De overheid droomt, de boer ploegt voort

De landbouw blijft een economische grootmacht in Nederland. Maar de vrije markt, schaalvergroting en overheidsregels eisen hun tol bij de individuele boer: zijn vak is nog altijd loodzwaar. Drie boeren die Trouw rond 2000 sprak, komen opnieuw aan het woord.

Kijk naar de economische ontwikkelingen in de wereld, en de Nederlandse boer gaat een gouden toekomst tegemoet. Maar op het erf voelt dat toch anders. Het boerenvak blijft zwaar en onzeker.

Niet dat er geen redenen tot optimisme zijn. Joop de Koeijer, akkerbouwer in het Zeeuwse Brouwershaven, merkt dat de stemming onder zijn collega’s in jaren niet zo goed is geweest. Logisch, er wordt eindelijk weer wat verdiend. Trouw sprak De Koeijer in 2001, toen er wereldwijd letterlijk bijna geen akkerbouwer was die nog iets verdiende. De gemiddelde Nederlandse akkerbouwer legde toen al drie jaar geld toe op zijn activiteiten. In 2000 had 52 procent van de Nederlandse akkerbouwers een inkomen onder het bestaansminimum. Gemiddeld leed elke boer 20.000 euro verlies.

„Het waren echt donkere tijden”, zegt De Koeijer, die vooral aardappels, maar ook onder meer suikerbieten en brouwersgerst verbouwt. De wereldgraanprijs was op een dieptepunt beland, waardoor graantelers elkaar kapot concurreerden. Boeren in de Europese Unie en de Verenigde Staten kregen subsidie om tegen een bodemprijs graan te produceren. Dat graan werd vervolgens op de wereldmarkt gedumpt, zodat boeren nog verder de dupe werden. De crisis sleepte bovendien vele andere gewassen mee in de val, bijvoorbeeld omdat boeren massaal overschakelden op aardappels, en ook dié markt onderuit ging. Boeren stopten en De Koeijer zag zelfs de landbouwscholen leeglopen.

Nu geloven analisten dat het tij voor de Nederlandse landbouw definitief keert, en niet alleen voor de akkerbouwers. Zowel de prijzen van graan als van zuivel zullen volgens hen structureel hoger worden door de groeiende welvaart in landen als China. Daar stijgt de consumptie zodat de Nederlandse exportpositie flink kan verbeteren.

Het geeft de boeren moed, maar de ervaring heeft ze geleerd niet te vroeg te juichen. „De huidige hoge graanprijs is veel simpeler te verklaren, namelijk door slechte oogsten in de afgelopen twee jaar”, zegt De Koeijer. „In Australië leed de graanproductie onder de grote droogte, China kampte met misoogsten en ook in Europa was de opbrengst laag: waar je normaal negen tot tien ton graan van een hectare haalt, was het toen zo’n zeven ton.” Ook de hoge olieprijs speelt de boeren parten. „De prijzen van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen hangen nauw samen met de olieprijs en voor een akkerbouwer is de hoge dieselprijs ook direct te merken.”

Gerrit Roos, melkveehouder in Ouderkerk aan de Amstel, slaat eveneens een zuinige toon aan. Ook zijn sector leek vorig jaar vleugels te krijgen. Het gemiddelde gezinsinkomen van melkveehouders steeg in 2007 met 33.000 euro. Dat klinkt geweldig, maar Roos ziet slechts een correctie van de dramatische jaren ervoor. „De melkprijs steeg inderdaad met zo’n 20 procent of gemiddeld zes cent per kilogram”, zegt hij. „Maar de kosten voor de boer stegen mee, namelijk met zo’n vier cent.”

Er doemen bovendien nieuwe problemen op, zegt Roos. De melkprijs is alweer aan het dalen, vooral door de verhoging van het melkquotum met twee procent waarmee minister van landbouw Gerda Verburg onlangs blij terugkwam uit Brussel. Volgens Roos speelt Verburg de zuivelindustrie en de middenstand in de kaart. „Met een hogere melkproductie is de industrie verzekerd van de aanvoer en krijgt ze de melk, door meer aanbod, nog goedkoper ook.”

„Een mooi vak voor het loon van een vakantiekracht”, noemt Roos zijn beroep wel eens. Boeren krijgen voor hun melkproductie maar zo’n 75 tot 90 procent van hun kosten betaald, zegt hij. Ze maken dus geen winst. Het rendement op hun eigen vermogen is slechts een half procent, terwijl dit voor de zuivelindustrie 18 procent en voor de supermarkten 22 procent bedraagt.

Hoe de melkveehouders volgens de officiële cijfers dan toch een inkomen verwerven? Dat zit ’m volgens Roos in het feit dat het Landbouweconomisch instituut (Lei) geen rekening houdt met het aantal uren of manjaren dat de melkveehouders werken. „Met 70 á 80 uren per week werken melkveehouders twee keer harder dan mensen met een voltijds arbeidscontract. Hierdoor kom je op een gemiddelde kostprijs van 47 cent per kilogram melk, terwijl de melkprijs in 2007 zo’n 37 cent was.”

De Dutch Dairyman Board (DDB) – een club van kritische melkveehouders – overlegt met het Lei over een andere benoemingswijze van het inkomen van melkveehouders. „Als je het uurloon uitrekent, kom je op 3 tot 7 euro”, zegt Roos. „Schaalvergroting is geen oplossing. Ook wij hebben ons bedrijf uitgebreid, maar daardoor ervaar ik nog meer werkdruk. De productie stijgt, maar er gaan niet meer uren in een dag.”

Zo zijn er meer ’mythes’ die de boeren zouden willen doorprikken, bijvoorbeeld dat een algehele groei van de economie de landbouw altijd begunstigt. Dat idee werd in de jaren negentig hardhandig door de feiten gelogenstraft. De akkerbouwers zouden bovendien sterk gaan profiteren van de teelt van biobrandstoffen.

„De opkomst van biobrandstoffen heeft wel voor de kentering gezorgd in de akkerbouw”, erkent De Koeijer. Maar met de akkerbouwvakbond (NAV) waarvan hij bestuurder is, zou hij daar toch niet zijn kaarten op zetten. Hij twijfelt sterk aan het rendement. „Je moet heel veel energie in de grond stoppen om het gewas te krijgen. En dan moet je die energie ook nog winnen uit dat gewas.” Een studie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) leerde dat het bij een olieprijs van honderd dollar per vat – dat is hoog, maar lager dan de huidige stand – pas rendabel is om ethanol uit tarwe te winnen als de boer voor die tarwe tien cent per kilo krijgt. „Zo’n bodemprijs kan absoluut niet, onmogelijk”, zegt De Koeijer, die nu iets meer dan 20 cent voor een kilo krijgt.

Daarmee reduceren de boeren het toekomstscenario van biobrandstoffen tot ’wensdenken’ van de overheid, een mooie droom die nooit uitkomt. Het herinnert Dick Breukink, voormalig varkenshouder in het Gelderse dorp Hengelo, aan de omschakeling die hij ooit maakte van een conventionele varkenshouderij met 1200 fokzeugen naar een biologisch bedrijf met 75 zeugen. Destijds, in 1999, was Breukink in de ogen van de overheid dé boer van de toekomst. Maar drie jaar geleden stopte hij ermee. „Dat deed heel veel pijn, maar nu ben ik blij dat ik de ontwikkelingen niet meer hoef mee te maken.”

Breukink schakelde om na de epidemie van varkenspest in 1997 en 1998. De vernietiging van 10 miljoen varkens op en rond 429 besmette bedrijven bracht de boeren omgerekend ruim 200 miljoen euro inkomensverlies en een beroerd imago.

Daar kwam nog een hoop dierenleed bij. Het jaar 2000 stond in het teken van de gekkekoeienziekte die in Groot-Brittannië waarschijnlijk 160 en in Nederland twee consumenten van rundvlees deed bezwijken aan de ziekte Creutzfeldt-Jakob. In 2001 werd de Nederlandse veehouderij getroffen door mond-en-klauwzeer. Op 2600 boerenbedrijven werden in totaal 260.000 koeien, varkens, schapen en geiten afgemaakt.

De crises leken de geesten in Nederland helemaal rijp te hebben gemaakt voor de biologische, dus diervriendelijke veehouderij. Met de ’reconstructiewet’ zette de toenmalige minister van landbouw een sanering van de varkenshouderij in die het enorme aantal varkens in Nederland drastisch moest terugbrengen. Boeren werden uitgekocht en over biologische landbouw werd het ene na het andere optimistisch gestemde congres georganiseerd.

Nu, acht jaar later, blijkt dat biologische varkenshouderij inderdaad lonend kan zijn, maar dat de omstandigheden dan wel moeten meewerken. Breukink genoot van zijn scharrelvarkens, maar ontdekte ook dat een kleine varkenshouderij nauwelijks kans van slagen heeft. „Oók een biologisch bedrijf moet groot zijn om het te overleven”, merkte hij.

Toegegeven, zegt Breukink, er waren ook persoonlijke overwegingen. „We hadden geen opvolger voor het bedrijf en ik kreeg last van mijn rug.” Juist in de biologische sector is het werk lichamelijk zwaar. Maar zijn grootste struikelblok was dat zijn bedrijf op een plek lag waar het eigenlijk niet welkom was. „Het is een farce om te denken dat je de natuur helpt door boeren naar elders te laten vertrekken. De ammoniak die vrijkomt uit mest denkt heus niet: ’Ik stijg hier op, maar ik ben moe, ik ga gelijk maar even liggen’. Die kan nog evengoed overal terechtkomen. Er daalt hier zelfs geregeld Saharazand neer.”

’Niet gemakkelijk, wel rationeel’, zo omschrijft Breukink zijn keuze. „Ik heb mateloos respect voor de boeren die blijven. Maar zeggen ’ik zal en ik moet*’ en koste wat het kost boer willen blijven, levert je niks op. Soms loopt het zelfs dramatisch af. Ik ken boeren die 65 worden en dan graag nog wat blijven ’klungelen’. Maar dan komt na een tijdje de fiscus en die belast de hele handel met 50 procent. Dan valt hun plan in duigen. Vaak kunnen ze er dan niet eens meer blijven wonen.”

Al die ellende heeft Breukink nu voorkomen. Onderhandelingen met de gemeente leverden op dat hij van de huizen-voor-stallenregeling gebruik kon maken. „Ik sloopte de stallen en kreeg op die plaats een bouwkavel”, zegt hij. „En nu rijd ik op een vrachtwagen bij een redelijk grote transportonderneming. Ook dat was ooit een hobby waaraan ik nooit was toegekomen. Ik kom overal in Nederland, Duitsland en België en heb collega’s. Ik werk nu slechts vijftig uur per week en mijn vrouw werkt 24 uur. We hebben het leuk. Want boer zijn is mooi, maar het is ook wel een eenzaam leven.”

Melkveehouder Roos houdt nog genoeg van zijn vak om boer te blijven. Soms heeft hij wel eens spijt dat hij rekensommetjes heeft gemaakt over zijn uurloon, want melkveehouder is een schitterend beroep, een way of life. „Boeren zijn harde werkers, vakidioten. Ze denken ’zolang ik mijn rekeningen kan betalen, gaat het goed’. En doordat ze zo veel uren maken, hebben ze relatief weinig privé-uitgaven. Ze hebben weinig hobby’s en nemen nauwelijks vakantie. Zo komen ze van een laag inkomen toch aardig rond.”

De Koeijer heeft bovendien de indruk dat akkerbouwers aan macht hebben gewonnen. „In 2001 waren we de speelbal van wereldwijde ontwikkelingen. Nu hebben we weer iets te vertellen”, zegt hij. „Zo wilde een frietfabriek een collega van mij wel een halve cent méér betalen voor zijn aardappels. Veel te weinig natuurlijk, in het licht van de wereldmarkt en de gestegen kostprijzen. Die boer heeft het dus mooi vertikt om voor die prijs te leveren. Kijk, dan merk je dat het beter gaat.”

Maar in 2006 leefde 44 procent van de Nederlandse boeren nog van het minimuminkomen. Het boerenleven blijft zwaar en onzeker.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden