belangrijkste reden ligt voor de hand. Er is geen dier dat zo intensief samenleeft met schrijvers, die ook vaak grote delen van de dag thuis zijn. (Poezen zijn, vice versa, ook gek op huismussen.)

Zo kun je sommige katten stempelkussentjes zien wandelen door een literair oeuvre. Neem Voske, de kat van Jan Wolkers. Hij kocht het diertje aan het einde van de jaren vijftig in een dierenwinkel vlakbij de Albert Cuypmarkt in Amsterdam. „Het was rood-zwart gevlekt, een kleur rood als van Olga’s haar”, staat er in ’Turks fruit’. „Het had een licht puntje aan zijn staart en er liep een licht streepje van zijn voorhoofd naar zijn neus. Daardoor leek het net een snolletje. Maar het profiel van zijn kopje was zo nobel als dat van een tijger.” In de Zomerdijkstraat in Amsterdam, waar Wolkers woonde van 1950 tot 1980, had Voske altijd op het tafeltje naast zijn schrijfmachine liggen slapen als hij zat te tikken. Op precies genoeg afstand om niet door de schrijfmachinewagen te worden geraakt.

Wolkers’ roman ’De junival’ uit 1982 gaat voor de helft over Voske. Het is een in memoriam voor zijn eerste en meest geliefde poes én voor zijn moeder, van wie hij vond dat die op Voske leek. „Mijn moeder was een poes.” Uit de roman, waarin hoofdstukken over de poes en de moeder elkaar afwisselen, blijkt dat Voske de vertegenwoordiging was van het goede en het slimme. Nog jaren na haar dood schepte Wolkers op dat Voske het slimste wezen was dat hij ooit had ontmoet. Toen hij, sigaartje in de mond, eens op zoek was naar een vuurtje, had Voske met haar poot een doosje Zwaluwlucifers over de tafel naar hem toegeschoven

Niet altijd loopt het goed af tussen kat en schrijver. Frans Pointl, die talloze zwerverskatten opving – hij sprong Lily zelfs achterna in de gracht en redde haar van de verdrinkingsdood – kwam een tijdje niet meer af van een kat die hij ’Poelie de verschrikkelijke’ noemde. Poelie oefende een waar schrikbewind uit in de twee huurkamertjes op het balkonnetje van huize Pointl. Beet, scheet en moordde. De twee andere huiskatten en de schrijver waren doodsbang voor het beest, dat uiteindelijk werd ontmaskerd als de reïncarnatie van Hitler. Daarna volgde een enkeltje dierenarts. „Waarschijnlijk ben ik de enige Jood ter wereld die heeft gehuild om Hitlers dood.”

Poezen zijn vooral geliefd omdat ze zo raadselachtig zijn en de schrijvers er veel van hun eigen karaktertrekken op kunnen projecteren. Dat is precies wat Willem Frederik Hermans deed met Cals, Kist, Pats (die zo heette omdat hij ’pats, pats’ zijn voeten neerzette) en al die andere. „Een poes,” vertelde Hermans, „leeft in een totaal andere wereld, je kan geen contact met hem hebben. De gedachtewisseling tussen mens en kat is zoiets als een radar, er wordt uitgezonden en teruggekaatst. Dat is bij mensen onderling ook wel zo, maar van mensen verwacht je nog iets – aan poezen hoef je geen eisen te stellen en geen concessie te doen, ze kunnen je dus niet teleurstellen.”

Toch zag Hermans, geheel volgens zijn eigen, duistere natuur, vooral ook het vervaarlijke van de kat. In ’De liefde tussen mens en kat’ schreef hij: „Het raadsel van het in de ogen kijken is het raadsel van de angst die het leven begeleidt als een elektrische stroom.” Hermans’ alter ego Richard Simmillion noemt een kat ’een levende elektriseermachine’. En in Hermans’ verhaal ’De kat Kilo’, over een kat die zo groot wordt dat hij een heel huis vult, staat: „Haar snorren leken op de banen die de fragmenten van een uiteenspattende vuurpijl beschrijven; zij bewoog zich met de adembenemende geruisloosheid van een hallucinatie.”

Hoe sfinxachtig hij katten ook vond, de schrijver zag er niet tegenop om op straat in Parijs in het Nederlands met poezen te spreken. In een briefkaart aan Piet Schreuders, de directeur van de onvolprezen Poezenkrant, schreef Hermans op 16 december 1974: „Ik zou natuurlijk ook kunnen zeggen: Bonjour mon ami, j’ai un mot à te dire, maar omdat elke rechtgeaarde poes een snob is – en zeker hier in Parijs zijn ze dat – zijn ze veel toeschietelijker als ze in een vreemde taal worden aangesproken.”

Om hun geheimen te ontraadselen, verplaatsen schrijvers zich ook vaak in een kat. Een meesterlijk voorbeeld van dit genre is het ’Dagboek van een poes’ van Remco Campert. Dit dagboek is geheel geschreven door Poef. „Ja, u leest het goed. Poef. Een naam als een spraakgebrek.” Poef woont samen met twee staartloze huisgenoten, ’Bril’ (lees: de dichter) en ’Rok’ (des dichters eega). Poef analyseert vooral Bril genadeloos, als een licht betreurenswaardig studieobject: „Een en ander doet bij mij de gedachte rijzen dat Bril niet tot de slimsten behoort, als het om mij gaat.”

Het ’Dagboek van een poes’ wemelt van de wijsheden uit het kattenuniversum. Zo ziet Poef God als hond – wat leidt tot verwensingen als ’hondverdikkeme’ – en heeft zij een helder idee over de melancholie die Bril, Rok en andere mensen nogal eens wil bevangen: „Soms kijken tweebenigen treurig voor zich uit. Ik denk dat ze dan hun staart missen. Ze voelen dat er bij hen iets ontbreekt achter.”

In de literaire oertekst in de Nederlandse literatuur over de ware aard van het beestje gaat Rudy Kousbroek op welhaast wetenschappelijke wijze te werk. In ’De aaibaarheidsfactor’ classificeert hij de dieren volgens het criterium van de aaibaarheid: „Er is maar één dier dat tegelijk beantwoordt aan alle voorwaarden van vrijheid, gelijkheid, bezit van intelligentie en van een gladde vacht, afwezigheid van hap-impuls, etc., die samen het criterium van aaibaarheid uitmaken en dat is de apotheose in de evolutie van de aaibaarheid (la loi de la caressabilité croissante), de kat.”

Of schrijvers het nu realistisch, fantastisch of wetenschappelijk aanpakken, steeds proberen ze de kat nabij te komen. Maar door het mysterieuze van de dieren houdt de verbintenis tussen mens en kat altijd iets mythisch. De poes is in de literatuur haast een mens van hogere orde. Toen Jan Wolkers als jongetje van zijn vader te horen kreeg, terwijl die bezig was zijn dode poes te begraven in de brandgang achter hun huis, dat dieren niet in de hemel zouden komen, viel hij voorgoed van zijn geloof.

„Achteraf”, schreef Wolkers, „klonk het na in mijn herinnering als de knersing der tanden van degenen die het eeuwige leven niet deelachtig zullen worden, want mijn vader zei, na mijn herhaald aandringen aan de rand van die kleine groeve terwijl bij iedere schep aarde meer van de lapjesvacht verdween die ik zo vaak gestreeld had, dat dieren niet in de hemel komen omdat ze geen ziel hebben. Dat was voor mij het einde. Zonder dier geen hemels vertier. Dan ging ik later net zo lief niet dood of ik bleef bij de laatste bazuinstoot liggen waar ik lag. Dieren geen ziel! Als je het trage temende gebalk dat het uitverkoren volk zondags tijdens de kerkdienst in psalm na psalm uitstootte, vergeleek met de zuivere zang van de eerste de beste merel, zou ik wel eens willen weten wie er bezield was en voor wie de hemelpoort potdicht moest blijven.”

Het hoeft dan ook niet te verbazen dat Wolkers, wiens as is verstrooid op de plek waar ook de as van Voske ligt begraven, heeft gezegd dat als er tóch een hemel mocht bestaan, dat hij dan naar de kattenhemel wilde om tot in de eeuwigheid blikjes tonijn in gelei open te maken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden