De permanente angst voor de pest De 'gesel van God' maakte van

De tentoonstelling 'De Zwarte Rand van de Gouden Eeuw' is samen met de expositie 'Dodendansen uit de collectie Reichelt', samengesteld door Marianne Peereboom, tot 3 september te zien in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam, Singel 425. Open op werkdagen van 11.00 tot 16.00 uur.

Het kan nog tragischer. Arndt heeft nooit de Zwarte Dood door Florence zien waren, tijdens de epidemie die in 1348 uiteindelijk een kwart tot een derde van alle Europeanen het leven kostte.

Sierlijke letters op vergeeld papier getuigen deze zomer in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam van die totale ontkenning van het leven.

Een dag voor de opening van de expositie 'De Zwarte Rand van de Gouden Eeuw'

vraagt samensteller Paul Dijstelberge zich af: “Waar zouden we de overleden pestlijders nu allemaal laten?”

Verplaats de pest eens naar juli 1993: “Amsterdam telt zo'n 850 000 inwoners en als ik straks terugkom van vakantie zijn er minstens 70 000 begraven. In een graf zo groot als De Singel hier tegenover. Hele straten gaan, net als in het Marseille van 1721, in quarantaine. Een Singel vol met stinkende lijken van mensen, katten en honden vergiftigt de lucht.”

En als in Decamerone van Giovanni Boccaccio vechten op het Rokin twee varkens om een kledingstuk, om later allebei aan het pestgif te bezwijken.

We kunnen het ons niet meer voorstellen. De epidemie in Marseille in 1721 was al een nakomertje. “De pest was een vergeten ziekte, een onweerswolk achter een verre horizon, waarvan het dreigend gerommel niet meer doordrong in WestEuropa”, schrijft Dijstelberge.

De gruwelijkheid ligt muisstil in de vitrines van de bibliotheek, in literaire, theologische, huishoudkundige en medische geschriften. “Die maken op het oog slechts indruk door hun respectabele ouderdom”, vermoedt Dijstelberge.

De duizenden pagina's over deze armeluisziekte beginnen te leven in een bijzonder leesbare catalogus. Hoe afschuwelijk was deze 'gesel van God': hij maakte van het lichaam een stinkende pap, zo erg dat het vlees spoedig na overlijden van de botten afdroop.

Dat is geen overdreven voorstelling, weet Dijstelberge uit de vele beschrijvingen van de Griek Thucydides (rond 450 v. Chr) tot en met de geschiedschrijvers uit de 16e en 17e eeuw. Je kon eenvoudigweg niet blind zijn voor de destructieve werking van de bacterie Yersinia Pestis, genoemd naar de ontdekker Alexandre Yersin. Dat de pest niet door God gezonden was, weten we in 1994 pas honderd jaar.

Yersinia Pestis kon op twee manieren het lichaam binnendringen, via opgehoest sputum of met behulp van een koerier, de vlo Xenopsylla. Die vlo nam de bacterie mee van ratten. Pestbacterien vormen klonters in de slokdarm van de vlo en een vlo die geen eten meer binnenkrijgt wordt daardoor extra hongerig en dus bijterig. Maar wie zag indertijd in dat beest een dodelijke vijand?

Dat de hoogtijdagen van een pestepidemie altijd in de warme maanden lagen, had toch te denken moeten geven. In 1664 steeg het dodental in Leiden van enkele honderden in de wintermaanden tot duizenden in de zomer. Het droevige eindsaldo was ruim 24 000 doden, meer dan eenvijfde van de Leidse bevolking.

Kwam de bacterie via sputum in het lichaam terecht, dan betekende dat voor vrijwel iedereen binnen enkele dagen een zekere dood door de longpest. De vlo bracht de builenpest rond, die begon met hoge koorts en weefselversterf op de plek van de beet. In liezen, oksels en achter de oren ontstonden builen soms ter grootte van een sinaasappel. De lymfebanen raakten ontstoken, er ontstonden puntvormige bloedingen op de huid, het zenuwstelsel werd aangetast met hallucinaties en driftaanvallen tot gevolg.

Gezichten zagen eruit als door een knuppel bewerkt, schrijft Dijstelberge. Na razernij-aanvallen volgden coma en de dood. En aangezien het gif de celwanden afbrak, trad er geen lijkverstijving op en moest er snel worden begraven.

Tegen de pest als straf voor zonden had de dokter weinig tot niets te bieden.

Lucretius wees er al op dat de pest altijd via bedorven lucht, uit poelen of grotten, het lichaam binnendringt. Misschien kon je dit gif met vuren en geuren op afstand houden. Ondertussen beten de vlooien gewoon door, wat wel werd opgemerkt, maar het kwaad kwam nu eenmaal van giftige dampen uit het binnenste van de aarde.

Het medicijn was Triakel, al van voor onze jaartelling bekend. Men neme een mengsel van gekookt en gedroogd addervlees met kruiden. Beschouw de dokter van toen maar als het hedendaagse kruidenvrouwtje, raadt Dijstelberge aan.

De pest werd als een gif gezien, wat resulteerde in een voor de hand liggende strategieen: laxeren en zweten. En incidenteel aderlaten. Tot de meest curieuze therapieen behoorden verder het consumeren van hondestront en het bij razernijen over het hoofd trekken van een opengesneden kip. Of het meedragen van een pad, die om zijn giftigheid geacht werd de levensgeesten in het lichaam te houden, maar de pest uit liefde voor het kwaad eruit te trekken.

Ondertussen moest er wel voor de zieken worden gezorgd. Een lijder aan de builenpest had in tegenstelling tot iemand met longpest altijd nog een kans van 20 tot 40 procent om het te overleven. Hoe lucratief een ziekte dan kan zijn moge blijken uit het ironische gedicht 'Schrobster' van Huygens:

Het heet de Pest in Duits, het heet de plaag in Schots

Het heet de Zwarigheid waar jong en oud voor beven,

Ick die in het sterven vind de middelen van leven,

En kan 't niet noemen als een milde gave Gods

Schoonmaaksters in huizen voor pestlijders werden grof betaald in die dagen, evenals grafdelvers en pestmeesters, die zieken controleerden en naar pesthuizen brachten. De nieuwe rijken gingen zich te buiten aan allerlei duur voedsel en dure wijnen, schrijft Dijstelberge. “Aasvogels die zich tegoed doen op het slagveld.” Schrobbers en pestartsen werden met de nek aangekeken en niet zelden op de pijnbank gedwongen om te bekennen dat ze de epidemie willens en wetens gaande hadden gehouden door met pestgif te strooien.

Voor dit kwaad kon men maar beter op de loop gaan. Maar dat mag niet, verkondigde de Amsterdamse kruidenhandelaar Joan Six van Chandelier. Vreemd genoeg viel van hem op dat hij ten tijde van een epidemie altijd een zakenreisje had of voor zijn gezondheid elders aan het kuren was. Zijn smoes: als God het wil, kun je de dood toch niet ontlopen. Een onherkenbare dood soms, waarvoor je voortdurend op je hoede moest zijn. De pest werd immers door mensenhand verspreid, door demonen die gekleed gingen als monnik of jonge vrouw. Zeg eens nee tegen zo'n schoon 'pestwijf', waarover Revius schreef: “Gij hebt bij mij overnacht, maar niemand omgebracht.”

Die permanente angst gaat ons voorstellingsvermogen te boven. Hoe we nu ook huiveren voor aids, zo'n wereld als die van de pest ligt voorbij ons bevattingsvermogen. Met dank aan Alexandre Yersin zijn de dagen van de voortekenen vergeten, waarin een zwart schip dat aan de kade afmeerde de dood van een belangrijk man aankondigde. Tegen zulke angst en verderf bestond slechts een remedie, die van de arts IJsbrand van Diemerbroeck. Voor hij zijn patienten bezocht, sterkte hij zijn humeur steevast aan met een paar glazen wijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden