De opwaartse kracht van de heksenwaan

Vannacht: volle maan, heksen komen tezamen voor hun sabbat, spreken vloeken uit, verslinden kinderen. De laatste jaren bescheen Samuel de Lange op deze pagina een keur van heiligen met tegenlicht. Zijn heiligen zijn op. Hij richt zijn blik naar de andere kant: naar booswichten, ketters, grote zondaren en om te beginnen de heksen.

Samuel de Lange

Na zonneschijn komt regen, het spreekwoord zegt het al. Na de heiligen de ketters en booswichten. In het goede gezelschap van F. Dostojevski die, onpasselijk van de zoete Aljosja die hij in 'De gebroeders Karamazov' (1880) in leven had geroepen, besloot tot een vervolg dat 'Het leven van een grote zondaar' zou heten. Het bleef bij een voornemen, want de dood van de schrijver een jaar later verijdelde het plan. Nu maar zien of op mijn omkering van zaken wel zegen rust.

Dat in de geschiedenis de booswichten toch vaak bij monde van de braven spreken is wel heel waar in het eerste geval van mijn keuze: de heksen. Ofschoon malle groepjes zogenaamde 'wicca's' vandaag de dag zonnewenderituelen uitvoeren en toverdrankjes brouwen, is er geen sprake van een oude heksentraditie waar de bijgelovige juffrouwen uit kunnen putten. Wat wij weten van heksen, weten wij via hun vervolgers en de enkele verdediger die het voor hen heeft opgenomen. Daarmee is die wetenschap meteen twijfelachtig geworden. Zo'n schimmige ouverture is heel geschikt voor de reeks dubbelzinnige figuren die zullen volgen. Net als bij de heiligen ligt mijn interesse voor de booswichten trouwens meer in de wrijvingen tussen mensen en opvattingen, dan in hun goede of kwade bedoelingen. Zondaars en heiligen kunnen slecht zonder elkaar.

,,De Europese heksenjacht van de zestiende en zeventiende eeuw is een verbazend verschijnsel, en een blijvende waarschuwing voor wie de opgang der mensheid wil versimpelen.'' Zo opende de Britse historicus H.R. Trevor-Roper zijn beroemde essay over 'Heksen en hekserij' in Encounter, mei 1967. De veronderstelling dat Renaissance, Reformatie en wetenschappelijke revolutie een eind aan wrede roomse praktijken hadden gemaakt is om meerdere redenen fout: de Middeleeuwen kenden nauwelijks of geen heksenvervolgingen, en de grote heksenwaan zette juist in toen wetenschap en kunsten vooruitgang boekten.

Sinds de negentiende eeuw zijn heksen een trekpleister in de geschiedenis, en ze delen daarom in verschillende misverstanden van de Romantiek. Eén fout die eerst door militante

atheïsten en later door feministen werd begaan, is de overschatting van het aantal slachtoffers van de vervolging. Gedacht is dat er in de zestiende en zeventiende eeuw honderdduizenden verbrand (op het continent) en gehangen (in Engeland) zijn, maar 50000 ligt meer in de rede. Ook de idee dat het altijd om vrouwen ging is onjuist: ruim een vijfde van de vervolgden bestond uit mannen. De Romantiek schreef wreedheid graag toe aan paapse complotten, maar op het punt van heksenvervolging hebben protestanten in Duitsland en Schotland nauwelijks ondergedaan voor katholieke Fransen en Duitsers.

De belangrijkste vergissing was echter de overtuiging van de jonge folkloreonderzoekers in de negentiende eeuw dat een heidens substraat na de kerstening van Europa was blijven bestaan in de vorm van clandestiene heksenkringen. Die overtuiging deelden zij met de heksenvervolgers. De tegenstelling tussen ouderwetse en de moderne heksenkunde -voorzover de laatste niet bedreven wordt door New Agers met een geheel eigen agenda- spitst zich toe op het bestaan van heksen. Heksen bestonden niet, zegt de moderne interpretatie. Tot zij gemaakt werden.

In 1486 verscheen in Duitsland de 'Heksenhamer', het werk dat het klassieke beeld van de heks in elkaar knutselde. Boerenbijgeloof en paranoia van de inquisitie liepen daarin door elkaar. Niet toevallig waren de schrijvers twee dominicanen, een orde die zijn bestaansrecht ontleende aan de vervolging van de Franse katharen. De 'Heksenhamer' heeft een rol gespeeld in de heksenjacht in de Duitse landen, waar het hard toeging. Toch kwam de grote vervolging in Europa pas een eeuw na de verschijning op gang. De 'Heksenhamer' is echter van belang omdat hij de beschuldigingen die in de volgende twee eeuwen gedaan werden voor het eerst op een rij zette. Uit de bladzijden rijst het beeld van een groot kwaad: de heks lastert God, vreet pasgeboren kinderen, vliegt door de nacht om te paren met Satan, sticht brand in de stallen en slaat de mannen met impotentie. Een duivelse ondergrondse was volgens de schrijvers aan het werk.

In 'Europe's Inner Demons' (1975) heeft de Engelse historicus Norman Cohn laten zien dat de samenstellende delen van dat beeld al eerder bestonden. De ironie wil zelfs dat in de late Oudheid de christenen als eersten werden beschuldigd van rituele kindermoord. Later werd het van ketters gezegd. Demonologie was ook niet nieuw: geleerde magisters zoals Faust (1480-1540) lieten de duivel naar hun pijpen dansen. Maar pas in de herfsttij der Middeleeuwen werden die elementen in verband gebracht met de toverpraktijken die traditioneel op het platteland werden bedreven.

De associatie van boerenmagie met ketterij en satanisme was een fatale combinatie. Vervolgingen in de stad kwamen voor, maar hoogtepunten werden bereikt in de Franse en Duitse Alpen, in Lotharingen, Baskenland en Schotland. Onfrisse praktijken die altijd tot het landleven hadden behoord werden in de loop van de vijftiende eeuw halszaken. Net als onder andere primitieve samenlevingen werden tegenslagen als misoogsten, miskramen, en ontrouw in agrarisch Europa aan de kwade wil van dorpsgenoten toegeschreven. Jaloerse en boze mensen vervloekten en bezwoeren. Zieke mensen gingen bij kruidenvrouwtjes te rade. Sommigen hadden vervolgens geluk, anderen niet. Eeuwenlang had het kerkelijk gezag gewaarschuwd dat het verkeerd was in de grootspraak van kleine luitjes te geloven, en nu werden ze opeens aangezien voor de vijanden van God en de mensen.

In 'Het verbond van heks en duivel' (1983) beschrijft de psychologe Lène Dresen-Coenders een typisch geval in de noordelijke Nederlanden: ,,Volgens het boek voor 'Criminele Informatiën van de stad Amersfoort' werd in 1593 Geertgen Damen, een oude vrouw van 80 jaar, verbrand. Tot haar karige bezittingen behoren twee 'hespelen met garen'. Waarschijnlijk heeft zij voor de kost gesponnen. Geertgen wordt ervan beschuldigd kinderen te hebben behekst. Een kind is ziek geworden na het eten van een stuk koek dat Geertgen haar gaf en een ander is gestorven, nadat zij het gezegend had. Bij de eerste ondervraging ontkent zij niet dat zij kinderen en beesten op verzoek heeft gezegend. Zij wordt gevangengezet en gefolterd. Nu bekent zij alles wat haar gevraagd wordt, tot boeleren met de duivel toe. Ten overvloede wordt de waterproef nog toegepast. Zij blijft drijven, 'als een gans'. De dag erna al wordt zij veroordeeld tot de brandstapel na eerst te zijn geworgd.'' Stik de moord in Amersfoort.

Als er geen heksen waren, maar alleen zielenpieten die onder foltering tot bekentenis geprest konden worden, moeten de angst die tot het heksenbeeld leidde en de vervolging die daarvan het gevolg was nog verklaard worden. Dresen-Coenders zoekt de oorzaak in de gezagscrisis aan het einde van de Middeleeuwen, tussen clerus en gelovigen, tussen de standen en tussen mannen en vrouwen. (Die laatste verwijdering kan verklaren waarom vooral vrouwen het slachtoffer werden.)

Zowel de Reformatie als de Contrareformatie poogde een halt toe te roepen aan de verwarring der zeden die godsdiensttwisten en burgerlijke emancipatie stichtten. De Nederlanden ontsnapten niet aan deze hardhandige 'herstelbeweging'. In 1613 werden in Roermond veertig heksen verbrand. Maar het aantal vervolgingen stak gunstig af bij andere streken, en de Nederlanden leverden een paar geduchte critici van de heksenwaan. Johannes Wier (1515-1588) met zijn 'Over des Duivels listen' en Balthazar Bekker (1634-1698) met zijn 'Betooverde Werelt' maakten de kachel aan met de giftige sprookjes van de 'Heksenhamer', hier te lande maar ook in Duitsland.

De erkentelijkheid voor die bijdrage aan de ontnuchtering vormde voor de Duits-joodse vluchteling Kurt Baschwitz (1886-1968), die in Nederland onderdak vond, het vertrekpunt van zijn boek 'De strijd met de duivel' (1949), dat later werd uitgebreid tot het toonaangevende 'Heksen en heksenprocessen. De geschiedenis van een massawaan en zijn bestrijding' (1964). Baschwitz was in 1950 de oprichter van het 'Instituut voor massapsychologie' in Amsterdam, een denktank die al lang weer opgedroogd is.

Intussen is de meeste moderne hekserij geen waan maar een tijdverdrijf. Toch bereiken ons af en toe verontrustende berichten, uit Afrika bijvoorbeeld, maar ook wel van dichterbij. Het gaat dan om dezelfde monsterlijke beschuldigingen die 'de Heksenhamer' 500 jaar geleden aaneen smeedde. 'Heksen zijn altijd iemand anders, maar de hekserijvoorstellingen leven in ons zelf', zo besluit de Engelse onderzoeker Robin Briggs zijn boek 'Heksenwaan' (1996).

Om te vermijden dat u 'iemand anders' wordt is het nuttig zich te verzekeren van een 'certificaat van weging', voor een luttel bedrag in de heksenwaag van Oudewater te bekomen. Dat garandeert de drager dat zijn of haar gewicht in overeenstemming is met de verwachtingen. Het kan u een waterproef besparen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden