De Phoenix van het Rapenburg

ONNO BLOM

Een schaduw rekt zich uit over de klinkertjes van het Leidse Rapenburg. Daar volgt zijn bezitter: een magere man in een ouderwets zwart pak loopt zijn donkere silhouet achterna. Bovenop het bruggetje over de Groenhazengracht blijven zijn ogen heel even rusten op het trotse rechthoekige pand op de hoek. Met lichte, zwevende passen vervolgt hij zijn weg. Elke pas doet hem verder verdwijnen achter de kromme rug van het bruggetje.

Hoe verleidelijk is het te veronderstellen dat deze man de schim was van Johannes Thys, die uit een andere wereld even kwam kijken of zijn bibliotheek er nog stond. Zijn naam staat uitgehouwen in steen op de gevel van het trotse zeventiende eeuwse hoekpand:

IOHANNIS THYSII BIBLIOTHECA

De rijke koopmanszoon Johannes Thys - of in het Latijn: Thysius - stierf in 1653, pas 32 jaar oud. Tijdens zijn korte leven had hij zich ontpopt als een fervent liefhebber van de letteren en een echte collectioneur. Hoezeer zijn verzameling boeken, prenten en pamfletten hem aan het hart lag, bleek op zijn tragisch sterfbed. Enkele dagen voor zijn dood, op 8 oktober 1653, stelde hij een testament op dat bepaalde “dat mijn biblioteeq door mijn neeff joncher Marcus du Tour sal werden geemployeert tot publycke dienst der studie.”

Voor de bouw van een nieuwe bibliotheek liet Thys twintigduizend gulden na, en een jaarlijks bedrag van driehonderd gulden om de collectie aan te vullen. In de twee jaren na zijn dood heeft Marcus du Tour exact gedaan wat zijn neef van hem had verlangde. Zoals in het testament was vastgelegd, werd een nieuwe bibliotheek gebouwd vlak bij het Waalsch College, de school waar predikanten voor de Waalse kerken in het land werden opgeleid. Het College lag aan de Groenhazengracht, de Bibliotheca Thysiana verrees in 1655 op de hoek van dezelfde gracht en het statige Rapenburg.

Het Rapenburg was, en is, een toepasselijke plek voor een bibliotheek. Niet alleen vanwege de schitterende koopmanshuizen die zich spiegelen in het water van de gracht, maar vooral vanwege de aanwezigheid van de Universiteit. Op een steenworp afstand ligt het fraaie gebouw, waar sinds het eind van de zestiende eeuw de Academie is gevestigd. Willem van Oranje schonk de eerste universiteit van de Nederlanden aan de burgers van Leiden, die in 1573 de Spaanse belegering hadden getrotseerd.

Vanzelfsprekend ontstond er daarom juist op deze plek veel bedrijvigheid, die met de Universiteit verbonden was. De Antwerpse drukker Plantyn had, onder een zadeldakje tegen het Academiegebouw zijn eigen boekhandel. Plantyn was uit Vlaanderen gevlucht omdat na de komst van Alva hem de grond te heet onder zijn voeten werd. En Lodewijk Elsevier - de erfvader van het huidige miljoenenconcern - begon een aantal jaren later precies tegenover hem. Beide handelaren voorzagen studenten en professoren van boeken, waarvan er ook een behoorlijk aantal in de Bibliotheca Thysiana zijn beland.

In drie eeuwen tijd is het straatbeeld op het Rapenburg niet wezenlijk veranderd. Net als op oude gravures dralen academici dromerig met een boek in de hand langs de langgerekte gracht, of haasten zij zich met wapperende jaspanden zich naar college. De hooggestemde woorden in het lofdicht 'Aen Leyden' van Daniel Heinsius, die van 1603 tot 1655 - het jaar dat Thys' bibliotheek afkwam - klassieke letteren en geschiedenis aan de universiteit doceerde, achten de Leienaars - uit te spreken zonder 'd' - nog onverminderd van toepassing:

O Nederlands Athene / O voedster van verstand en kloeke geest. O zon / van wijsheid ende kunst, o Duitse Helicon. / Fontein van prijs en eer, o herberg van de wijzen, / woonplaats van de Faam, wie zoude kunnen prijzen / De glans van uwen lof zo groot en breed? Wie zou / Afschilderen uw werk en kostelijk gebouw?

Krakend opent zich de zware deur van 'het kostelijk gebouw' van mijn bestemming. Recht onder het gegraveerde bouwjaar MDCLV stapt professor Posthumus Meyjes, conservator van de Stichting Bibliotheca Thysiana en hoogleraar theologie, naar buiten “Dit is de rijkste hoek van de stad,” zegt hij met een ironische glimlach om de lippen. Meyes vertelt, met zijn wijsvinger in de lucht tekenend, aanstekelijk over de bouw en geschiedenis van het pand, dat werd ontworpen door fabryck Arent van 's Gravensande, de Leidse stadsarchitect die ook voor de Lakenhal en Marekerk tekende. Van 's Gravensande heeft zich duidelijk laten leiden door de mathematische principes van Palladio. Zijn strakke gevellijnen komen in schijnbaar perfecte verhoudingen samen.

De hal van het gebouw heeft hetzelfde harmonieuze effect. Twee identieke stevige trappen spreiden uitnodigend de armen. Boven de treden van de rechter arm kijkt het portret van Thys, postuum geschilderd door de stadsschilder Jan de Vos, vorsend, mij vriendelijk aan. Toch begint het boven Thys' hoofd pas echt: als de armen samengekomen en zich nog even uitstrekken sta ik opeens midden tussen de boeken.

Dat is een lichte schok, en het duurt even te beseffen waarom dat zo is. Niet omdat er op het eerste gezicht nu zoveel te zien valt: er tuimelen geen engelen van het plafond, er zijn geen vergulde kandelaars die je tegemoet glanzen. Nee, het is het tegenovergestelde: het indringende effect van het sobere balkenplafond, de rijen perkamenten banden en de strakke lijsten van de boekenkasten nu juist bereikt door de afwezigheid van spektakel. Het licht dat via ramen aan de noordkant binnenvalt - zodat de boeken niet door de zon verkleuren - lijkt me wel onder water te dompelen. Heel teder strijkt een rimpeling van licht over de ruggen. Alles blijft in een schemering van de zeventiende eeuw gehuld.

Net als op de buitengevel is ook binnen alles rechttoe, rechtaan. Alle boeken staan langs de wanden in een vast systeem: de grote onder, de kleintjes boven. Aan de binnenkant van de kasten houdt een stevige balustrade me op een metertje afstand van de boeken. Vroeger liep de custos, de bibliothecaris, in dat smalle pad. Hij haalde boeken uit de kast en gaf die de bezoeker aan. En studeren, dat deed je staande aan de grote tafel in het midden van de zaal. Het blad van de tafel liep naar binnen toe schuin op en was met groen laken bekleed, zodat het boek er gemakkelijk op kon laten rusten.

Veel ingenieuzer dan de tafel met de schuine kanten is de originele zeventiende eeuwse boekenmolen, die Marcus du Tour op 20 mei 1657 voor 25 gulden aanschafte. Als ik er aandraai wentelen vier houten plateaus tandenknarsend om elkaar. Dat is op zich nog niet zo speciaal, ware het niet dat de plateaus zelf, via weggewerkte radertjes, ook zelf horizontaal blijven. Geen van de boeken in de molen verschuift zo een centimeter van zijn plaats.

Vlak naast de boekenmolen staat het enige afzonderlijke boekenkastje van de bibliotheek. Dat is niet voor niets: op de verschillende planken van het op maat gemaakte notenhouten kastje liggen de veertien delen van een originele atlas van Blaeu, de wereldberoemde Amsterdamse kaartenmaker. “Het was een geschenk dat vorsten wel aan elkaar gaven,” zegt Posthumus Meyjes. “Toen al kostte de atlas tweeduizend gulden, een volledig jaarsalaris van een hoogleraar. Het kabinetje is opzettelijk open. Zo kon je zonder deurtjes laten zien: Ik heb de atlas van Blaeu.”

De atlas is in de collectie van de Bibliotheca Thysiana een absoluut topstuk. Verder dragen de planken een ratjetoe van zeldzame en bekende, vrolijke en geleerde werken. Weliswaar zijn er grote verzamelwerken, portretten van vorsten, veldheren en geleerden door Goltzius, Boissard en Van Dyck en gegaveerde afbeeldingen van toernooien, vorstenhuizen en dodendansen - een hoogwaardige, thematische collectie is het niet. Posthumus Meyjes geeft dat direct toe: “Thysius kocht maar raak.” Toch vertelt Posthumus Meyjes er meteen bij dat juist die eigenschap de bibliotheek zo aardig maakt. “Deze zaal bevat het 'gemiddelde weten' van de zeventiende eeuw.”

De reisbeschrijvingen - die Johannes Thys voornamelijk verzamelde tijdens zijn Grand Tour door Engeland en Frankrijk - de kunstboeken, de wetboeken die hij voor zijn studie rechten nodig had en de pamfletten, ze geven een hele aardige indruk van het toenmalige lezen en een leven in de breedte. Vooral de pamfletten zijn in dat opzicht smaakmakend. “Het zijn kleine boekjes die je op de hoogte hielden,” legt Posthumus Meyjes uit. “Je kon ze voor een stuiver kopen en dan wist je hoe een zeeslag was gelopen.”

In de tijd voor de opkomst van de krant vormden pamfletten het podium waarop politieke en godsdienstige twisten werden uitgevochten. Leiden had op dat gebied, als oog van de wereld, een reputatie hoog te houden. Jacobus Arminius en Fransiscus Gomarus bestookten elkaar op een steenworp afstand van de Thysiana over de rekkelijkheid van de interpretatie van de Bijbel. Arminius woonde naast de Academie in de Nonnensteeg en Gomarus recht daarachter, aan de Vijfde Binnenvestgracht. De tuinen van beide heren grensden aan elkaar. De overlevering wil dat zij elkaar zelfs over de tuinmuur nog bestreden.

De pamfletten die Thys verzamelde hebben inmiddels het pand verlaten en zijn nu in de kelder van de Universiteits Bibliotheek ondergebracht, waar ze in klimatologisch betere omstandigheden verblijven. Zijn collectie prenten is om dezelfde reden verhuisd naar het Prentenkabinet. Al een aantal jaren is de staat van de boeken onderwerp van grote zorg. Een gespecialiseerde boekbinder stelde vast dat 63 procent van de boeken in redelijke staat verkeert, maar goed moet worden schoongemaakt. De rest is er matig, of zeer slecht aan toe. In totaal is er een miljoen nodig voor de restauratie van de collectie.

Posthumus Meyjes weet trots te melden dat het bestuur van de Stichting Bibliotheca Thysiana erin is geslaagd dat geld van verschillende sponsoren bij elkaar te krijgen. Momenteel werkt een groepje specialisten onder leiding van de Leidse hoogleraar Obbema - ook lid van het bestuur en een specialist op het gebied van oude handschriften - aan het herstel. Boek voor boek pakken zij uit de kast, noteren wat er mee gedaan moet worden, maken het schoon en sturen het naar de juiste binder. Van al deze reddingsoperaties vertoont alleen een verlaten bureautje de sporen. Daarop staat een aantal flesjes met chemicaliën en een kwastje, die voorzichtig de oude bladzijden heeft gestreeld.

Liefdevol en toegewijd of niet, zelfs met de hulp van sponsors is het op de lange termijn niet mogelijk de erfenis van Johannes Thys volledig recht te doen. Van gemeente en universiteit krijgt de bibliotheek maar vijfduizend gulden per jaar. Daar kun je de ramen nog niet van lappen, laat staan de lekkage-schade van een paar jaar geleden herstellen of het verzakte plafond opnieuw ondersteunen.

“Gelukkig”, glundert Posthumus Meyjes, “hebben wij de vereniging Hendrick de Keyzer bereid gevonden het pand over te nemen. Zij krijgen de bibliotheek 'om niet', maar nemen nu de hele restauratie op zich.” Het plafond wordt hersteld, alles opnieuw in originele kleuren geschilderd en de oude centrale verwarming wordt vervangen. De gloeiend hete buizen liepen achter de boekenkasten langs en verpulverden het papier. Oorspronkelijk was alleen onder de trap, in de woning van de custos, een potkacheltje. De bibliotheek zelf was onverwarmd. Al dit soort problemen gaat de vereniging Hendrick de Keyzer, die in Amsterdam al veel grachtenpanden onder haar hoede heeft, oplossen. “Ik ben diepgelukkig,” zegt Posthumus Meyjes. “Ze pakken het geheel volgens de regelen der kunsten aan.”

Vlak voordat we de twee-armige trap afdalen, valt mijn oog op een ijzeren Phoenix, die hoog de boekenkast is opgevlogen. Dat deze vogel met de krullen op zijn kop hier woont, verbaast me niet. De Phoenix is het symbool van de wederopstanding en hoger leven door studie. “Al deze dieren vinden hun begin in andere dieren / maar één is er, een vogel, die zichzelf verwekt en baart / Phoenix genaamd bij de Assyriërs,” schrijft Ovidius in de 'Metamorphosen'.

Posthumus Meyjes loopt nog even terug naar de wand met boeken en neemt er willekeurig één uit. Op de eerste bladzijde is een bloedrood lakstempel geperst, waarop dezelfde Phoenix staat. In elk van zijn boeken zette Thys tijdens zijn leven dit stempel. Opeens wordt verpletterend duidelijk hoe het lot zijn schaduw vooruit heeft geworpen. Zoals de Phoenix herrees uit de as van zijn vader, zo verrees uit de dood van Johannes Thys zijn bibliotheek.

Het boek slaat dicht, het stempel wordt onzichtbaar in de kast verborgen. Ik loop naar beneden, nu langs de linker trap en stap over de drempel op straat. Het licht van de twintigste eeuw dringt verblindend in de ogen.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden