De paranoot bepaalt het lot van de Quilombos

In het stroomgebied van de Rio Trombetas, een zijrivier van de Amazone in de Braziliaanse deelstaat Para proberen de Quilombos, nazaten van gevluchte negerslaven, hun gemeenschappen in stand te houden. Tegen de oprukkende mijnbouw in het mineraalrijke gebied, tegen de natuurbeschermers die het Amazoneregenwoud - de longen van de wereld - willen vrijwaren van jacht, visserij en eten verzamelende bewoners. Opschuiven in de keten van de paranotenproduktie, een van de voornaamste bezigheden van de Quilombos, lijkt de beste uitweg. Maar dan krijgen ze te maken met landbouweconomen, marketingadviseurs en andere epigonen van de vrije wereldmarkt. Deze buitenstaanders wantrouwen zij als slavendrijvers van hun voorvaderen. Dit verhaal is gebaseerd op een reis gemaakt op uitnodiging van Icco, de interkerkelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking uit Zeist en werd mede georganiseerd door haar Braziliaanse partner in de regio, de Comissao Pro-Indio de Sao Paolo.

HAN KOCH

Barulho kent de plekken waar hij de noten kan vinden. Alleen via zijn aanwijzingen vindt de voadeira, de snelle boot met buitenboordmotor, de weg door het onder water staande bos. Hij kent de deuren in de ogenschijnlijk ondoordringbare groene wand die het regenwoud vormt. Als de boot aanlegt, springt hij behendig op de zompige bodem en ijlt weg tussen wurgbomen, lianen en ficusachtigen. Een kwartier heeft hij nodig om in de dampende hitte de castanhal, de verzameling kastanjebomen, te vinden. De gaard is leeg. Een enkele noot, ter grootte van een kokosnoot, ligt nog op de grond. De overige zijn geraapt en doorverkocht aan de handelaren die in het drie maanden durende seizoen, dat begin juli net is afgelopen, de rivier opvaren om namens de exporteurs de noten op te kopen.

Vier manden van elk zestig kilo kan Barulho per dag uit het bos dragen. Niet zonder gevaar is zijn karwei. Een vallende noot uit de 30 meter hoge boom is even dodelijk als een geweerkogel.

Barulho en zijn collega-castanheiros varend in hun ranke kano's, vormen de eerste schakel in de keten tussen regenwoud en consument. Voor een kist van 42 liter noten vangt Barulho vijf Reais, oftewel 20 cent per liter. Maar daarvoor moet hij wel eerst de noten kloven, want de handelaar verlangt dat hij alleen de vier tot vijf nootjes uit de grote noot levert. Ruim twee dagen varen verderop, op de markt in de havenstad Belem, levert een liter noten al aanzienlijk meer op, bijna 90 cent.

Hier in het stroomgebied van de Amazone wordt niet geteld in kilo's maar in liters. Het ijkwezen heeft zijn intreden nog niet gedaan en in het handelsverkeer geeft een blik van één liter daardoor meer zekerheid dan een aftands weegschaaltje. Niet dat er tussen castanheiro en handelaar geen verschillen van mening kunnen rijzen. De castanheiros verdenken de handelaren ervan met steeds grotere kisten langs te komen. Kisten die al lang groter zijn dan de oorspronkelijke 42 liter. Barulho heeft geen idee wat elders op de wereld zijn product oplevert. Dat voor 250 gram gepelde paranoten in de Nederlandse reformzaak of notenbar (Nederland voert jaarlijks voor zo'n tien miljoen gulden aan paranoten in - voor veertig procent uit Brazilië) 3,95 gulden moet worden neergeteld, zegt hem weinig. Nog wel. . .

Barulho's lied vormt het begin van een vergadering van zijn gemeenschap over de toekomst. Een voor een stellen de Quilombos, de nazaten van gevluchte negerslaven, zich voor. “Ik ben Joao, vader van zeventien kinderen waarvan zes overleden.” of “Ik ben Xingu, getrouwd en vader van tien kinderen waarvan vier overleden.” De vlucht voor de slavernij, die op 13 mei 1888 in het toenmalige keizerrijk Brazilië door kroonprinses Isabella officieel werd afgeschaft, heeft de Quilombos gedreven naar de moeilijkste plekken van het land. Ver weg van scholen, ziekenhuizen of andere sociale voorzieningen. Vijfhonderd gemeenschappen zitten er volgens Lucia Andrade, een antropologe verbonden aan de Comissao pró-óndio de Sao Paulo, her en der verspreid in Brazilië. Hoe groot de groep Quilombos in Brazilië is, valt moeilijk te schatten. In de regio Trombetas zou het om 21 groepen gaan, samen goed voor naar schatting 7000 mensen. Maar de groepen, variërend in grootte van 12 tot 100 families, wijzigen continu van samenstelling. En dat niet alleen om inteelt te voorkomen, maar ook om de kennis van het regenwoud, zoals de vindplaatsen van de paranoten, voor de gemeenschap te behouden.

De Quilombos-gemeenschappen langs de oevers van de Trombetas leven van het regenwoud. De rivier zit vol vis, van de grote pirarucu tot de kleinere piranha of de curimata. Het regenwoud levert vlees van apen en diverse soorten capibara's (knaagdieren) en vruchten in overvloed: sinaasappels, bananen, bessen, noten, en op de kleine akkers wordt maniokwortel en zoete aardappel geteeld. Niets aan de hand dus, goed voor idyllische plaatjes. Tenminste zo lijkt het. Maar met de komst van de naburige bauxietmijn Mineracao Rio do Norte in het midden van de jaren zeventig, kwamen de gemeenschappen steeds meer onder druk te staan. De mijn kapte het bos. De mijn loosde afvalwater in het nu dode Batata-meer en vooral: de mijn trok een aanzienlijk gat tussen wens en werkelijkheid.

Voor de medewerkers van de mijn, wonend in 1030 woningen, staat een keurig hospitaal klaar en voor hun 1000 kinderen een even fraaie school. Alleen zijn beide voorzieningen slechts mondjesmaat toegankelijk voor de Quilombos. Ruiken aan de welvaart mag en de lucht is zelfs niet te vermijden, maar aankomen is ondenkbaar.

De mijn zou vooruitgang in de regio brengen. Werkgelegenheid voor de Quilombos en een afzetmogelijkheid voor hun maniokmeel of andere producten uit het bos. Er zou scholing komen voor hun kinderen en betere medische hulp. Maar dat valt vies tegen. De bauxietmijn is aan het automatiseren en bij de uitstoot van arbeid vallen de eerste slachtoffers onder de directe buren uit het woud. Zij kunnen zich met hun gebrekkige scholing hooguit kwalificeren als schoonmaker en daar heeft de mijn maar in beperkte mate behoefte aan. Voor de kinderen van de Quilombos ziet het er al niet beter uit. De school in de eigen gemeenschap, die ze de eerste vier jaar onderdak moet bieden, wordt gerund door leraren die zelf amper vier jaar lagere school hebben doorlopen. Daardoor is de kans gering dat de kinderen van de Quilombos doorstromen naar de school van de mijn, zo er al plaats is.

En om de rampspoed maar compleet te maken: De mijn bracht niet alleen vervuiling, maar ook de Ibama naar de regio. Ibama staat voor Instituto Brasilieiro do Meio Ambiente, oftewel de rentmeester in dienst van de overheid. En de rentmeester heeft tot taak het woud te beschermen. De slang en de schildpad moesten van het menu van de Quilombos af en grote delen van de wouden kregen de status van Nationaal Park of Biologisch Reservaat. En door die status zijn menselijke activiteiten zoals het rapen van paranoten en vissen voor de Quilombos inmiddels verboden. Het economisch opengooien van het Amazonegebied heeft geen welvaart gebracht, wel frustraties over het zichtbare luxe leven van de medewerkers van de mijn. En de bescherming van de longen van de wereld, beknot de Quilombos in hun dagelijks vergaren van voedsel en inkomen.

De families uit de gemeenschap van Barulho, maar ook die van de andere gemeenschappen langs de rivier, vinden dat het zo niet langer kan. Maar wat dan? Een groot deel van hun hoop is gevestigd op antropologe Lucia Andrade. Met haar hulp is een voorzichtig plan opgesteld om de producten uit het bos te commercialiseren, lees een betere prijs te krijgen voor de paranoot. Maar dan zal ook geregeld moeten worden dat de gronden waarop de gemeenschappen gehuisvest zijn hun eigendom worden. Zonder eigendomsrecht geen recht om de vruchten te vergaren en zonder vruchten geen commercialisering. Het instituut van Andrade dat ook de belangen van veel indianen in het Amazonegebied behartigt, kan het project niet financieren. Voor het geld wordt gekeken naar de overzijde van de Atlantische oceaan, naar Nederland en de EU. Maar dan zal Gerard Zwetsloot, projectleider van Icco, de interkerkelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking uit Zeist, toch eerst een positief advies moeten geven over het project. En Icco, dat in Latijns-Amerika 50 miljoen gulden heeft uitstaan, wenst niet direct een zak met geld op tafel te zetten. Dat geld afkomstig van Ontwikkelingssamenwerking (voor 75 procent), de rest van Dgis (de ontwikkelingspoot van het ministerie van buitenlandse zaken) en de Europese Unie moet wel verantwoord kunnen worden.

Tijdens de vergadering in het dorpje van Barulho wordt duidelijk dat commercialisatie van de producten uit het woud de voorkeur geniet boven het aanleggen van grotere akkers voor maniok of zoete aardappel. Na vier uur vergaderen zoekt iedereen die niet met de kano een nachtelijke tocht naar huis over de rivier wenst te maken een slaapplaats op. Slapen in de school kan niet, die is te open. Daar kunnen de vleermuizen stevig in de neus bijten. Wie geen trek heeft in een hangmat, verkiest de vloer van de kerk. De rest vertrekt richting hangmat in een van de twee barcos, de grote boten die ruiken naar dieselolie.

De nacht valt over de rivier. Stil zal het niet worden. Er wordt nagepraat over de vergadering. Dan wordt er een uurtje gegiecheld over die domme Hollandse journalist die rond middernacht een salto achterover uit een kano maakt en druipend de barco inkruipt om daar vervolgens ook nog eens achterover te vallen uit de hangmat. Het gegiechel wordt plots overschreeuwd door een vrouw die zich afvraagt waar haar dochter is. “Ze is meegenomen door een getrouwde man, ergens naar een plek op de oevers van de rivier en de moeder is ongerust”, luidt de uitleg. Carlos, de leider van de Quilombos-gemeenschappen en tevens de eerste in hun geschiedenis die kandidaat is voor de gemeenteraadsverkiezingen, wordt geacht het probleem op te lossen. Twee uur later, het is inmiddels half vier 's nachts komt hij terug met de dochter. Nee, er is niets gebeurd, beweert zij. De gemeenschap weet beter, de moeder is echter gerustgesteld.

Carlos heeft meer van dat soort nachtelijke klussen op te knappen en het is dan ook niet verwonderlijk dat hij tijdens een vergadering met de directie van de mijn in slaap valt. Via de overhead-projector wordt nog eens uitgelegd dat de mijn zich verantwoordelijk voelt voor de omgeving, inclusief de buren. De op schrift gestelde uitgangspunten van sociaal beleid zullen de aandeelhouders ongetwijfeld aanspreken, de afvaardiging van Quilombos wil liever horen of hun producten een kans krijgen in de keukens van het personeel van de mijn. Dat de mijn op de punt van de haven een marktje heeft ingericht is mooi. Maar als de bananen daar liggen weg te rotten omdat de kopers wegblijven, komt er van het beleid, hoe mooi ook op schrift gesteld, weinig terecht. Waarom haalt de mijn toch het voedsel helemaal uit het veel verder op gelegen Santarem? De directie geeft toe dat onvoldoende onderzocht is of de buren niet als leverancier kunnen fungeren. Maar dan moet er wel overleg komen over de hoeveelheid en de kwaliteit die de mijn kan en wenst af te nemen. De toezegging lijkt een succesje.

Is het de geboorte van een micro-economie? Eigenlijk niet, aan een al te grote afhankelijkheid van de bauxietwinners kleven ook grote bezwaren. De mijn zegt nog zeventig jaar te kunnen delven op deze concessie in het hart van het tropische regenwoud. Maar dan? De Quilombos willen de toekomst van hun kinderen en kleinkinderen voor langere tijd veiligstellen. En hoe kun je je als je vastgeklonken zit aan de mijn nog verweren tegen een concern dat je water vervuilt. Water dat nodig is om te drinken, om je in te wassen en om je groente in te koken. De gemeenschap Boa Vista, onder de rook van de mijn, kan er van meepraten. Door de dijk, die verondersteld wordt met bauxietdeeltjes vervuilde grond tegen te houden, sijpelt rood water in de richting van Boa Vista. De kinderen hebben jeuk als ze hebben gezwommen. De mijn geeft toe dat dat komt van de bauxietresten. Het advies is onbegrijpelijk: liever maar niet meer in de rivier wassen en zwemmen. Voorlopig mag het water nog wel gedronken worden. Mocht ook dat problemen geven dan levert de mijn wel een pomp om drinkwater uit de bodem te halen.

Nee, de mijn is een te wiebelige basis voor een project. Dan maar kijken of de Quilombos kunnen opschuiven in de keten van de paranoten. Wellicht dat een deel van het verwerkingsproces dichter bij huis kan worden gehaald. Zelf een deel van de verwerking ter hand te nemen. En er wordt af en toe voorzichtig gedroomd van een direct afzetkanaal naar die klant daar ergens in Europa. De waarde van de noten zou daardoor stevig stijgen en dus ook hun inkomsten.

Ter oriëntatie op die andere schakels in de keten staat een bezoek aan de enige fabriek voor de bewerking van para-noten in het nabijgelegen Oriximina op het programma. De directeur ontvangt het gezelschap met een volstrekt onbegrijpelijke tirade over “52 procent afval dat tussen de noten zit”. Wild springt de man de fabriek in, strooit handenvol noten over de vloer en danst een merkwaardige lambada over zijn grondstoffen. Inderdaad, de doppen zijn leeg. Op de vraag waarom hij lege doppen koopt en ze vervolgens ook nog eens duur over de rivier naar zijn fabriek transporteert, kan hij geen antwoord geven. Zijn voorman wel: “Ik heb de directeur voorgesteld om direct na het rapen al een eerste selectie toe te passen, dat scheelt ergernis en spaart werk. Voorlopig is hij tegen.”

Eén-nul voor de Quilombos dus. De selectie van de noten, mogelijk door de zware volle noten via water te scheiden van de lichtere lege noten, kan de opbrengst al vergroten. Wanneer de directeur bij zinnen komt, moet hij toch gevoelig zijn voor een kostenreductie die ten dele aan de verzamelaars van de noten kan worden doorgegeven. Eén stapje opschuiven in de keten moet mogelijk zijn. En via een aangekochte boot kunnen de noten aan de deur van de fabriek worden afgeleverd. En ook daaraan kunnen de Quilombos verdienen. Een tweede stapje dus in de keten. De directeur zou gelijk af zijn van die vervelende tussenhandelaren die met 100 Reais van de exporteur op zak op weg gaan naar de notenverzamelaars en vervolgens met voor 40 Reais aan noten terugkeren. “Meer noten waren er niet te vinden”, is dan het droge commentaar. Zie dan maar eens of je die resterende voorgefinancierde 60 Reais terugkrijgt. Schulden zijn in Brazilië nu eenmaal slecht te innen.

Gematigd optimistisch trekken de vertegenwoordigers van de gemeenschappen zich terug in een zaaltje achter de kerk San Antonio in Oriximina. Uren duurt hun vergadering. Padre Manuel, de Portugese leider van de parochie, had er al voor gewaarschuwd. Quilombos houden van lange vergaderingen, weet hij. Volledig terecht slaan ze volgens hem de handen ineen. Rekenen op de overheid? Hoeven ze niet. Kijk maar naar de staat waarin Oriximina verkeert. Open riolen en de vorming van krottenwijken gelijk de favelas van Rio en Sao Paolo. De mijn dan? Volgens Padre Manuel zit die niet te wachten op Quilombos met gebrekkige scholing, maar op mooie winsten voor hun buitenlandse aandeelhouders. En dat project dan van het Braziliaanse landhervormingsinstituut Incra in samenwerking met rentmeester Ibama om iedereen zijn eigen akkertje te geven? Icco-medewerker Gerard Zwetsloot ziet er weinig in. Kleine akkertjes betekenen kleine opbrengsten. Alleen op prijs zouden de Quilombos kunnen concurreren met de grote fazendas die per definitie goedkoper kunnen werken. Die weg opgaan, leidt onvermijdelijk tot de aanleg van grotere akkers. Maar dan nog, de kleine boer zal het uiteindelijk toch afleggen op de Braziliaanse landbouwmarkt die wordt gedicteerd door de grootgrondbezitters. Het einde van het verhaal is dan dat de kleine boeren noodgedwongen hun akkertjes verkopen aan de grootgrondbezitters. En dan zijn de armen van Brazilië hun middel van bestaan weer kwijt en hebben de rijke fazendeiros hun macht en bezit opnieuw vergroot.

Opschuiven in de keten, lijkt vooralsnog het enige antwoord. De producten uit het bos, zoals de paranoten en het zoet geurende hout, zelf bewerken en vervolgens zoeken naar markten. De Quilombos realiseren zich dat zij daarvoor de kennis ontberen. Calculeren, denken in termen van markten, onderhandelen over prijzen en kwaliteiten. De Quilombos zijn bereid om te leren. Maar wie geeft er dan les? Realiseren ze zich wel dat dat mensen zijn van de universiteiten uit de grote steden? Dat ze moeten samenwerken met landbouweconomen en marktonderzoekers. Jarenlang hebben zij die buitenstaanders beschouwd als de slavendrijvers van hun voorvaderen. Ze realiseren zich nu maar al te goed, dat die houding een betere toekomst in de weg staat.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden