De orgelman van de oude Wester kan weer spelen

Aan de voet van de Westertoren in Amsterdam, naast de deur die toegang geeft tot de Westerkerk, zit een plaquette ter nagedachtenis aan Willy Alberti. Over het water van de Prinsengracht stond zijn wiegie, in de Jordaan. Met zijn tenore napolitano galmde hij de glorie van die 'mooie Westertoren' landelijk uit.

Ik werd door die plaquette herinnerd aan de Jordanese volkscultuur (Johnny Jordaan belichaamde die wel het meest met zijn loflied op de 'ouwe Wester'), toen ik vorige week de Westerkerk binnenging voor een persconferentie waarin orgelbouwer Steketee van de firma Flentrop, restauratie-architect Van Stigt, adviseur Jan Jongepier en organist Jos van der Kooy glimmend van trots het orgel presenteerden. Neen, niet het gerestaureerde orgel, maar het herbouwde orgel, zoals Van der Kooy nadrukkelijk toelichtte. Wat door grijsblauw marmeren kolommen geschraagd zich thans verheft tegen de westelijke muur, lijkt uiterlijk en innerlijk niets op wat er voor 1985 bespeeld werd.

Voor Johnny en Willy was de Westerkerk met zijn toren buitenkant. Ze hoorden het carillon over hun wijk klingelen en op een stille zondagmorgen zal het psalmgezang en de orgeldreun hen over de gracht hebben toegeklonken. Maar roomse jongetjes als zij waren, kwamen zij er niet binnen. Zij hadden geen deel aan de deftigheid binnen, te zien aan het roodbruin en goud geschilderde orgel dat in naam en aanleg van Johannes Duyschot (1686 voltooid, 2 klavieren, pedaal, 29 registers) en Christiaan Vater (in 1727 verbeterd en uitgebreid met bovenwerk van tien stemmen) was.

De toren, met keizerskroon sprak dan wel van glorie, het kerkgebouw zelf en het interieur getuigden van vergane glorie. In de jaren tachtig bleek een grondige restauratie niet langer ontweken te kunnen worden en in het kielzog daarvan moest ook het orgel worden aangepakt.

Bij de restauratie in 1842 - 1844 door H. Knipscheer was het karakter van de klank al een weinig veranderd; zo werden pijpen weggenomen uit registers die door middel van meer pijpen per toets spraken. In 1895 werd door D. Steenkuyl veel ingrijpender de klinkende ziel omgebogen naar de romantische geest, door wijziging van de intonatie en verwijdering van alle verdubbelingen in de prestanten.

De finale klap werd toegediend in 1939, toen een combinatie van drie bouwers nieuwe wijzigingen en toevoegingen aanbracht. Er kwam een klavier bij, een borstwerk van tien stemmen in zwelkast, waardoor bij oplevering een instrument van 56 stemmen was ontstaan. In 250 jaar tijd was het aantal registers en klavieren verdubbeld, maar de klankkracht en eenheid waren er niet op vooruitgegaan. Opgetogen klapten echter de kenners en liefhebbers in de handen, want nu kon er de literatuur uit alle tijden op worden gespeeld.

Het valt steeds weer op hoe de veranderingen van smaak door de loop van eeuwen prachtig af te 'lezen' zijn aan de orgels in ons land. Want alweer veertig jaar later, zo rond 1980, was men er van overtuigd dat het orgel in de Westerkerk maar een rommeltje was met zijn verminkte klank en mechaniek.

Met een zelfde wetenschappelijke grondigheid waarmee in de afgelopen tien jaren de orgels van de Martinikerk in Groningen, de St Jan in Den Bosch, de Nieuwe kerk in Amsterdam en de Laurens in Alkmaar werden aangepakt, determineerden orgelbouwer Steketee en adviseur Jongepier met steun van deskundigen als Jan van Biezen, de inhoud. Circa twintig procent oud pijpwerk, delen van de oorspronkelijke windladen en archivalische gegevens boden toch nog zo veel houvast, dat de weg openlag tot een herbouw naar de opzet van Duyschot en Vater.

Ondertussen krabten architect Van Stigt en zijn medewerkers voorzichtig aan de verflaag en ontdekten, dat onder het goud en bruin gemarmerde beschildering zat, eerst blond en daaronder blauw-achtig grijs. Het bleek mogelijk om die oude kleur weer op te brengen. Zag het orgel er eerst als een meubelstuk uit, staande op een echt marmeren onderbouw, nu ogen console en kas als een architectonisch geheel. Allemaal beschilderd hout, sprak Van Stigt om de koppig kloppende journalist te overtuigen dat de illusie in dit muzikaal theater zeer sterk is. Je staat ook verbaasd te kijken naar het geheel: een volle neef van het orgel in de Nieuwe kerk.

Van negentiende eeuws deftig oogt het Westerkerk-orgel nu zeventiende eeuws chic. Om het meer met Amsterdamse tongval van Johnny en Willy te zeggen: poep-sjiek. Deze herbouw drukt ons wel met de neus op een merkwaardig feit, namelijk dat er alweer door menselijke ingreep een orgel gemaakt is dat niemand onder de levenden ooit eerder hoorde. Het is zelfs zeer vreemd dat er allerlei platen bestaan waarop orgels klinken die er niet meer zijn. Het meest sprekende voorbeeld biedt Alkmaar, waar de beroemde Helmut Walcha op het in de romantiek aangepaste instrument een devoot monument voor Bach oprichtte. Dat orgel bestaat niet meer!

Zo zijn er ook twee orgels van de Wester, het oude op de plaat, het nieuwe in de kerk. Maar niemand zal naar die oude tijd terug verlangen, zeker Jos van de Kooy niet. Toen hij in 1981 de overleden Simon C. Jansen opvolgde, nam hij plaats aan een speeltafel die oogde als een enorm bureau met piano-achtige toetsenborden en bedieningspanelen. Zondagmiddag om 14 uur neemt hij plaats op een echte orgelbank, aan een duidelijke klaviatuur en koperen registerknoppen, voor de eerste feestelijke bespeling. De orgelman van de ouwe Wester kan weer naar hartelust spelen. De Jordaan komt ook luisteren. Maar het programma is wel heel chic: van Sweelinck tot Messiaen. Geen plaats voor een 'tenore napolitano' die er een mooi 'Ave Maria' bij zingt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden