De perfecte eeuw volgens Frank Ankersmit

Moet ons getob over klimaat, slecht onderwijs en verruwende zeden werkelijk tot de conclusie leiden dat vroeger alles beter was? In de tweede aflevering van deze zomerreeks herkent de historicus Frank Ankersmit in deze uitspraak de melancholie van een Couperus-personage, dat alleen achteraf kan zeggen „dat hij toen en toen, onder die en die omstandigheden wel heel gelukkig geweest moet zijn.”

Na de middelbare school koos ik voor de wis- en natuurkunde. Dat bleek geen goed idee. Na drie jaar zwaaide ik om naar de geschiedenis. Familie en kennissen vonden dat nogal een overgang. Ik antwoordde dan steevast dat je omzwaaien het beste radicaal kon doen en vooral niet moest blijven hangen in de buurt van het vak waarmee je net gestopt was.

En ja, zo is het wel: niets ligt verder van wis- en natuurkunde af dan geschiedenis. Ik beschouw het ene als het meest extreme bêtavak, het andere als het meest extreme alfavak. Zelf was ik ook nogal beduusd van de overstap en heb die als een echte cultuurschok ervaren. Mijn carrière sindsdien was vooral een poging om met de ’oerervaring’ van die cultuurschok in het reine te komen. De verschillen tussen de bêta- en de alfavakken zijn mij tot op de huidige dag blijven fascineren. En als ik een ding zeker weet, dan is het wel dat er echt geen interessante gemeenschappelijkheden bestaan tussen die vakken.

Het omzwaaiverhaal dat ik bij familie en kennissen ophing, was eigenlijk onzin. Want in feite wist ik allang dat mijn hart bij de geschiedenis lag. Ongeveer vanaf mijn tiende jaar ontwikkelde ik een hartstochtelijke liefde voor achttiende-eeuwse muziek, voor Bach, Mozart e tutti quanti. En die vertaalde zich weer in een even hartstochtelijke liefde voor die tijd zelf. Zo hadden we thuis een plaat met Bachs’ Brandenburgse Concerten nr. 4-6. Op de hoes stond een gravure van een elegant gezelschap dat aan het musiceren was in een schitterend Louis XV interieur van rond 1760.

Ik was helemaal weg van die gravure en kon er niet genoeg naar kijken. Die kleding, de meubels, de zaal, de atmosfeer, de aristocratische beschaving die dat alles uitstraalde! De perfectie van de muziek leek zijn evenbeeld te hebben gekregen in de perfectie van dat achttiende eeuwse musicerende gezelschap. Het overtuigde mij ervan dat de westerse geschiedenis in de achttiende eeuw een hoogtepunt van beschaving en schoonheid bereikte, waar we met de fabrieken en stoommachines van de negentiende eeuw en met de wereldoorlogen en de Holocaust van de twintigste eeuw alleen maar verder vanaf zijn geraakt.

En nu, een halve eeuw later, zie ik dat eigenlijk nog steeds zo. Ik voel daarom best veel voor het idee ’dat vroeger alles beter was’ - maar dan wel op voorwaarde dat vroeger de achttiende eeuw is. Ik had graag geleefd van, zeg, 1715 tot 1790.

De koude douche voor dit soort wensen is natuurlijk dat het verleden in de praktijk minder leuk was dan die oude gravures suggereren. Zeker als je niet tot de adel of de rijke burgerij behoorde. Verder bestonden er nog een hoop vervelende vooroordelen over religie, opvoeding, onderwijs, seksualiteit en klasseverschillen. Het leven was uitermate oncomfortabel, zo zonder trein, auto, vliegtuig, cd-spelers, radio, tv en douches. Wat dat laatste betreft: alles en iedereen stonk verschrikkelijk. Bovendien, als je in handen van een dokter viel, dan was je nog niet jarig – zo je daarna überhaupt nog een keer jarig werd.

Nu kan een tegenwerping zijn dat de mensen in het verleden het comfort en de gemakken van onze tijd niet kenden en daarom ook niet konden weten wat ze misten. Dat is natuurlijk waar. Maar met de stand van de medische wetenschap van rond 1750 was ik nu al drie keer dood geweest. Dan leef ik toch maar liever in deze tijd.

Vroeger was dus alles niet beter. Er is bovendien iets geks aan de hand met die uitspraak. Niet iedereen kan zeggen dat ’vroeger alles beter was’ zonder zijn geloofwaardigheid te verliezen. Stel dat uw twintigjarige zoon het zeggen zou. U zou hem niet serieus nemen. Het zou even idioot zijn als een zeventigjarige die vertelt dat het concertbezoek van de vorige avond ’vet’, ’gaaf’ of ’cool’ was. Je kunt niet ongestraft alles op alle leeftijden zeggen. Verzuchtingen als ’vroeger was alles beter’, of ’die jeugd van tegenwoordig!’, of Cato’s ’o tempora, o mores’ (oh tijden, oh zeden) klinken alleen geloofwaardig uit de mond van een ouder persoon, van iemand die het heden kan vergelijken met een andere tijd die hij zelf nog meemaakte .

Nu is het cruciale verschil tussen een oude heer van zeventig en een jongeman van twintig uiteraard dat de oudere vijftig jaren meer heeft meegemaakt dan de jongere. En als de eerste met goed fatsoen iets wél kan zeggen wat de tweede niet kan zonder zich belachelijk te maken, dan moet dat daarmee te maken hebben. Voor wat betreft de laatste twintig jaar en de tijd van meer dan zeventig jaar geleden zitten de oude en de jongeman in hetzelfde schuitje. Die hebben ze beiden òf niet (langer dan zeventig jaar geleden), òf beiden wel meegemaakt (de laatste twintig jaar). Als dus de zeventigjarige wel kan zeggen ’vroeger was alles beter’ dan gaat het uitsluitend over die periode tussen zeventig en twintig jaar terug.

We kunnen dus concluderen dat dit ’vroeger’ maar een heel klein deel van het verleden omvat. Het slaat dus beslist niet terug op een verleden dat honderd, tweehonderd jaar achter ons ligt, en al helemaal niet op mijn geliefde achttiende eeuw. Het is een ’vroeger’ dat braaf met de geschiedenis mee sukkelt en zich in iedere generatie opnieuw hecht aan de zestig en zeventigjarigen. Het is een ’vroeger’ dat nooit dichterbij komt of verder van ons afraakt; het is een verleden dat met ons mee beweegt als onze schaduw in de tijd, en dat altijd te situeren valt in de tijd dat de grijsaards van nu in de schoolbanken zaten. Vandaar ook dat die verzuchting dat vroeger alles beter was van alle tijden is, en dat we die zullen horen zolang er grijsaards zijn. Zoals Immanuel Kant al zei: ’Daß die Welt im argen liegt, ist eine Klage die so alt ist wie die Geschichte’ (Dat het met de wereld treurig is gesteld, is een klacht die zo oud is als de geschiedenis) .

Maar welke waarde kunnen we hechten aan die uitspraak dat vroeger alles beter zou zijn? Betreft het hier alleen maar het eeuwige gemopper van oude heren en dames, of snijdt het toch ergens hout?

Om te beginnen, dat ’alles’ is natuurlijk een beetje veel. Zelfs de meest nurkse grijsaard zal dat niet willen volhouden. Het mag zo zijn dat nu de vreselijkste dingen gebeuren, maar we zitten hier niet midden in een wereldoorlog en er is ook geen Holocaust op dit moment. Anderzijds was het in een aantal andere opzichten vroeger onmiskenbaar beter. ’Vroeger’ had je nog echte winters met Elfstedentochten, vroeger was het bij de overheid minder een puinhoop dan nu, vroeger was het veiliger op straat, was de jeugd beter opgevoed en het onderwijs van hoger niveau. Dat kunnen we nu allemaal voor waar aannemen op gezag van respectievelijk klimatologen, politicologen, misdaadstatistieken, mensen in het onderwijs en uit de Commissie Dijsselbloem. Wat dat betreft zullen we vaak, of we het willen of niet, moeten instemmen met die knorrige en mopperige grijsaards.

Maar er zit nog een andere, interessantere kant aan dit alles. Die oude mopperaars willen meer dan alleen maar zeuren over het klimaat en onveiligheid, vooral willen ze hiermee beklemtonen dat het met ons de verkeerde kant uitgaat. ’Vroeger’ was er ook wel het een en ander mis – maar dat was op een of andere manier minder zorgelijk. Nu loopt het echt allemaal de spuigaten uit en niemand doet er iets aan. De wereld is uit balans geraakt, terwijl het vroeger nog zo’n beetje was als God het bedoeld moet hebben.

Kortom, de uitspraak ’vroeger was alles beter’ heeft een hoog Geert Mak gehalte (waarmee ik overigens niets lelijks over Geert Mak wil zeggen, integendeel). Hier klinkt de herinnering door aan het oude Jorwerd, waar de bakker het brood nog aan huis bezorgde, waar men ’s zondags braaf naar de kerk ging, waar iedereen elkaar kende en waar alles nog ordelijk en overzichtelijk was.

Ordelijkheid en overzichtelijkheid – juist deze twee zaken verlangen we ook van de tekst van de historicus. Het verleden is in eerste instantie een totale chaos, met even weinig orde en systeem als het heden. Dan komt de historicus en die zet de dingen keurig netjes op een rij. Hij maakt van die rommelzolder van het verleden een keurig opgeruimde kamer, waar alles staat waar het staan moet. Dat kun je met het heden inderdaad niet doen; daar is alles nog in ontwikkeling; daar is weliswaar niet alles, maar toch heel veel nog onordelijk en onoverzichtelijk.

Dat is de beslissende asymmetrie tussen heden en verleden waarvan ouderen zich vagelijk bewust zijn. Zij hebben de leeftijd bereikt waarop je de wereld van je jeugd onmogelijk meer tot het heden kunt rekenen. Die is ergens, zonder dat je precies weet waar, een onderdeel van het verleden geworden. Het leven van de grijsaard is aan weerszijden van de breuklijn tussen heden en verleden komen te hangen. En dat leidt er weer toe dat die asymmetrie (tussen de ordelijkheid en overzichtelijkheid van het verleden enerzijds en de weerbarstige chaos van het heden anderzijds) in het leven van die grijsaards wordt geïmporteerd. De wereld van hun jeugd is keurig ingekaderd, eenvoudigweg omdat die nu definitief tot het verleden behoort. Voor jonge mensen is er daarentegen alleen nog maar het ongestructureerde heden.

Nu houden mensen doorgaans van ordelijkheid en overzichtelijkheid en zij hebben een hekel aan chaos en onvoorspelbaarheid. Daarom idealiseren zij het verleden en vertellen ze hun kinderen en kleinkinderen alsmaar dat vroeger alles beter was. Niet omdat dat werkelijk zo was, maar alleen omdat het afgerond en overzichtelijk geworden is. En dat geeft nu een prettig gevoel.

Het Jorwerd waaruit God nog niet verdwenen was past precies bij de ordelijkheid en overzichtelijkheid die historici in het verleden aanbrengen. Het herinnert een beetje aan de notie van het pittoreske en het schilderachtige. We noemen iets schilderachtig wanneer het er werkelijk om smeekt met verf en penseel vereeuwigd te worden: het ziet er sowieso al als een plaatje uit.

Zo brengt het Geert Mak-gevoel ons ertoe om het (nabije) verleden te idealiseren. En of dat verleden nu op zichzelf zo aangenaam was en of we toen echt gelukkig waren, doet er niet zoveel toe. Zo is het ook met heimwee of nostalgie naar de jeugd. Het rare is dat mensen soms hartstochtelijk terugverlangen naar hun jeugd, terwijl ze heel goed weten dat dat helemaal niet zo’n leuke tijd was. Zo heb ik een tante gehad die met grote nostalgie terugdacht aan haar jaren in het Jappenkamp. Zij realiseerde zich waarschijnlijk niet dat dit terugverlangen in feite draaide om de orde en overzichtelijkheid die die jaren inmiddels hadden gekregen. Op deze manier kunnen mensen er vast van overtuigd zijn dat het vroeger beter was, terwijl zij tegelijkertijd weten dat het misschien wel de zorgelijkste jaren uit hun leven waren.

Het kan nog vreemder. Neem Hugo Aylva, de hoofdpersoon uit Louis Couperus’ roman ’Metamorfoze’ uit 1897, die in feite een verkapte autobiografie is. De steeds weer terugkerende zin in dat boek luidt: „dat wat hij had gehad en nooit genoeg had gewaardeerd”. Aylva – en dat is dus Couperus zelf – lijdt aan de eigenaardige kwaal om nooit van het leven te kunnen genieten, en om nooit echt gelukkig te kunnen zijn. Het enige waar hij toe in staat is, is om achteraf te zeggen, dat hij toen en toen, onder die en die omstandigheden wel heel gelukkig geweest moet zijn. Maar op het moment zelf ervoer die hoofdpersoon dat niet zo. Toen wist hij niet dat hij gelukkig was.

Mensen zoals Hugo Aylva – en Couperus – verhouden zich tot zichzelf zoals de historicus zich verhoudt tot de mensen uit het verleden wier lotgevallen hij beschrijft. De historicus kan ook over de persoon wiens leven hij beschrijft beweren dat deze in een bepaalde periode het geluk gekend moet hebben. Maar die constatering maakt de historicus zelf niet gelukkig. De historicus staat erbij en kijkt ernaar. Mensen als Couperus zijn daarom zeer beklagenswaardig: zij kunnen het geluk alleen maar herkennen als het alweer voorbij is. En als het er is, zien ze het niet. Voor zulke mensen is het idee dat vroeger alles beter was werkelijk een onontkoombare waarheid. Jammer alleen dat zij daar nu pas achterkomen!

Ik denk dat wij allemaal een beetje zijn geworden als Couperus. Het geldt in ieder geval voor mijzelf. Wij zijn allemaal zo druk bezig met onze toekomstplannen, met wat we nog willen verwerkelijken, we zijn allemaal zozeer opgenomen in die sterke stuwing tussen verleden, heden en toekomst, dat we niet meer van het heden kunnen genieten en niet meer kunnen constateren dat we op dit moment gelukkig (kunnen) zijn.

Pas later, onder heel andere omstandigheden, schiet ons ineens te binnen dat we op een bepaald moment gelukkig geweest moeten zijn. Maar op dat moment waren we druk in de weer met het verleden en, vooral, met onze toekomst – en we zagen het niet. .

Wij zijn faustische mensen; net als de geleerde dokter Faust zijn wij altijd bezig om één of ander toekomstideaal te verwezenlijken. Vandaar dat bij Goethe de oude Faust in zijn contract met Mefistofeles vastlegt dat deze zijn ziel mag hebben zodra Faust oprecht een smeekbede aan het nu, het ’Augenblick’ (ogenblik) richt: ’Verweile doch, du bist so schön!’ (blijf nog, je bent zo wondermooi!). Op het moment dat Faust zijn contract ondertekent, denkt hij dat zo’n moment zich toch nooit voor zal doen. Hij zal altijd druk in de weer zijn op dat traject tussen verleden, heden en toekomst. Daarom zal de duivel nooit zijn ziel krijgen. Maar het pakt anders uit, en dan lijkt het er even op dat Faust zijn weddenschap verliest. Toch loopt het goed met hem af, omdat God zo vriendelijk is in te grijpen als Faust plotseling aardigheid aan het moment krijgt.

Het is de vraag of God zo oplettend zal zijn om dat ook bij ons allen te doen. De ervaringen van velen met God zijn niet hoopgevend: God blijkt vaak andere besognes te hebben, net wanneer wij Hem het meest nodig hebben.

Laten wij daarom Goethe’s ’Verweile doch, du bist so schön!’ cultiveren – en het geluk niet gaan zoeken in een ongewis verleden of in een nog veel duisterder toekomst. Het geluk is hier, voor het grijpen, of het is er niet. En een herinnerd of verwacht geluk is geen geluk. Wie vertrouwt op het ’vroeger was alles beter’ zit daarom op het verkeerde spoor. Maar het is een spoor dat moeilijk te vermijden valt – zo is het wel.

Prof. Dr. Frank Ankersmit is hoogleraar intellectuele en theoretische geschiedenis aan de Universiteit Groningen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden