De pen in gal en modder

Mulisch op zijn laatste Boekenbal (2010). De ideeën over hem (van 'vullis' tot 'groot schrijver') blijven nogal eens steken in het meninkje. (FOTO ANP )

Bloed vloeit er meestal niet, tussen Nederlandse schrijvers. Maar ook de pen kan dodelijk zijn, blijkt uit ’Het scherp van de snede’: een dwarsdoorsnee biedt van de polemieken die Nederlandse schrijvers voerden.

In 1890 bespreekt Lodewijk van Deyssel de roman ’Porcelein’ van ene Willem G.F.A. van Sorgen. Zijn recensie heeft de vorm van een open brief aan de auteur, die eerst met boter en suiker, en vervolgens met een scheutje azijn en een snufje peper wordt ingemaakt. „Van Sorgen!... je bent, ja, je bent een auteur,... een schrijver, een romancier,... ondeugd! Je bent een psycholoog, ja, zeker, een karakterteekenaar, je bent een zielenontsluyeraar, een bladzij-van-het-boek-des-levens-openslaander.” Met die striemende loftuitingen zijn we er nog niet. Van Deyssel gaat verder: „Je bent onovertrefbaar, beste keerel, zoo knus, zoo poetig, zoo honneponnig, je bent ’n snoes, ’n Pier, ’n pa-pa-papzak, ’n salamander om meê uit vi-visschen te gaan, ’n knollige alikruik, ’n alias-zat-in-de-kast-en-z’n moeder-dacht-dat-‘t-bróod-was, ’n kiek-kiek-knipperdolletje.” En zo verder, vier bladzijden lang.

Van Deyssel heeft naam gemaakt met scheldkritieken, maar hier laat hij zien dat doodknuffelen een veel effectiever vorm van bestrijding kan zijn. Effectief is ook het negeren van de inhoud van het besproken boek. Waarover ’Porcelein’ gaat, komen we niet te weten; al wat Van Deyssel ons over de rug van de auteur duidelijk maken wil is dat we het vooral niet moeten lezen.

De tirade tegen Van Sorgen is opgenomen in ’Het scherp van de snede’, een lijvige bloemlezing uit de duizenden polemische geschriften die de Nederlandse literatuur over een lengte van zeven eeuwen rijk is. Het giftige zoet, zoals Van Deyssel dat serveert, is hier in de minderheid; het overgrote deel van de hier verzamelde en in meerderheid mannelijke polemisten (zijn vrouwelijke auteurs echt zoveel vredelievender of werden ze weer eens veronachtzaamd?) doopt de pen in gal, zwavelzuur, vitriool of modderwater.

Bloed vloeit er niet (als we even afzien van de bijt- en krabscène tussen Martinus Nijhoff en E. du Perron op het terras van het Amsterdamse etablissement Americain, anno 1930), maar slachtoffers vallen er wel degelijk. Zo staakte een diep gekwetste C. Buddingh’ de publicatie van zijn dagboeken nadat W.F. Hermans er eentje aan repen had gescheurd. En Gerrit Komrij wist collega-columniste Emmy van Overeem, door hem ’de trol van Lourdes’ genoemd, NRC Handelsblad uit te pesten.

Hoewel de polemiek op haar best is wanneer ze, bijvoorbeeld door Van Deyssel en Komrij, wordt beoefend volgens de regels van de literaire kunst, is ze zeker geen exclusief-literair genre. Thorbecke, Abraham Kuyper, Frits Bolkestein en zelfs Pim Fortuyn wisten zich in de pennestrijd met tegenstanders en zwarte schapen goed te weren. Alleen daarom al is het jammer dat de redactie van ’Het scherp van de snede’ voorbijging aan retorisch begaafde politici, met de achttiende-eeuwer Joan van der Capellen en de tijdgenoot Jacques de Kadt als uitzonderingen. Weliswaar gaat het in deze bundel dikwijls over politiek, maar dan bij monde van literatoren als Herman Gorter, H.A. Gomperts en Karel van het Reve. Er is een stuk ter verdediging van de zopas vermoorde Fortuyn, geschreven door Paul Frentrop. En ja, er zijn ook bijdragen van wetenschappers als de socioloog Joop Goudsblom en de jurist Ulli Jessurun d’Oliveira, maar tien tegen één dat die zijn toegelaten omdat ze ooit aan de wieg van een literair tijdschrift (Tirade dan wel Merlyn) hebben gestaan. Dat geldt trouwens ook voor een van de twee samenstellers, Pierre Vinken; de andere, Hans van den Bergh, heeft een zekere reputatie als letterkundige en toneelcriticus.

De concentratie op de literaire polemiek, dan wel op polemisten die horen tot de Republiek der Letteren, betekent niet dat ’Het scherp van de snede’ een representatief beeld geeft van de Nederlandse literatuur in zoverre die in haar ontwikkeling door conflicten en schermutselingen werd bepaald. De echt programmatische en apologetische stukken van de kopstukken Kloos, Van Deyssel, Ter Braak, Du Perron en Lucebert ontbreken. Belangrijke hoofdrolspelers als Bilderdijk, Da Costa (een oerconservatieve, maar geduchte polemist!) Marsman en Rodenko zijn niet vertegenwoordigd. Aan de Prisma-polemiek, in de jaren dertig de grote literaire waterscheiding, wordt stilzwijgend voorbijgegaan, net als aan het door de Maximalen aangezwengelde poëziedebat van de late jaren tachtig. De toch zo strijdbare Maarten ’t Hart, die het opnam tegen feministen, neerlandici en bijbelvaste gelovigen, mag alleen bij wijze van Kop van Jut meedoen. Iets van het feministische debat zelf is wel meegenomen, met Renate Rubinstein en Joke Kool-Smit als sparring partners.

Niet alleen is de keuze weinig representatief, ze is ook hoogst partijdig. Vinken en Van den Bergh hebben ruim geput uit de kolommen van het Amsterdamse studentenblad Propria Cures, al meer dan honderd jaar een ongeëvenaarde kweekvijver van schrijftalent, stilistische brille en niet zelden ook het nodige gebral. Ook zij zijn daar begonnen en dus gaan ze er nu onbekommerd van uit dat PC de gulden standaard van het polemisch bedrijf vertegenwoordigt.

’Het scherp van de snede’ opent met een gedicht van de veertiende-eeuwse rijmelaar Jan van Boendale, die de Vrouw en haar veronderstelde eigenschappen (ijdelheid, leugenachtigheid en babbelzucht) op de korrel neemt. Een polemiek zou ik het bij gebrek aan een herkenbare tegenstander niet willen noemen. Dan is de keuze voor Anna Bijns (1493-1576) en Vondel (1587-1697) veel legitiemer, want die namen het op tegen Luther en prins Maurits.

De voorbeelden Bijns en Vondel laten ook zien wat de kracht en de zwakte van de polemiek is. Luther en Maurits zijn historische figuren van belang, en dus is het interessant om te vernemen hoe sommige van hun tijdgenoten over hen dachten. Maar de brave dichter Johan Huyts, die vermanend wordt toegesproken door poëziecriticus Martinus Nijhoff, laat me koud, net als E. du Perrons zondebok Zentgraaff of het pikgerichte gezelschap Vlaamse schrijvers dat door Kristien Hemmerechts wordt afgeserveerd. Hun enige belang is dat ze brandstof leverden voor een fel oplaaiend maar snel uitdovend strovuur. Het heeft ze niet geholpen om te overleven.

Maar hoe zit het dan met de oprechte amateur Van Sorgen die getuige het begin van deze bespreking zo bekwaam achter het behang werd geplakt? Dat is toch ook niet meer dan een monster zonder waarde? Jawel, maar Van Sorgen en zijn waardeloze roman waren nog altijd goed genoeg om door Van Deyssel te worden verknipt en versnipperd tot de feestelijke franje en de dwarrelende confetti van zijn stijl. Negen van de tien polemisten komen daar niet aan toe, en als hun slachtoffers dan ook nog eens afgebladderde schimmen zijn geworden, kost het enige moeite om al die tirades van begin tot einde te genieten.

Hoe levendig en flitsend polemieken ook kunnen zijn, het genre valt vooral op vanwege zijn vluchtigheid en zijn marginaliteit. Er schuilt dan ook een zekere logica in de oververtegenwoordiging van de columnisten (Renate Rubinstein, Hugo Brandt Corstius, Joost Zwagerman, Theodor Holman, Theo van Gogh, Youp van ’t Hek) in de laatste vierhonderd bladzijden van ’Het scherp van de snede’. Juist die columnisten blijken behept met meninkjes en standpuntjes die ter wille van het amusement extra scherp worden aangezet, maar die met principes niet zoveel te maken hebben. Ik vind het typerend dat dezelfde Pieter Steinz die in zijn hedendaagse hoedanigheid van literair journalist woorden tekort komt om de lof van de dode Mulisch te zingen, ooit braaf in de pas liep bij Gerard Reve (‘Mulles blijft vulles’) en de orakelende schrijver wegzette als een charlatan, teneinde de inner circle van Propria Cures te bevestigen in het ’het leed dat Mulisch heet’. Zoals de wind waait, zo waait Steinz z’n jasje. Maar laat ik oppassen dat ik op mijn beurt niet ga polemiseren tegen een bloemlezing waarin ook ik zelf, zeg ik maar eerlijk, bij herhaling te grazen word genomen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden