De oorlog is Gods klop op de deur

Gereformeerden weten het zeker: de Eerste Wereldoorlog kondigt de wederkomst van Christus aan. Dat is geen reden tot vreugde. Op de kansel wordt de toon pessimistisch.

Elke kogel heeft een bestemming; God en niemand anders schrijft het adres er op, predikt iemand. En: 'Geen geweerschot gaat af, of God bestiert het. Geen kanonlading verspreidt verderf, of de Heere zendt het.'

Dat moet gezegd, er klinkt stevige taal van de gereformeerde kansels als de eerste berichten over de strijd Nederland bereiken. Nederland mag dan neutraal zijn, dat betekent allerminst dat het oorlogsgeweld geruisloos aan de grenzen voorbijgaat. Bang als de mensen zijn dat het kleine Nederland de grote oorlog in wordt gesleurd, zorgt de strijd (aanvankelijk) voor een opleving van het kerkbezoek.

Wat de kerkgangers op zoek naar troost te horen krijgen, is niet mals. De predikanten laten het niet na zonde en schuld stevig te benadrukken. "De algemene opvatting is dat de oorlog een straf van God is voor de zonden van Europa, Nederland en de christelijke kerken", zegt Enne Koops, gepromoveerd historicus uit Ermelo. Koops is een van de weinigen die zich tot nu toe verdiept heeft in de invloed van de Eerste Wereldoorlog op het Nederlandse christendom. Hij bekijkt vooral de manier waarop gereformeerden zich gedroegen. Voor zijn onderzoek (Koops schreef in 2004 een scriptie over dit thema en publiceert geregeld over de oorlog) las hij ruim tweehonderd preken en tientallen kerkelijke brochures uit de periode 1911-1918.

Meteen na het uitbreken van de oorlog, in augustus 1914, slaat de sfeer in de kerken om, ontdekte Koops. "In de beleving van veel gelovigen is er een geestelijke strijd gaande, óók in het neutrale Nederland."

Dat is een heel andere boodschap dan waar de gelovigen voor de oorlog mee werden geconfronteerd. Toen waren predikanten positief gestemd. Ze geloofden in vooruitgang in de cultuur en de techniek. Natuurlijk, de predikanten hadden wel wat cultuurkritiek. "Maar dat uitte zich vooral als kritiek op ongebreideld materialisme. Dat zou ik zéker geen cultuurpessimisme willen noemen", zegt Koops.

Plotseling gaat de toon van majeur naar mineur, van positief naar negatief. "Vóór het uitbreken van de oorlog wordt er relatief beperkt over 'boete en schuldbelijdenis' gepreekt. Vanaf 1914 komt het accent te liggen op zonde, schuld en de noodzaak tot bekering." Koops, die deze verschuiving in veel preken tegenkomt, merkt op: "Wie het feit dat God met zijn straffen komt niet erkent in het wereldgebeuren, moet wel stekeblind zijn, is de geldende opvatting. Om de haverklap worden in de preken termen gebezigd als 'de slaande hand Gods', 'den donder zijner stem' en 'goddelijke oordelen'."

Egoïstisch Europa

Veel gereformeerde predikanten laten niet na het gehoor erop te wijzen dat de bevolking van Europa met zijn moderne cultuur aan niemand minder dan God zelf de oorlog heeft verklaard. De Europese beschaving is, zo menen ze, in allerlei kringen ontaard in een 'stelselmatig egoïsme'. Waar het continent door God rijk gezegend is met materiële vooruitgang en rijkdom, is ze van God afgevallen en de mammon-dienst gaan aanhangen.

Volgens een uiterst cultuurkritische predikant, Gerard Wisse, ligt de katalysator van de zonde in de stad. 'Het brandpunt van cultuur, van de modernen vooruitgang', sombert hij. Koops, over de taal van de preken: "De Europese en ook Nederlandse steden zijn het Sodom en Gomorra van de twintigste eeuw geworden, waarin het zondeleven weelderig bloeit. Op hun poorten staat niets anders geschreven dan Afgoderij."

De industriële massaslachting waarin dit alles resulteert, drijft volgens de predikanten de spot met het geloof in een almachtige en liefhebbende God. "In deze zin is de oorlog dan ook niet alleen een militaire strijd, maar tevens een soort godsdienstoorlog, een conflict van strijdige levenswijzen", zegt Koops. "Het gevoel overheerst dat de mensheid voor een beslissende tweesprong staat: of de terugval in een verfoeilijke barbarij of de komst van een gelouterde mens."

In dit soort ideeën klinkt de filosofie van Friedrich Nietzsche door. Ook deze spreekt over de gelouterde mens, de Übermensch. Daarmee doelt de Duitse filosoof op de perfecte mens voor wie heerszucht en machtswellust leidende principes zijn. Maar dat is niet wat de gereformeerden voor ogen staat. De in deze periode invloedrijke filosoof wordt door de gereformeerde predikanten uiterst kritisch tegemoet getreden. Zo ook door predikant Bastiaan Wielenga. In 1916 verschijnt van zijn hand 'Het blonde beest'. Wielenga beargumenteert in dit boekje de opvatting dat de tegenwoordige tijd in het teken staat van het door Nietzsche geprofeteerde 'blonde beest', waarmee hij de Übermensch van Nietzsche bedoelt. 'Nu moet de Nietzscheaan lachen, omdat in Europa weergekeerd is het tijdperk van het blonde beest', verzucht Wielenga.

Antichrist

In de prediking van de jaren 1914 tot 1918 doet zich nog een andere verschuiving voor, vertelt Koops. Zo beklemtonen gereformeerde theologen nadrukkelijker dan voorheen dat het einde der tijden in aantocht is. Door de oorlog vallen allerlei zaken op hun plaats. Sommigen zien de profetische geschriften uit het Oude Testament in hun eigen tijd uitkomen. Predikant J.C de Moor bijvoorbeeld, haalt in 1914 de profeet Ezechiël aan, waar beschreven staat hoe God een oordeel over Jeruzalem voltrekt. 'Zeker, Hij komt ten gericht over de wereld en inzonderheid over Zijn bondsvolk. Hoe menigmaal heeft de Heere tot ons volk zachtkens en teder gesproken. Maar het wilde niet opmerken', predikt De Moor.

Kerkgangers worden vertrouwd gemaakt met het besef dat de geschiedenis op mondiaal niveau haar laatste fase is ingegaan. Met het uitbreken van de oorlog is het tijdperk van de Antichrist aangebroken. "De oorlog is volgens de predikanten niet alleen de 'roede Gods', maar tevens het werk van de duivel en de Antichrist", zegt Koops. De gelovigen in de kerkbanken sidderen: de laatste periode in de wereldgeschiedenis is aangebroken. Of, in de woorden van dominee Wielenga: 'De betekenis van deze wereldoorlog is, dat hij ons op die laatste fase heenwijst, en u oproept tot de keuze, tot de heilige oorlog.'

Verscheidene predikanten constateren een groeiende invloed van de 'werken des duivels' en de opkomst van de Antichrist. De Antichrist is een figuur of kracht die volgens de gereformeerde theologen vlak vóór de komst van Christus op de wereld verschijnt, maar uiteindelijk door Christus overwonnen zal worden. 'Gewone' geschiedenis en heilsgeschiedenis schuiven in de beleving van de gereformeerden ineen. De oorlog betekent dat de geschiedenis ten einde loopt zoals die is begonnen bij de zondeval in het Paradijs. Jezus Christus zelf, zo krijgen de kerkgangers te horen, zal weldra op de wolken des hemels verschijnen om te oordelen, de levenden en de doden.

Maar wie is nu de Antichrist? Over die vraag breken de gereformeerde theologen zich het hoofd. Zo makkelijk als een antwoord voor de godgeleerden in oorlogsvoerende landen is (de Antichrist was immers de tegenstander), zo lastig is het voor hun collega's in neutraal Nederland.

De latere VU-hoogleraar Valentijn Hepp probeert een antwoord op deze vraag te formuleren. Volgens predikant Hepp is weliswaar niet met zekerheid te zeggen of de tijd van de Antichrist al daadwerkelijk is aangebroken. Eén ding is wel zeker, weet Hepp: hij is in aantocht. In 'De Antichrist', een cultuurpessimistisch boekje uit 1919 (niet te verwarren met het gelijknamige geschrift van Nietzsche), beschrijft hij de Antichrist als 'het werktuig van de duivel', een 'gemoderniseerde bezetene', als een op en top 'cultuurmens, zondemens en beest'. Hij is niet de enige. Ook de gereformeerde predikant J.G. Kunst deelt de mening dat de Antichrist in aantocht is. En net als Hepp vindt hij het moeilijk te bepalen waar en wanneer precies. Een hele waslijst aan 'teekenen der tijden' wijzen, zo schrijft hij, op de naderende aanwezigheid van de Antichrist: het imperialisme, militarisme, egoïsme, socialisme, de alomtegenwoordige hebzucht, haat en eerzucht en de opkomst van 'nieuwe rassen' zoals de Slaven en 'het gele ras'.

De oorlog zorgt ervoor dat een hele reeks incidenten ineens vanuit een apocalyptisch perspectief wordt bezien. Neem de ondergang van de Titanic, het onzinkbaar geachte reuzenschip dat in 1912 op zijn eerste reis in de golven verdween. Achteraf wordt het de dominees duidelijk dat dit al het begin was van het einde. Net zoals de grote overstromingen rond de Zuiderzee (1916), de Russische Revolutie (1917) en de Spaanse griep (1918) geen gewone vreselijke gebeurtenissen zijn. Nee, de dominees zien een patroon. Het is allemaal niets minder dan de rampspoed die de vier apocalyptische ruiters uit het bijbelboek 'Openbaringen' over de aarde uitstrooien. Of, in de woorden van de gereformeerde predikant Laurens Boone: 'Nu is de Heere met zijn vreselijke oordelen aanwezig, vreselijke vuurmonden zijn daar, en brengen verwoestingen en verschrikking. Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop. Het is Gods vinger aan de deur van Nederland.'

Op 15 oktober vindt aan de Vrije Universiteit het congres plaats over de invloed van de Eerste Wereldoorlog op het Nederlandse christendom. Daar wordt ook het boek 'De kogel door de kerk?' van Enne Koops en Henk van der Linden gepresenteerd. De toegangsprijs is 15 euro. Aanmelding via: hdc@vu.nl.

'God is de God van de Duitsers'

Buiten Nederland waren theologen ook drukdoende de oorlog te verklaren. In de oorlogsvoerende landen speelden dominees en priesters een belangrijke rol bij het rechtvaardigen van deelname aan de oorlog. Zoals door te beweren dat God aan de kant van de zich verwerende natie stond.

Duitse kerkgangers hoorden dat God Duitsland had uitverkoren voor een goddelijke missie. 'God is de God van de Duitsers. Onze veldslagen zijn Gods veldslagen. Onze zaak is heilig, een allerheiligste zaak. We zijn Gods uitverkorene onder de naties', verklaarde de protestantse theoloog Alfred Uckeley.

In Engeland was het niet veel anders. Ook hier was het spierballentaal wat de klok sloeg. 'Wij staan aan de kant van het christendom en strijden tegen de Antichrist. Het is een Heilige Oorlog', verkondigde de Anglicaanse bisschop van Londen Arthur Winnington-Ingram in 1914.

'Geestelijken sloegen een toon aan die totaal anders was dan de manier waarop er tegenwoordig in kerken op oorlogvoering wordt gereageerd', merkt de Britse historicus Michael Burleigh hierover fijntjes op in 'Aardse machten' (2005), een studie naar de politisering van religie in het moderne tijdvak.

De Zwitserse theoloog Karl Barth was een van de weinigen in de kerk die weerstand bood aan deze politisering van de religie. In zijn invloedrijke 'Römerbrief', een studie van de Brief van Paulus aan de Romeinen waarmee hij in 1916 begint, zet hij het idee uiteen dat God niet te claimen valt voor eigen opvattingen en cultuur. Hij zet hiermee de toon voor een aantal generaties theologen na hem.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden