De oorlog om 'Indië': terugblik na 50 jaar

Onderdeel van het Festival Indië Indonesië in Den Haag vormde donderdagavond de herdenking van het sluiten van de overeenkomst van Linggadjatti, nu vijftig jaar geleden. Bij die gelegenheid hield de historicus prof. H. W. von der Dunk, emeritus-hoogleraar aan de universiteit van Utrecht, onder de titel 'Enkele reflecties ten aanzien van Nederland en de Indonesische revolutie' de redevoering die wij hier afdrukken.

Dat de Nederlandse regering in de jaren 1945-50, tot de soevereiniteitsoverdracht dus, onder de druk der omstandigheden haar bakens heeft verzet en haar doelstellingen aan de situatie heeft aangepast en gemodificeerd, kan dat fiasco versluieren en tot de conclusie leiden, dat het resultaat van de Ronde-Tafelconferentie uit 1949 - een Nederlands-Indonesische Unie - toch enigszins strookte met wat men had gewild. Pas de eenzijdige ontbinding van die Unie door Soekarno was daarmee in strijd en hier was sprake van overmacht. Die voorstelling is zelfbedrog, maar ze heeft er toe gediend om de pil hier te vergulden en als zodanig had ze een psychologische en politieke functie tot behoud van het zelfrespect. Alleen mogen wij ons 50 jaar later daardoor niet meer van de wijs laten brengen.

Dat oorspronkelijke einddoel hield immers de nodige onduidelijkheden in: Allereerst kwam die toezegging tot stand omdat Amerika na de oorlog geen kolonialisme meer wilde dulden en van Amerika waren wij afhankelijk. De rede was dus noodzakelijk om Amerika's goodwill te behouden. Niet iedereen was in zijn hart dan ook even gelukkig met die concessie. Dat hield bij velen in dat zij toch op een zeer gematigde en vooral geleidelijke verwezenlijking ervan hoopten. Als het zover was, zou men wel zien!

In de tweede plaats was sprake van 'Indië': het land, waarmee de Nederlandse koloniale elite zich onverbrekelijk verbonden voelde. Dat de Indonesiërs daarbij stellig veel sterker of op voet van gelijkheid zouden meeregeren, was nog heel iets anders dan een 'Indonesië' uitsluitend van de Indonesiërs. Dat laatste was alleen voor radicaal-links in Nederland de logische uitkomst. In 1936 was nog een poging van Indonesische zijde om meer bij het bestuur betrokken te worden afgeketst.

Men is er niet naast als men zegt dat de grote meerderheid van alle politieke partijen en van de bevolking in 1945 'Indië' als door Japan wederrechtelijk afgepakt vanzelfsprekend Nederlands bezit beschouwde, dat men niet kon missen ('Indië verloren, rampspoed geboren!'), waar men, ook dank zij een voorbeeldig beleid, recht op had, hetgeen tenslotte alleen maar in het belang van de inheemse bevolking was, die nog lang niet in staat was om zichzelf te besturen. Een verstrengeling dus van harde economische met ethische gezichtspunten, die karakteristiek is voor de Nederlandse politieke cultuur.

Daarbij waren er uiteraard zeer graverende verschillen tussen hen die vooral vanuit macht en economische belangen of die vanuit ethisch-humanitaire beginselen dachten.

De genoemde rede liet dus in 't midden, ten eerste wat precies onder zelfbeschikking van 'Indië' moest worden verstaan, en of dit een staatsrechtelijk volledige 'los-van-Holland-constructie' zou betekenen binnen het Koninkrijk, of zelfs een volkenrechtelijke, in de zin van een vast verbond van twee soevereine staten, en ten tweede hoe en binnen welke termijn dat einddoel zou moeten worden bereikt. Vaststond dat eerst het Nederlandse vooroorlogse gezag zou worden hersteld en dan, vanuit die nullijn, zou men verder opereren. Daar kwam als een concrete, zeer klemmende overweging bij de alleszins begrijpelijke behoefte om de Nederlanders in Indonesië zo snel mogelijk uit de Japanse kampen te bevrijden.

Voor de linkse partijen en voor de progressieven onder de koloniale elite zoals de Stuw-groep, Van Mook, Logemann e.a. was medezeggenschap van de Indonesiërs op korte termijn veel vanzelfsprekender dan voor 'rechts': ARP, CHU en VVD. Die progressieve elite wilde een zelfstandig Indië - 'los van Holland' - maar toch met behoud van het Nederlandse element, dat sedert generaties met het land was vergroeid en onmisbaar werd geacht voor het welzijn van de inheemse bevolking en de modernisering.

Dat was dus grofweg algemeen uitgangspunt van het Nederlandse denken in 1945. De proclamatie van een Indonesische Republiek - zonder Nederlanders - door Soekarno en Hatta was dus zo gezien een brutale doorkruising van die politiek en een ongeoorloofde rebellie; nog extra verwerpelijk omdat Soekarno als Japanse creatuur gold: een 'Indische Mussert'. Een typering die vooral door de verontwaardiging over zijn eigenmachtig optreden werd ingegeven; nog heftig versterkt door het lot van de Nederlanders in de kampen, die voor de nationalisten nu eenmaal evengoed vijanden waren als voor de verslagen Japanners.

Deze uitgangspunten zijn van cruciaal belang voor een begrip van wat volgde. Waarom mislukte de Nederlandse politiek ten slotte, zodat geen binnen het Koninkrijk zelfstandig vrij 'Indië' maar een volledig soeverein 'ontnederlandst' Indonesië het resultaat was?

Ik denk dat het antwoord in essentie vrij eenvoudig is: Nederland had domweg niet de middelen om de archipel te heroveren en de onafhankelijkheidsbeweging met geweld te vernietigen en dat laatste was een vereiste. Het had die middelen niet, ook omdat het afhankelijk was, politiek en economisch, van de VS, Engeland en de wereld. Een afhankelijkheid die hier - en daarin lag een kardinale fout - niet, of niet voldoende werd doorzien; bevangen als men was in de zelfsuggestie van eigen gelijk, nog versterkt door de nationale compensatiedrang na het trauma van de bezetting.

Destijds en ook later nog werd door degenen die Indië als rechtmatig bezit beschouwden en volledig herstel van het koloniaal gezag dus als vanzelfsprekend en noodzakelijk uitgangspunt voor elke verdere ontwikkeling, de verklaring vooral gezocht in de uiterlijke omstandigheden die tegen zaten: de geallieerden blokkeerden de onmiddellijke inbezitneming en landing van onze troepen. Daarmee hielpen ze de republikeinen. We hadden door de oorlog ook nog niet direct de nodige middelen. Bij de 'politionele acties' greep het buitenland in, anders hadden we de republiek beslist gedwongen, want ze waren een militair succes etc. Ook stond het voor velen vast dat de Indonesische bevolking niets liever wilde dan herstel van het Nederlandse gezag, dat orde en rust bracht, en dat dus Soekarno c.s. slechts een revolutionaire kwalijke minderheid vertegenwoordigden die de rest van de bevolking terroriseerde.

Nu ligt hier een onoplosbare historische moeilijkheid. Een objectieve 'meting' van wat 'de Indonesiërs' in hun hart wilden is ten enenmale onmogelijk. Van eensgezindheid bij een over honderden eilanden verdeelde multi-etnische bevolking zal om te beginnen per definitie geen sprake zijn, en bovendien werden de gevoelens, zoals altijd, sterk mede bepaald door het belang, dat wil dus zeggen door de inschatting van de macht, waarmee men zich nu eenmaal altijd moet verstaan. In een dermate chaotische revolutionaire situatie, zoals op de archipel na de Japanse capitulatie heerste, wisten velen vermoedelijk zelf nog helemaal niet wat ze moesten vinden en willen.

In het proces van natievorming, dat vanaf 1945 en vooral na 1950/51 in Indonesië inzette, werd het (net zoals in Europa in de negentiende eeuw) een heilig onaantastbaar nationaal dogma dat natuurlijk alle Indonesiërs in hun hart achter de nationale bevrijdingsbeweging hadden gestaan en dat merdeka het vanzelfsprekende verlangen van heel het volk weergaf. Dat kleurt achteraf de beeldvorming en ook de herinnering.

Dat wil zeggen, degenen onder de bevolking, die in 1945 om wat voor redenen ook, nog allerminst enthousiast waren voor de nationale onafhankelijkheidsbeweging, kunnen dat later, ook voor zich zelf, hebben gecorrigeerd in hun terugblik. Het geheugen is een virtuoze aanpasser.

Bovendien waren velen wel tegen terugkeer van de Hollanders, maar daarom nog niet voor een vanuit Java en door Java beheerste nationale republiek. En dan denk ik nog niet eens aan de Molukken. Ongetwijfeld hadden ook velen nauwe persoonlijke bindingen met het vooroorlogse Nederlandse bestuur en met Nederlanders, op grond waarvan hun terugkeer voor henzelf een geruststellend perspectief betekende.

Voor sommige groeperingen was dit wellicht het meest voor de hand liggend. De berichten van Nederlanders, soldaten en anderen, over mensen die dankbaar stonden te juichen bij hun binnenkomst en over ontroerende persoonlijke aanhankelijkheidsbetuigingen, kunnen we niet zonder meer als ongeloofwaardig of als propaganda en bedrog van tafel vegen. Evenmin als het gegeven dat de revolutionairen niet voor intimidatie terugdeinsden om de bevolking te winnen. Elke inschatting van percentages lijkt me daarbij echter vooralsnog een slag in de lucht.

Maar dat alles neemt niet weg, dat hier aan Nederlandse zijde terdege in algemenere zin sprake was van een even fundamenteel als reusachtig gezichtsbedrog tengevolge van een eenzijdig onkritisch zelfbeeld. En dit was dan ook de diepste oorzaak van het uiteindelijke falen van de Nederlandse politiek.

Men realiseerde zich niet - een kleine progressieve minderheid hier en in Indonesië niet te na gesproken - dat het Nederlandse gezag en gedrag in Indonesische ogen allereerst terdege dat van een hooghartige, zich in alles superieur voelende buitenlandse kolonisator was geweest; gebaseerd op de macht van een moderne staat en op het onaantastbare beginsel van ongelijkheid qua ras, cultuur en rang. Een beginsel, dat het dagelijkse leven beheerste en een uitgesproken apartheid als vanzelfsprekend in stand hield. De betrekkelijk fatalistische aanvaarding van die blanke superioriteit had een beslissende knak gekregen toen de Hollanders door Japan (een Aziatisch ras!) in 1942 zeer snel en moeiteloos op de rug waren gelegd. Hun macht was een papieren tijger gebleken.

Men zag hier niet in, dat het idee van een zelfstandig soeverein Indonesië daarom aan elementaire gevoelens van zelfrespect en eigenwaarde appelleerde, zoals elk nationaal gevoel, en dat men bereid is veel ongemak, onzekerheid, ja feitelijke onvrijheid te accepteren van een staat die men in elk geval als de 'eigen staat' kan beschouwen, waarmee men zich vermag te identificeren; liever dan een veilig geordend bestaan als tweederangs mens in een door anderen beheerste maatschappij. Daarin berust de enorme magie en psychische kracht van het nationalisme en van begrippen als 'vrijheid' en 'zelfstandigheid' van wat als wij-groep wordt gevoeld.

Doordat men zich dat kennelijk nooit voldoende had gerealiseerd, kwam men in Nederland ten slotte tot die wantaxatie van de gevoelens bij de Indonesische bevolking en van de kracht en dynamiek van het nationalisme. Dit laatste was bovendien onderdeel van het algemene Aziatische nationale 'ontwaken'.

Die wantaxatie kan worden verklaard a. door het vijfjarige isolement van bezet Nederland, dat het contact met het wereldwijde dekolonisatieproces had verloren; b. door een extra behoefte aan machtsherstel en reparatie van het zelfbewustzijn na het trauma van de nederlagen van 1940 en 1942, en c. door het genoemde eenzijdige eufemistische beeld van het eigen koloniale bewind.

Vandaar ook dat een vergelijking van het Indonesische verzet tegen de Nederlandse heerschappij met het eigen recente verzet tegen het Duitse bewind voor vermoedelijk de meesten aan blasfemie grensde. De vergelijking van Soekarno met Mussert leek even logisch als die met Willem de Zwijger infaam! Wens en belangen kleurden zo de observatie bij een groot deel ook van de politieke elites in Nederland.

In de komende jaren kwamen de Nederlandse politici nu te verkeren in de draaikolk tussen Scylla en Charibdis. De Scylla van de realiteit en kracht van het Indonesische nationalisme, dat in elk geval veel sterker en authentieker was en allengs veel meer door de bevolking werd gedragen dan zij eerst hadden bevroed; waar nog bij kwam, dat de middelen ontbraken om zonder steun van Engeland en de VS met geweld de hele archipel weer te heroveren, terwijl die staten die steun niet gaven omdat zij - om allerlei redenen - geen voorstander waren en konden zijn van herstel van het Nederlandse koloniale gezag. De Charibdis van de beeldvorming en doelstelling in Nederland, waar men in grote meerderheid dat herstel als uitgangspunt normaal en elke concessie aan de nationalisten immoreel en smadelijk vond.

Maar de democratie impliceert dat partijen en parlement vertolkers zijn van de algemene beeldvorming, op straffe van stemverlies en een katastrofale vertrouwenscrisis. De Nederlandse ignorantie stond zo als macht en politieke factor tegenover de Indonesische realiteit.

De prioriteit voor Den Haag lag echter in de Nederlandse verhoudingen. De binnenlandse politiek - d.w.z. partijbelang en zorg voor de steun van de volksvertegenwoordiging - bepaalden uiteindelijk de koers van de kabinetten. Het buitenlandse en Indonesische beleid was daaraan ondergeschikt volgens een lange ongebroken traditie, die door een even lange ongebroken neutraliteitshouding diep in het Nederlandse denken verankerd was.

Met de nieuwe KVP waren de katholieken naar het centrum van de macht doorgestoten. Jan Bank heeft in zijn proefschrift aangetoond hoezeer de betrekkelijk geringe affiniteit van een vooroorlogse katholicisme met het koloniale beleid nu tot een geprononceerde koloniale behoudspolitiek heeft geleid bij Romme, Beel, Sassen c.s., die daarmee tevens het katholicisme van elke verdenking van gebrek aan vaderlandslievendheid wilden reinigen. Alle leidende politieke figuren kwamen helemaal uit het binnenlandse bestuur en brachten die horizon mee.

De PvdA, op haar beurt, stond voor een dilemma dat met een vergelijkbare positie samenhing. Ook zij was eindelijk doorgestoten naar het centrum van de macht. Met het oog op de beoogde hervormingen woog dat het zwaarst. Een breuk van de coalitie met de KVP, een eventuele aftocht naar de oppositiebanken (die de socialisten zo goed kenden) moest om elke prijs worden verhinderd; ook om de prijs van een marchanderen met de beginselen van het traditionele linkse anti-kolonialisme. Zo stemde bijvoorbeeld een man als Schermerhorn onder zware druk van Vorrink in met de politionele actie van 1947, omdat anders een scheuring in de partijgelederen dreigde.

Daar kwam iets bij dat ook voor veel oprechte socialisten in de praktijk moeilijk verteerbaar was: men had aan de andere zijde nog niet met een geordende en gevestigde staat te doen, maar met een staat-in-wording, gedragen door een dynamische revolutionaire beweging, met alle interne competentietwisten, bestuurlijke onduidelijkheden en kinderziektes op het gebied van vooral militaire discipline vandien. Dat botste met de vertrouwde normen van het Nederlandse legalisme, die men hier in een sedert eeuwen gevestigde staat als vanzelfsprekend beschouwde. Voor een man als Drees - oud-wethouder en legalist bij uitstek - waren de Indonesische nationalisten onbetrouwbare en dus in feite onbehoorlijke lieden; en niet voor hem alleen!

Vanuit de innige overtuiging dat de republikeinse leiders, zeker Soekarno, Hatta en de militairen, in feite rebellen waren, die de bevolking terroriseerden en niet als gelijkwaardige tegenspelers konden worden beschouwd, gaf Den Haag, ook met het oog op de binnenlandse reacties, onder druk van de omstandigheden telkens zo veel toe als onvermijdelijk was, maar telkens ook met het gevoel - zeker bij de rechtervleugel van de betrokken partijen - dat men eigenlijk te ver was gegaan en dat aan de onder buitenlandse druk bereikte compromissen een illegitieme geur van chantage hing.

Die omstandigheden: dat waren dan grosso modo de geallieerden, die een vreedzame oplossing eisten en waarvan men afhankelijk was, en de onmogelijkheid om, ook daarom, die vuist te maken die nodig was geweest voor herstel van het gezag. Waarbij achteraf alleen maar gezegd kan worden dat een regelrechte oorlog zonder twijfel in een voor Nederland rampzalig soort Indo-China of Vietnam zou zijn ontaard. De oppervlakkige militaire successen bij de militaire acties mogen ons daar niet misleiden. Dat ze onder dwang van de UNO en de VS snel moesten worden afgebroken is achteraf slechts een zegen voor Nederland geweest. Toen zag men dat hier, door de volstrekte miskenning van de historische kracht van het dekolonisatieproces in heel Azië, verblind door dat mengsel van eigenbelang, compensatiedrang na de oorlog en moralistisch legalisme, in meerderheid niet zo.

Met dat beeld van een gerechtvaardigde strijd tegen rampokkers en rebellen werden 130 000 jonge soldaten de oceaan over gestuurd. Het gebrek aan politieke voorlichting, gekoppeld aan des te grotere zorg voor het zedelijk gedrag van de jongens, is minder een teken van bewuste misleiding door de verantwoordelijken dan van hun eigen achtergebleven normen en denken. Zij waren tenslotte grootgebracht in het rustige, neutrale, van christelijk-morele waarden vervulde vooroorlogse Nederland.

Linggadjati is een schoolvoorbeeld van de drang om moeizame compromissen achteraf zo veel mogelijk weer ongedaan te maken. Het akkoord was alleen mogelijk dank zij enkele onduidelijkheden op cruciale punten. Het kon dus 'aangekleed' d.w.z. 'uitgekleed' worden om voor het parlement acceptabel te worden. Aan Indonesische zijde vond trouwens een vergelijkbaar proces plaats; met dat verschil dat de Republiek als symbool van het onafhankelijkheidsstreven en nationalisme de tijdsfactor en de wereld-sympathie aan haar zijde had.

De gebrekkige mentaal-politieke uitrusting van de meeste Nederlandse politici (en uiteraard van pers en bevolking) voor de omwenteling die, gegeven de mondiale dekolonisatie, onvermijdelijk was, kan dus zeer wel worden verklaard. Een verontschuldiging is dat daarom nog niet. Ten eerste waren er, die niet aan die blikvernauwing leden of althans snel hun ingewortelde voorstellingen corrigeerden. Zij waren echter een minderheid, zeker binnen de grote partijen, en vermochten dus niets tegen de majoriteit, waaraan zich ook de regering conformeerde bij haar beleid. Veeleer werden zij veelal door de verhitte opinie hier te lande voor verraders uitgemaakt en belasterd.

Daarom lijkt het mij een kwestie van elementaire historische rechtvaardigheid om 50 jaar na dato te erkennen bij wie het juiste inzicht en bij wie de geborneerdheid lag, die uit een mengsel van bezitsdrift, prestige-gevoeligheid maar bovenal een onkritisch nationaal zelfbeeld was samengebrouwen.

Dat eerste geldt ook voor de principiële dienstweigeraars en deserteurs, die weigerden om een oorlog te voeren die zij verwerpelijk vonden. Het geldt te meer omdat de staat nog lang na afloop van de tragedie zich niet tot een royaal gebaar tegenover deze, in haar loopbaan vervolgens danig gefnuikte groep wist op te werpen.

En dat brengt ons tot een laatste en meest benarde kwestie: de erkenning van schuld en ongelijk vandaag, een halve eeuw later.

De hier heersende wantaxatie van de Indonesische realiteit en vooral de overtuiging van eigen gelijk, de in wezen nog onverminderd hooghartige visie op de revolutionaire tegenspelers, of als Japanse collaborateurs, of als rebellen en in het gunstigste geval als politiek onrijpe beginnelingen, leidde ook tot die instelling, waarbij eigen geweld als gerechtvaardigde harde bestraffing en dat van de ander als barbaarse beestachtigheid werd gekwalificeerd. Een instelling aan het front die echter vanaf de top bevorderd werd door de legitimatie van de oorlog als handhaving van de orde tegen een minderheid van opstandelingen en terroristen; ook dank zij het eufemisme 'politionele actie'.

Het leidde tot die mildheid, dat begrip en dan vooral tot die verdoezelingstactiek ten aanzien van Nederlandse wandaden, kortom, tot dat meten met twee maten, dat een lange en nog steeds niet geheel afgebroken taboeïsering heeft bewerkstelligd. Van die wandaden is na zeer lange tijd een en ander bekend geworden. De represailles tegen de bevolking werpen een eigenaardig licht op de toen officieel verkondigde versie, dat die bevolking pro-Nederlands was en door de revolutionairen werd geterroriseerd. Ze staan, evenals de martelpraktijken bij verhoren, vooral in schel contrast alweer tot het zelfbeeld, dat 'onze jongens' zulke dingen niet doen en geen SS'ers zijn! Juist dat laatste heeft de verdoezeling van overheidswege bevorderd en jarenlang verhinderd dat men er kennis van wilde nemen.

Men kan tegenwerpen dat Indonesië zich ook niet zichtbaar druk heeft gemaakt ten aanzien van eigen gewelddadigheden. Maar het heeft zich, voorzover mij althans bekend, ook niet druk gemaakt ten aanzien van de Nederlandse. Wat een realistische visie op het hele conflict en de gewelddadigheden aangaat, is men daar verder dan wij. Terwijl men met recht dat conflict au fond kan zien als een bevrijdingsstrijd tegen een koloniaal bewind.

Nederland daarentegen zag zich daarna dikwijls weer geroepen tot zedenmeester bij gruwelen en onrecht, waar ook ter wereld. Men blijft gebrand op excuses van Duitse of Japanse zijde voor leed aan Nederlanders berokkend. Als het er echter om gaat om zelf excuses aan te bieden, kiest men ineens een zeer pragmatisch-nuchter standpunt: 'Wat heeft dat nu nog voor zin, de ander vraagt er immers helemaal niet om!' Dit akelige meten met twee maten blijkt nog zeer diep in onze cultuur verankerd.

Nu is er bij de stellingname vandaag nog een kwestie, juist met betrekking tot de deserteurs en dienstweigeraars evenals tot de veteranen, die niet weggemoffeld kan worden. Ik bedoel het algemene gegeven, dat een staat slechts kan bestaan bij de gratie van gezag en macht. Hij kan geen ongehoorzaamheid, dus desertie dulden - zeker niet in een conflictsituatie - want dan verliest hij alle grond onder de voeten. Dat schept voor een regering altijd het probleem, dat zij deserteurs achteraf niet kan rehabiliteren zonder daarmee in beginsel groen licht te geven voor toekomstige desertie. Wat zij vandaag beveelt kan morgen verkeerd blijken en de weigeraar heeft uiteindelijk gelijk. Evenmin kan zij degenen achteraf vrolijk afvallen die haar toen gehoorzaamden; zeker als het gaat om de inzet van eigen leven zoals in een oorlog.

Dat bemoeilijkt voor elke regering als vertegenwoordiger van de staat en als drager van zijn historische continuïteit van de rehabilitatie van de ongehoorzamen en daarmee dus de impliciete veroordeling van de gehoorzamen van gisteren. Ook als zij achteraf toe moet geven dat haar voorgangers verkeerd hebben gehandeld. Alleen na een revolutie voelt een nieuw bewind zich gewoonlijk vrij om de voortekens om te keren. Meestal was dat ook een oorzaak van de omwenteling of breuk.

En toch berust het morele gezag van een regering en een politieke elite in een open samenleving juist op de bereidheid om nieuwe historische inzichten en correcties te verdisconteren. Het is een teken van de innerlijke kracht en rijpheid van een regering en van een samenleving als zij het risico dat in zo'n rehabilitatie van de ongehoorzamen van gisteren eventueel is gelegen, durft te aanvaarden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden