De opiumoorlog tegen de taliban

Het vernietigen van Afghaanse papaver is bedoeld om de rebellen financieel te treffen. De Nederlanders twijfelen aan het nut, en de leider van de anti-papavermissie noemt de Nederlanders te voorzichtig.

Tarin Kowt, de hoofdstad van de provincie Uruzgan, is gehuld in een bruin waas. De rivier is een kaki-gekleurde stroom van smeltwater en slib. Maar stroomafwaarts aan de overkant is een smalle strook velden, en enkele weken per jaar staat daar de papaver in bloei, met weelderige witte, rode, roze en donkerroze bloesem. De planten met de donkerste kleuren bevatten de meeste opium.

Op het hoogtepunt van de oogst rijd ik met Douglas Wankel, een voormalig agent van de Amerikaanse narcoticabrigade DEA, door het gebied. Hij werkt mee aan het programma voor de vernietiging van papaverplantages, een taak die moet worden uitgevoerd door de Afghaanse politie. In 2006 werd er naar schatting 160.000 hectare papaver geplant in Afghanistan, 59 procent meer dan in het jaar daarvoor. In 2007 is de opiumproductie met 34 procent gestegen, naar 8200 ton, en Afghanistan levert nu meer dan 92 procent van alle opium, de ruwe grondstof voor heroïne. Van het bruto nationaal product van het land, zo’n 2,3 miljard euro, zou de helft uit de drugshandel komen. Volgens drugsbestrijders gaat veel van de opbrengst naar de Afghaanse rebellen.

Vijf dagen ervoor was Wankel naar Uruzgan gekomen om met provinciegouverneur Abdul Hakim Munib (sinds 1 oktober weg) te praten over de vernietigingscampagne. Munib kwam de afspraak niet na. Wankel kreeg te horen dat zijn zus dood was, of ziek – het verhaal had verschillende versies – maar niemand gelooft dat. Munib was minister in het voormalige taliban-regime en wordt ervan verdacht de banden met de beweging te hebben aangehaald.

Daarbij, Wankel zag pa binnen het gezichtsveld van Munibs paleis pavervelden liggen. „We kunnen niet alle papaver vernietigen, maar dat is ook niet ons doel”, zegt Wankel. „We proberen er alleen voor te zorgen dat het risico voor de boeren dermate groot wordt dat ze volgend jaar een ander gewas planten.”

Douglas Wankel kan in Uruzgan niets doen zonder met de Nederlanders te praten. In de verschillende Afghaanse provincies leiden verschillende Navo-leden operaties. De Britten bijvoorbeeld zitten in Helmand, de Canadezen in Kandahar. De Nederlanders zitten in Uruzgan sinds augustus 2006, met 1700 man in twee zwaarbeveiligde bases, in Deh Rawod en één zuidwest van Tarin Kowt. Hier zitten ook Amerikanen, Australiërs en Afghaanse eenheden.

De Nederlanders twijfelen aan Wankels missie. Ze zijn bang dat die contraproductief is, omdat het alleen zou gaan om het vernietigen van papaver. Er zou geen aandacht zijn voor de bestrijding van corruptie en het bieden van alternatieven aan de boeren. „De missie kan andere activiteiten, gericht op veiligheid en ontwikkeling, doorkruisen.”

Wankel voelt zich belemmerd door de Nederlandse voorzichtigheid. „De meeste Europeanen willen de harten en geesten van de mensen winnen”, zegt hij. „Maar dat werkt niet. Er moet een goede balans zijn met het gebruik van geweld.” Hij geeft toe dat de balans in Uruzgan in die richting is doorgeslagen.

„We hebben niet veel tijd hier”, zegt een betrokkene. „Als we dit probleem niet snel afhandelen, komen we er nooit meer vanaf. We hebben veel bewijs van de band die bestaat tussen de drugshandel en de taliban. Terwijl zij spreken over ’alternatieve ontwikkeling’ krijgt de georganiseerde misdaad hier vaste grond onder de voeten.”

Volgens het Uruzgaanse parlementslid Soona Niloofar zijn uitsluitend rond Tarin Kowt Nederlanders te zien. Voorzover zij heeft kunnen vaststellen, hebben die alleen een brug gerepareerd en een coöperatief naaiatelier voor vrouwen opgericht. Een woordvoerder van de Nederlandse regering zegt dat er meer projecten zijn, één met de naam ’Tirin Kot schoonmaken’, waarbij winkelpuien een likje verf krijgen en afval wordt afgevoerd. Maar ondertussen werd het weer minder veilig. „Het Nederlandse beleid is zeer zwak”, zegt Niloofar. „En dat maakt de vijand sterker.”

„In Uruzgan en Helmand verdient veiligheid de hoogste prioriteit”, zegt de Canadees Chris Alexander, een van de hoogste VN-vertegenwoordigers in Afghanistan. „De taliban zijn in twee jaar tijd vervlochten geraakt met het drugsnetwerk. Die alliantie moet symbool staan voor hun opportunisme en misdadige inslag.

Het is geen puur islamitische beweging. Het is een gewelddadige, op drugs leunende bende met een smalle en onaantrekkelijke ideologische basis. Hun nederlaag, of in elk geval het verlies van invloed, kan de deur openen naar een veel effectiever anti-drugsbeleid.”

Wankel komt terug van een ontmoeting met de Nederlanders. Hij ziet er moe en gefrustreerd uit. Hij heeft een door hen goedgekeurde kaart, met daarop een klein stuk land waartoe zijn team zich moet beperken. Het ligt mijlenver van de Nederlandse basis. „Ze zijn nerveus als hoeren in een kerk”, zegt Wankel.

De volgende dag gaat zijn team in alle vroegte aan het werk. Het is een lang konvooi, van 19 Amerikanen en 100 Afghanen.

Ik rijd mee met David Lockyear van het particuliere Amerikaanse beveiligingsbedrijf DynCorp. Terwijl hij vaart maakt, zegt hij: „Dit is de hemel voor Amerikanen van het platteland. Je scheurt rond in terreinwagens, schiet met geweren en krijgt ervoor betaald. De perfecte baan!”

Als we aankomen zien we mannen door de velden rijden met quads, vierwielige motoren, uitgerust met metalen stangen en kettingen die de bollen doen afknappen. Anderen gaan de planten te lijf met de schop. De Afghaanse nationale politie houdt de wacht. Er zijn ook plaatselijke politieagenten, maar de meeste komen uit andere streken.

Majoor Khalil, de ondercommandant, vertrouwt ze niet. „We zitten in het hart van vijandelijk gebied”, zegt hij.

Wankel loopt naar een boer die boos toekijkt hoe zijn gewas wordt vernietigd en vraagt hem hoeveel hij voor zijn opium zou hebben gekregen. Een are graan levert hem omgerekend zo’n 25 euro op, tegen al gauw 450 euro voor een are papaver.

Als we klaar zijn om verder te gaan, zegt de boer, bijna beleefd: „Dank je. Maar ik kan je eigenlijk niet bedanken, want jullie hebben niet alleen mijn papaver vernietigd, maar ook mijn graan.” Hij wijst naar de sporen die de terreinwagens door zijn graanveld hebben getrokken. Wankel verontschuldigt zich, maar zegt dat de schade gering is. „Maar u heeft ook mijn watermeloenen beschadigd”, houdt de boer vol. „Nu heb ik niets meer.” Wankel draait zich om en loopt weg. „Vernietig je alle papaver of alleen mijn veld?”, roept de boer nog.

De volgende dag komen de lokale agenten veel te laat, en het zijn er maar een paar. Mick Hogan, een gespierde vijftiger die de operatie leidt, vindt de late aankomst van de politie geen goed teken. Het gebied waar het team vandaag aan het werk gaat, is pas gisteravond door de Nederlanders vrijgegeven. Het ligt op twee uur rijden, aan de overkant van de rivier.

Ik loop op een pad door de papavervelden als plotseling schoten klinken. Mannen rennen, zoeken dekking en turen naar het dorp op de heuvel. Zes, zeven agenten van de Afghaanse nationale politie - hun lokale collega’s hebben zich direct uit de voeten gemaakt - passeren met geweren in de aanslag. Wij volgen ze.

Even later zijn we in een open stuk in het dorp en er wordt op ons geschoten. Er zijn nu zo’n twintig politieagenten die in kleine groepjes tegen muren gedrukt staan en in alle richtingen schieten. Een van hen is in de schouder geraakt en bloedt. Enkele politiemannen wijzen naar een boerderij verderop. Dushman! – vijand . Ze vuren een granaat af. Een explosie, een grote zwarte wolk van rook en stof stijgt op.

We bereiken een heuvel vanwaar de Afghaanse politie met raketwerpers en kalasjnikovs op het dorp schiet. Het duurt al anderhalf uur. Om ons heen slaan de kogels in. Via de radio worden helikopters opgeroepen. Al snel horen we hun geronk en het vuren van de miniguns - machinegeweren die wel 4000 patronen per minuut kunnen afvuren.

Bij de rivier vinden we een gestrande pick-up, half in het water. Ook liggen er enkele quads. Vlakbij hebben DynCorp-mannen mitrailleurvuur geopend op een groepje schutters in een boomgaard aan de overzijde van de rivier. Raketten exploderen vlakbij de opstijgende Diablo-helikopters. Ze halen hun basis, in één ervan woedt brand.

Tien minuten later horen we zware explosies bij de rivier. De Nederlanders hebben een Apache-helikopter gestuurd om de achtergelaten truck te vernietigen met een Hellfire-raket. Een politieman die op de weg lag en die we op onze vlucht ternauwernood konden ontwijken is in het hoofd getroffen en op sterven na dood. Vier andere Afghaanse agenten zijn neergeschoten, twee verkeren in kritieke toestand. Een DynCorp-man heeft een wond in zijn nek.

Ze gaan naar het spoedhospitaal van de Amerikaanse Special Forces. Majoor Khalil hoort dat nog eens elf Afghanen zijn geraakt tijdens de aanval en dat er acht zijn omgekomen. Onder de doden zouden een vrouw, een oude man en een meisje van twaalf zijn.

Mick Hogan is boos op de Nederlanders. Die zouden hebben verzuimd een ambulance te sturen voor de zwaargewonde Afghaanse politiemensen en hebben nagelaten henin hun hospitaal te behandelen. Al vanaf het begin, zegt Hogan, handhaven de Nederlanders kleinzielige regeltjes die de missie bemoeilijken.

„Ze geven ons nauwelijks ruimte, terwijl ik in de Special Forces juist leerde dat onvoorspelbaarheid de sleutel is tot overleven. Soms denk ik dat onze zogenaamde internationale partners onze vrienden niet zijn.”

Een teamlid vertelt dat het gebied waar ze werden aangevallen behoort aan de Alikozai-stam, terwijl de gebieden van de Popolzai-stam, die van president Karzai, ongemoeid blijven. „Dus de Nederlanders bevoordelen de Popolzai-stam, bewust of onbewust”, zegt hij. „Als je de Alikozai aanvalt, is dat voor hen bijna een bevel om zich te wreken.”

Er is zoveel kritiek op de Nederlanders, dus ik wil ze graag interviewen. Maar ze weigeren met me te praten zolang ik in Uruzgan ben. Terug in Kaboel spreek ik met een Europese ambtenaar die ontkent dat de Nederlanders weigerden de gewonden te verzorgen. Alleen, zegt hij, hun hospitaal was volledig bezet, terwijl de Special Forces nog plaats hadden. Later zou een Nederlandse woordvoerder zeggen dat er nooit een officiële aanvraag voor een ambulance is binnengekomen. Hij zei ook dat het aangevallen gebied was geselecteerd in overleg met alle partijen en dat dat ’stammenneutraal’ was gebeurd.

Volgens een boer helpen ontwikkelingsprogramma’s voor het verbouwen van alternatieve gewassen niets. „De regering-Karzai geeft het geld nooit aan de papaverboeren”, zegt hij. „In plaats van ons te helpen, waarschuwen overheidsfunctionarissen ons dat onze oogst wordt vernietigd en moeten we hen betalen om dat te voorkomen.”

Als ik zijn veld wil verlaten, kijkt de boer me recht aan. „Ik weet dat de opium tot drugs wordt verwerkt en dat dat jonge mensen de vernieling in helpt”, zegt hij. „Dat vind ik erg, maar we zijn hier met twintig mensen en er is niemand die ons helpt. We moeten papaver verbouwen om te overleven. Als we worden geholpen, zullen we het volgend jaar niet nog eens doen.”

Een week later krijgt het team te horen dat de missie in Uruzgan is voltooid, maar dat het nog één keer zijn tanden moet laten zien. Er zijn velden aan beide kanten van de weg. Als twee derde van de papaver is vernield, trekt de politiecommandant zijn mannen terug en laat de boeren gaan. Hij wil iets voor ze overhouden, zegt hij. „Als we hadden geweten dat je hier voor was gekomen, hadden we tegen je gevochten”, zegt een boer tegen hem.

Gouverneur Munib komt aan met enkele oudsten. Ze gaan onder een moerbeiboom zitten. Ik zie de politiecommandant naar Munib gaan en hem zijn hand kussen. Wankel gaat ernaartoe en zegt Munib dat ze morgen aan de slag gaan aan de overkant van de rivier, waar de papaver groter en voller is. ’Dat hij het maar weet.’ Munib knikt.

De volgende dag komen Munib en de dorpsoudsten niet opdagen. Politiechef Quasim (net als Munib vervangen) en zijn agenten zijn er wel, met een raadslid uit het dorp. Ze laten het team alleen toe op dezelfde rivieroever als de dag ervoor. Als de politiemannen een half uur op de planten hebben ingeslagen, beveelt hij ze te stoppen. „De politie zegt dat je dáár kan vernietigen.” „Fuck de politie”, snauwt Wankel. Hij draait zich om en loopt weg.

Ik loop langs een van de jeeps waar agenten van Quasim staan te praten en te lachen met de opiumboeren. Ik vang een pikant luchtje op als ik passeer: ze roken hasj.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden