De opmars der tribunalen

Het Internationaal Strafhof in Den Haag heeft met de arrestatie van Jean-Pierre Bemba een grote vis aan de haak geslagen. De internationale hoven lijken soms traag te werken, maar de reikwijdte van internationale rechtspraak wordt steeds groter, ook op nationaal niveau.

Martijn Roessingh

Slachtoffer: „Ik ben verkracht samen met mijn twee dochters. (..) Ze zijn het huis binnengekomen door de deur in te slaan met hun geweerkolven. Ik weet niet met hoeveel ze waren. Ze gooiden me op de grond en scheurden de kleren en ondergoed van mijn lijf, steeds weer dreigend dat ze me zouden doden als ik me bleef verzetten. Mijn dochters hadden zich verstopt in de kamer maar kwamen naar buiten toen ze me hoorden gillen. Ze hebben ons bij toerbeurt verkracht. Een van mijn twee dochters is vorig jaar gestorven aan aids door wat er toen gebeurd is. Het is heel verdrietig. Mijn tweede dochter was nauwelijks veertien jaar. Ze heeft complicaties aan haar voortplantingsorganen. Ze is nog niet hersteld.”

Dit anonieme slachtoffer, inwoonster van de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR), dat haar verhaal vertelde tegen persbureau AFP, is een van de duizenden vrouwen die door de strijders van Jean-Pierre Bemba zijn aangevallen en misbruikt. Haar verhaal is typerend voor de conflicten in het Grote Merengebied. De aanklacht tegen Bemba betreft zijn verantwoordelijkheid voor misdaden begaan in CAR, zijn bijdrage aan het geweld in buurland Congo blijven buiten beeld, omdat de misdaden zijn begaan voor het Strafhof bestond. Maar het patroon is hetzelfde: anarchie, rondtrekkende strijders, moordpartijen, systematische verkrachtingen, en vluchtelingen, veel vluchtelingen. Het is niet voor niets dat het Internationaal Strafhof (ICC) zijn aandacht tot nu toe vooral richt op het hart van Afrika.

Het ICC heeft sinds zijn oprichting in 2002 duizenden mogelijke aanklachten bestudeerd voor misdaden begaan in 137 landen. Maar voor slechts vier landen is een officieel onderzoek gestart: Oeganda, Congo, CAR en Soedan. Veel zaken zijn afgewezen omdat het ICC een aanvulling moet zijn op de nationale rechtspraak. Als landen niet bereid of in staat zijn hun misdadigers zelf te berechten, of als een van de aangesloten landen of de VN-veiligheidsraad daarom vraagt, formuleert het ICC aanklachten. Ook kan de aanklager zelf zaken voor het hof brengen.

Voor de slachtoffers is dat soms bitter en een teken van de beperkte reikwijdte van de internationale rechtspraak. Zo zijn de Bosnisch-Servische leiders Mladic en Karadzic nog steeds niet opgepakt. Ook laten de internationale processen die wél plaatsvinden lang op zich wachten. De ICC-onderzoeken hebben nog maar twaalf arrestatiebevelen opgeleverd; drie mensen zijn voor berechting in Den Haag gearriveerd.

Het proces tegen de eerste verdachte, Thomas Lubanga, een militieleider uit Congo, begint pas volgende maand. Maar alle traagheid ten spijt, de internationale tribunalen lijken zonder meer aan een opmars bezig. Het Joegoslavië-tribunaal, dat afgelopen zondag precies vijftien jaar geleden door de VN in het leven werd geroepen, heeft 161 zaken behandeld, en in 113 daarvan uitspraak gedaan. Het had ook de primeur van berechting van het eerste nog zittende staatshoofd: Slobodan Milosevic, die tijdens zijn proces overleed. Inmiddels staat ook ex-president Charles Taylor van Liberia voor de rechters van het Sierra-Leone-tribunaal, zit de Rwandese ex-premier Jean Kambanda levenslang uit voor zijn rol in de genocide van 1994, en lijkt zelfs de zaak van de grond te komen tegen de toenmalige president van Cambodja, Khieu Samphan, voor de Rode-Khmerterreur in de jaren zeventig.

Tribunalen zijn dan ook slechts een van de vele factoren die bijdragen aan internationale gerechtigheid. „Tribunalen of het Internationaal Strafhof werken vooral goed als de situatie in een land politiek al enigszins is gestabiliseerd”, concludeert André De Hoogh, universitair hoofddocent Internationaal Recht in Groningen. „Dat was het geval in Bosnië, waar een grote vredesmacht was, maar bijvoorbeeld niet in Congo. Daar maakte Bemba tussen 2003 en 2006 deel uit van regering als vicepresident. De regering kon moeilijk een aanklacht tegen hem indienen, hij was van belang voor de stabiliteit. Hij is door het ICC ook pas aangeklaagd toen hij in Congo min of meer zijn machtspositie was kwijtgeraakt”. Bemba ontvluchtte een jaar geleden zijn land na een mislukte rebellie van zijn troepen.

Maar de geografische reikwijdte van het Strafhof is inmiddels groot. Niet alleen zijn vanaf volgende week 106 landen partij, ook kunnen inwoners van landen die geen partij zijn worden aangeklaagd als ze misdaden hebben begaan op het grondgebied van een bij het verdrag aangesloten land. Dat is de reden dat CAR kon vragen om vervolging van de Congolees Bemba voor misdaden in 2002, terwijl Congo pas op 3 mei 2004 bij het Strafhof kwam. Misdaden begaan op Congolees grondgebied vallen dan ook onder de jurisdictie van het Strafhof als ze na die datum zijn begaan.

Het Internationale Strafhof verschilt bovendien van de andere tribunalen in de zin dat het een permanent hof is. Maar de praktijk is moeizaam. Het ICC heeft zelf geen arrestatieteam rondlopen en is dus afhankelijk van medewerking van aangesloten staten – zoals België, dat Bemba arresteerde en vermoedelijk zal uitleveren. Ook vrezen veel deskundigen dat aanklachten verhinderen dat een conflict eindigt met een vredesakkoord: strijdende leiders handhaven liever de bloedige anarchie dan dat ze het risico lopen gearresteerd te worden, is de redenatie.

Dat bleek bijvoorbeeld eind april, toen het ICC een arrestatiebevel uitvaardigde tegen Jean Bosco Ntaganda. Deze rechterhand van Laurent Nkunda – door Trouw onlangs geïnterviewd in het oosten van Congo – wordt gezocht voor de inzet van kindsoldaten in de tijd dat hij nog werkte voor de al genoemde Thomas Lubanga. Maar zijn huidige rebellenvrienden dreigden gelijk een akkoord met de Congolese regering op te blazen. Want dat akkoord bevatte ook amnestie voor de rebellen als ze hun wapens zouden inleveren, niet arrestatie om vervolging door het ICC mogelijk te maken.

Datzelfde argument klinkt in het geval van Oeganda. Daar zijn vijf leiders van het Verzetsleger van de Heer aangeklaagd (LRA), onder wie Joseph Kony, voor gruwelen begaan tegen burgers en met name kinderen. Nog vorige week meldde mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch dat het LRA ruim 150 kinderen en jongvolwassenen had ontvoerd, vermoedelijk om te trainen als strijders en te gebruiken als seksslaven. Kony denkt er niet aan zich over te geven en enkele andere LRA-aangeklaagden zijn overleden.

„Toch is het heel belangrijk dat dit soort rebellenleiders wordt aangeklaagd”, zegt De Hoogh. „Het ICC begon met iets relatiefs eenvoudigs, de inzet van kindsoldaten, maar pakt nu met Bemba en eerder al Kony veel ingewikkelder zaken aan. Dat vergroot de afschrikwekkende werking. Ik ben hoopvol dat ze vaker naar het niveau van de leiders gaan. Dat zal die leiders toch tot nadenken stemmen.” Dat geldt speciaal voor seksuele misdrijven, waarvoor ook Bemba nu terecht zal staan. Was er voor ’troostmeisjes’ na de Tweede Wereldoorlog nog geen mogelijkheid hun recht te halen, sinds het Joegoslavië-tribunaal is voor systematisch seksueel geweld internationale vervolging voor mogelijk.

Maar internationaal recht is vooral een kwestie van lange adem. Het ICC is een verdrag dat de deelnemende partijen verplicht tot samenwerking, maar niets dwingend oplegt aan partijen die niet deelnemen. De belangrijkste partij langs de zijlijn zijn de Verenigde Staten, die zich aanvankelijk vierkant verzetten tegen het Strafhof, maar inmiddels op een pragmatische manier gedoogsteun geven. Zo spraken de VS in maart 2005 in de Veiligheidsraad geen veto uit toen de raad besloot het ICC opdracht te geven tot een onderzoek naar het geweld in de Soedanese regio Darfur. Maar dat is nog wat anders dan volledige steun. Ook andere machtige landen zijn nog geen partij, zoals Rusland en China.

Bovendien hindert de aanwezigheid van het ICC de oprichting van nieuwe ’speciale tribunalen’. Het Joegoslavië-tribunaal en het Rwanda-tribunaal kregen veel geld mee, plus bepalingen dat alle VN-lidstaten moesten meewerken (onder artikel 25 van het Handvest). Latere tribunalen (Sierra Leone, Cambodja, Libanon) hebben al minder kracht. En bij discussies over eventuele nieuwe ad-hochoven zal al snel het argument klinken dat er nu een ICC is dat het probleem kan aanpakken.

„Op lange termijn moet het van het ICC komen”, denkt ook De Hoogh. „Dat heeft vooralsnog een beperkt budget en kan maar weinig zaken opbouwen. Bovendien moet elke beslissing grondig gemotiveerd worden. Dat gaat veel tijd kosten. Er moeten veel zaken worden beslist die nog nooit eerder zijn besloten.” En als de zaken tegen Lubanga of Bemba bij het ICC niet leiden tot veroordelingen, krijgt de afschrikwekkende werking die de bedenkers van het ICC voor ogen hadden een belangrijke knauw.

Aan de andere kant hebben de internationale processen nu al impact op nationale rechtspraak in de wereld, concludeerde Aryeh Neier – directeur van het Open Society Institute – in de International Herald Tribune. Dat effect is volgens hem het meest zichtbaar in Latijns-Amerika. Daar zijn in de voetsporen van de Chileense oud-president Pinochet tal van hoge militairen en politici aangeklaagd voor misdaden begaan tijdens de dictaturen van de jaren 70 en 80. Ook dat is wat de ICC-oprichters voor ogen hadden: doordat er internationale rechtspraak bestaat als een stok achter de deur, wordt de rechtspraak op nationaal niveau versterkt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden