Review

De oude Grieken deden het toch óók!

Het WK is bijna uitgedenderd, maar de Tour wint vaart; het sportseizoen kent geen genade. Maar het mág tegenwoordig. Menig filosoof, schrijver en arbeidssociologe tennist, fietst en jogt er duchtig op los. Waarom? Twee boeken die dat proberen uit te leggen.

Sporters kennen dat gevoel: het moment waarop het lichaam het heft in handen neemt. Heel dwingend gaat dat dan. Grenzen die opengebroken moeten worden, limieten die geen enkel bestaansrecht meer hebben, de ratio die sprakeloos achterblijft. Duursporters ervaren het verslavende effect ervan. Ze leggen zichzelf een vrijwillig lijden op en proeven de daaropvolgende uren een diep lichamelijk, geestelijk en emotioneel genot. Sportactiviteit reikt dan naar quasi-erotische sferen.

Intellectuelen in het algemeen en filosofen in het bijzonder hebben het altijd wat moeilijk gehad met het hardwerkende lijf. Dat er individuen bestaan die zich – vaak in een eigenaardige uitrusting – overgeven aan dampend zweet producerende activiteiten, doet hen gegeneerd opzij kijken. En het kan nog erger: dat er grote mensenmassa’s op de been komen om in overvolle stadions die hijgende, klauwende, zich uitputtende lieden te bewonderen, kan alleen maar verklaard worden uit manipulatie om commerciële redenen en als vervreemding van waar het in een mensenleven echt om gaat.

Maar ze beginnen weerwerk te krijgen, die neusophalers en wenkbrauwenfronsers. De hoeders van de hoge cultuur zien in eigen rangen steeds meer vak- en andere genoten die met overtuigend enthousiasme terugverwijzen naar de bakermat van het westerse denken en naar de oude Grieken en hun levenskunst, waarin lichaam en geest evenwaardig waren.

Twee boeken brengen dat op eigen manier in herinnering. Peter Smink doet dat in ’De cultus van het lijden’ met doorleefde beschrijvingen van de eigen, grenzenverachtende, fysieke inspanningen. De gerenommeerde Duitse filosoof Hans Ulrich Gumbrecht geeft in ’Lof van de sport’ uiting aan zijn esthetisch geïnspireerd enthousiasme over het zich naar limieten worstelende atletische lichaam. De Engelse titel van zijn boek zegt in die zin meer: ’In Praise of Athletic Beauty’.

Gumbrecht (1948), hoogleraar aan de prestigieuze universiteit van Stanford in de VS, wil de fascinatie voor sport leren begrijpen. Hij zegt dat te willen doen vanuit de afstandelijke houding van een toeschouwer. Zelf beschikt hij naar eigen zeggen over niet het minste talent voor sport.

Zijn afstandelijkheid vervaagt echter naarmate het boek vordert. Aandoenlijk haast hoe zo’n hoogleraar filosofie wegmijmert bij door hem opgeroepen beelden van legendarische atleten as Jesse Owens, maar evengoed bij vetkwabben torsende Japanse sumoworstelaars.

Gumbrecht betreurt dat de esthetische ervaring alleen maar lijkt te zijn voorbehouden aan de canon van beeldende kunstwerken en literatuur. Hij wisselt zijn af en toe prikkelende esthetische beschouwingen af met eigen bedenkingen, die ons een nieuw instrumentarium kunnen opleveren voor het denken over sport. Zo maakt hij bijvoorbeeld een onderscheid tussen een ’subjectcultuur’ en een ’presentiecultuur’. In de eerste gaat het om de mens als rationeel denkend subject dat zich gescheiden waant van alle lijfelijkheid en van het werelds materiële. Bij de presentiecultuur gaat het net om het omgekeerde: hoe wij als mens door en door verweven zijn met de plek waar we vertoeven, met de natuur en ons lijf als deel daarvan, en hoe dat alles ons denken en handelen kleur geeft. De westerse filosofie heeft nagenoeg heel haar geschiedenis lang het eerste standpunt verdedigd. Gumbrecht toont op een bepaalde manier het failliet van die houding.

Een ander denken over sport zou ook kunnen resulteren uit het verschil dat de auteur maakt tussen het centraal stellen van het agon enerzijds, en de arete anderzijds. In het eerste geval denken we over sport als competitie en strijd met anderen. In het tweede geval wordt sport gezien als streven naar voortreffelijkheid en als gevecht met zichzelf. Sport krijgt daar dan opnieuw de filosofische en morele betekenis die ze bij de oude Grieken had. Ze is dan onderdeel van een doordachte levenskunst.

Peter Smink (1952), die eerder al een verhalenbundel en een roman publiceerde en ook toneelteksten schreef, kiest overduidelijk voor die levenskunstige invulling. Maar of hij deze doordacht heeft, is een andere kwestie. De ondertitel van zijn boek heeft het over ’Een vrije oefening’. Smink puzzelt een boek samen met verhalen over zijn jeugd en gebroken botten, over uitdovende liefdesrelaties, over crisissituaties tijdens reizen en over zijn passie voor de figuur van filosoof Walter Benjamin. De eigen sportuitspattingen moeten het geheel af en toe opfleuren. Hij noemt zichzelf een endorfinejunk. Endorfine is een stof die zich in onze hersenen manifesteert bij een lange duurinspanning en die een euforisch gevoel kan opleveren. Hier ligt de verslaving op de loer.

Wie een beetje op de hoogte is van verantwoorde manieren van sportbeoefening zit ongetwijfeld met van ergernis krullende tenen de verhalen van Smink te lezen: Hij ging hardlopen als tegenwicht voor nachtelijke uitspattingen, kruidde lange fietstochten met pinten bier die hem almaar meer dorstgevoelens opleverden, ging onvoldoende voorbereid de Mont Ventoux met de fiets te lijf en stortte daar letterlijk en figuurlijk in elkaar.

Sminks jacht op persoonlijke records bleek bovendien geheid wekenlange malaise achteraf op te leveren. Aan Peter Smink nemen sportlustigen liever geen voorbeeld. En het literaire dan? Vergelijk Sminks manier van schrijven met een afdaling van de Mont Ventoux per fiets. Een fiets zonder remmen welteverstaan.

We beginnen eraan en zien wel waar we eindigen. Zoiets. Zijn schrijfstijl is verward en chaotisch. Verhalen of verhaaltjes worden aan elkaar gelijmd en lopen op chaotische wijze in elkaar over.

Een lezer van goeie wil noemt dit een vrije oefening en mompelt iets over opmerkelijke creativiteit. Evengoed kun je het hier hebben over willekeur en een ondoordacht puzzelen met vijf of zes soorten puzzelstukken door elkaar.

Waar Gumbrecht een doordacht en aansprekend vertoog over een esthetica van de sport voorlegt, blinkt Smink uit in hijgerig en soms onverstaanbaar geraas. Allebei hebben ze de verdienste de intellectuele vooroordelen tegen sport elk op hun manier hardnekkig te lijf te gaan. Met wisselend succes dus.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden